Doofpot

Op een markt in de Chinese stad Wuhan gebeurde het: Een virus sprong over van een dier naar een mens en vervolgens sprong het over van mens naar een mens. Een pandemie was geboren. Het is niet verwonderlijk dat het juist op die markt in Wuhan gebeurde. Het was namelijk een vieze markt, zo lees ik overal. Een verschrikkelijke plek, een onhygiënisch plek en ook nog eens een onethische plek. Het is namelijk een markt waar dieren verhandeld worden. Als je de definitie van ‘levend’ ietsje oprekt, dan kan je spreken van een markt waar levende dieren van hand tot hand gaan. Dieren om op te eten. Allerlei soorten dieren want de gemiddelde Chinees eet alles dat gelopen, gekropen, gezwommen of gevlogen heeft. In tegenstelling tot ons. Wij eten drie-en-een-halve diersoort: Kip, varken, koe en verder heel soms wat schaap, geit, kalkoen en heeeel soms wild. Gekweekt wild. Wel veel vis hoewel daar het assortiment aardig beperkt raakt…zie het aanbod in de supermarkt. In China villen ze honden en eten ze katten. Om al die dieren min of meer levend te verkopen stoppen ze de beestjes in kratten en die kratten stapelen ze op om ruimte te besparen. Dat de onderste dieren erge pech hebben omdat ze de drek van de bovenetages op hun kop krijgen, kan de marktkoopman niet veel schelen op die markt die stinkt naar stront en verrotting. Geen wonder dat op deze verschrikkelijk onhygiënische markt het coronavirus ontstond…

Dat is het verhaal dat ons verteld wordt. Het is ook het verhaal dat we heel graag willen horen. Zo’n smerig virus dat zoveel schade aanricht kan alleen maar van een verschrikkelijke plek komen en daarom verandert die markt in Wuhan langzaam in de hel op aarde waar iedereen compleet onverantwoordelijk bezig was. Vraag is natuurlijk of dit beeld wel het echte beeld is en of het niet heel anders was. Gisteren op het journaal werden beelden van de markt getoond. Er was nog maar één handelaar. Een vrouw die vis verkocht. Ik keek. Ik zag. Die hygiene…ach, het ging niet zoals hier bij ons op de Albert Cuyp, maar om nou te zeggen smerig. Eigenlijk viel het wel mee. De vrouw sneed een grote vis in stukken en stopte het in een plastic tasje. Niets bijzonders eigenlijk. Ontstaan vervelende ziektes alleen op hele erge vieze markten waar besmettelijk micro-organisme van dier naar mens hipt? Nee, dus. De Q-koorts ontstond in het schone aangeharkte Nederland. Van geit naar mens. Dat was niet zo heel erg besmettelijk maar dat had makkelijk anders kunnen uitpakken…

Nu hoor ik weer verhalen over dat het virus niet overhipte van een dier op een mens op de markt van Wuhan, maar dat er iets faliekant misging in een laboratorium vlak bij de markt in Wuhan. Dat men daar lekker aan het experimenteren was en dat ze iets niet onder controle konden houden of dat iemand een bakje opendeed dat gesloten had moeten blijven, zoiets. Dat de Chinese autoriteiten daarom zo logen toen de epidemie nog klein was en ze misschien nog de kans hadden om het te laten uitdoven voordat het de wereld in vuur en vlam zette. Dat besmetten, dat begon per ongeluk in een door de staat geleid bedrijf.

Was het maar zo dat dit verhaal alleen van notoire complotdenkers komt. Dat is dus niet zo. Max Pam vanochtend in de Volkskrant, om maar eens een voorbeeld te noemen. Maar dan denk ik toch maar weer hoe de Q-koorts ontstond. Was daar niet ook een soort van doofpotje?

Insuline

Met mijn geliefde J. opgesloten worden, is niet echt een straf. Pasgeleden besefte ik me dat we al zes weken bijna fulltime bij elkaar zijn. Dat moet een record zijn. Onze gezamenlijke vakanties hebben nog nooit langer geduurd dan drie weken. Dan gaat ieder weer zijns en haars weegs en komen we elkaar vooral onder het avondeten en in bed tegen. En de weekenden natuurlijk. Maar zes weken vrijwel constant samen in een huis; dat hebben wij nog nooit meegemaakt. En die zes weken zullen zich nog uitbreiden. Geen idee hoe ver. Niemand weet dat. Sinds de jongetjes mannen werden en hun eigen leven gingen leiden, hebben we best een groot huis. Dat zullen we vast voorhebben op veel mensen die minder harmonisch met elkaar omgaan; ons huis is zo groot dat we elkaar niet voortdurend hoeven te zien.

Best goed dus allemaal; ik lijk makkelijk en ongeschonden door de coronapandemie heen te meanderen…Maar helaas…

Ik had in de loop van de afgelopen weken ineens het idee dat er iets met mijn prostaat aan de hand was. Mijn grote angst. Mijn prostaat. Die onderzoekjes bevallen mij niet. In mijn lichaam heb ik ingangen en uitgangen en dat hou ik graag zo. Maar bij onderzoek naar je prostaat heeft de dokter geen enkel respect voor uitgangen. Dus alleen daar al zie ik tegenop. Bovendien hoorde ik dat prostaatoperaties vaak impotentie tot gevolg heeft… Say no more… Waarom dacht ik dat er misschien wat met mijn prostaat was? Ik pieste elk uur. Ik dronk ook wel veel; had steeds dorst. De dorst en het drinken vielen mij niet zo op, maar dat plassen wel. Bovendien was ik zo verschrikkelijk moe. Dacht dat dat te maken had met thuiswerken. Niets van dat alles; glucose. Mijn suikerspiegel was hoog. Terwijl ik me zo strak aan het dieet hield. Toen ik weer begon te meten was de glucose hoog maar elke dag werd het hoger. En elke dag zo moe. Viel niet mee. Tijdens mijn thuiswerk onweerstaanbare zin om mijn ogen dicht te doen en heerlijk weg te dromen. Maar ik moest wakker blijven en doorwerken en dat botste en gaf wrijving. En toen kwamen er laboratoriumuitslagen want ik had bloed laten prikken; en toen was het geen grapje meer.

Stress is één van de factoren die de bloedsuikerspiegel op stuwt. Dat thuiszitten en niet met anderen omgaan en niet mijn eigen werkplek maar een thuiswerkplek en niet mijn eigen kinderen dichtbij, bleek wel stressvol; het coronavirus heeft van mij een echte patiënt met suikerziekte gemaakt.

Dus…tegenwoordig staat er een naaldencontainer naast mijn bureau. Om acht uur elke avond schud ik behoedzaam een buis met insuline. Dan schroef ik er een naaldje op, spuit ik de lucht uit het naaldje en vervolgens steek ik het naaldje in mijn bovenbeen en spuit ik insuline onder mijn huid. (En van dat prikken voel ik vrijwel niets. Dat is heel raar want ik duw de naald wel in mijn vlees.) Daarna deponeer ik het naaldje in mijn naaldencontainer. Insuline spuiten. Het is een nieuwe fase; een brug over. Nee, ik vind dat allemaal niet fijn. Dus zocht deze jongen naar een lichtpuntje in dit donkere corona-diabetes tijdperk. Gevonden! Op zaterdagavond ga ik ietsje meer insuline spuiten omdat ik dan mijn heerlijke versgebakken knapperige stokbrood ga eten. Met ambachtelijke boeren belegen kaas erop. Dat heb ik mezelf zo lang ontzegd. Dat is het voordeel met insuline…je kan er ietsje meer van spuiten om er je onverstandige eetgedrag mee te compenseren…

Wessel te Gussinklo – De Hoogstapelaar; knap geschreven…

Het gebeurt mij zelden, maar ik kon me bij het lezen van deze roman, en dan vooral het laatste stukje van de roman, het beste inleven in de tegenspeler van de hoofdpersoon Ewout. Na vijf zesde van de roman vol gezever van de hoofdpersoon – zou ik best een perspectiefwisseling wensen. Nu even niet de onechte Ewout als hoofdpersoon. In het laatste stukje van de roman loopt de hoofdpersoon in de Espressobar aan tegen twee jongens die hij in het eerste deeltje van de roman zwaar heeft beledigd. Laat ik een stukje herschrijven. Een ander perspectief. Een perspectief waardoor ik me beter kan identificeren met de hoofdpersoon:

“Ik had hem eerst niet gezien, dat lulletje, maar Japie wel. Hij stootte me aan. ‘Daar heb je dat arrogante klootzakje uit de jazzkelder. Moet je hem daar zien zitten met dat uitgestreken smoelwerk.’ Toen herkende ik hem. Hij zat naast één van zijn vriendjes. Een flikker zo te zien. Zo eentje met van die maniertjes. Mij zit het niet dwars als je homo bent, maar wel als je het billenmaatje van dat arrogante joch bent. De verontwaardiging over dat kolerelijertje kroop langs mijn ruggegraat omhoog en kwam bij mijn haargrens tot stilstand. Daar voelde ik hoe mijn haar overeind kwam. Wat een arrogantie, wat een eikel, wat een klootzak. We waren in die jazzkelder te beduusd om hem meteen zijn tanden uit zijn bek te slaan. Twee weken geleden. Té verbaasd. Japie en ik zaten lekker te genieten van ons sigaretje en ons biertje. Lekker muziekje op de achtergrond. Heerlijke ronde zachte maar toch stevige meidenbillen die zachtjes op de muziek meedeinden vlak voor onze neus en daar staat ineens dat klootzakkie; die etterbuil. Begint zomaar met zo’n hete aardappel in zijn verwende bekkie tegen ons te keer te gaan. Dat we op moeten zouten; dat de tent waar we in zitten niet voor ons soort bedoeld is. Dat er alleen maar studenten komen. Niet zulke domme gozers als wij zijn. We stonden helemaal met onze mond vol tanden. Zo overvallen dat we niet wisten wat we moesten doen. En we waren al vertrokken voordat we bedachten wat voor lulletje rozenwater dat gozertje eigenlijk was.

Maar nu zijn we niet overdonderd. We gaan hem een lesje leren; dat staat vast. Japie hoef ik niets te zeggen. Helemaal niet toen etterbuil himself ons ook in de smiezen kreeg. Want dat was even schrikken voor hem. Met dat arrogante koppie was hij meteen op zoek naar een ontsnappingsroute. Als één man stonden we op en liepen naar hem toe. Bij elke stap die wij dichterbij kwamen kromp dat lulletje verder in elkaar.

Ik gaf hem een por tegen zijn schouder: ‘Zo lulletje, kijken of je nog steeds zo moedig bent. Kom dan op, eikel. Ik ga één voor één die tanden uit je bek slaan. Arrogant klootzakkie!’ En ik gaf hem nog een por en nog een por. En hij reageerde als een dood vogeltje. Een steeds dooier vogeltje. Hij deed geen zak, dat lafbekkie. ‘Hé flikkertje, trek dat arrogante bekkie nog eens open…toe dan. Ik ruk die tong uit je kop, eikel. Dat jochie keek me aan. Angst. Pure angst in zijn ogen. Genieten dus voor mij en voor Japie. “

Maar dat zijn mijn woorden. Niet de woorden van Wessel te Gussinklo, maar het lucht mij wel op. Met een woordenstroom die aan een mantra doet denken bouwt Te Gussinklo het imago van de hoofdpersoon op en handhaaft hij het. Pas in het allerlaatste stukje van de roman ontwikkelt zich een soort van demasqué. We zijn getuige van een voortdurende strijd om erkenning van een vals beeld van de hoofdpersoon. Dat maakt het best ingewikkeld. Tegenspelers worden vergeleken met hoe en wat hij voorstelt volgens hemzelf; qua gevatheid, macht, aanzien, intellect. Sartre en Camus spelen een rol als middel tot intimidatie, maar heeft de hoofdpersoon deze auteurs gelezen? Nee, dus. Laat staan dat hij ze begrepen heeft. Dat beseft de hoofdpersoon zich ook. Imago, dat is waar het om gaat; vals of niet, als het je maar aanzien geeft.

Tegenover imago staat de werkelijkheid. Wie ben je werkelijk? Daar loopt Ewout tegenaan. Hij moet onweerstaanbare lusten zien te onderdrukken die in het geheel niet passen bij het beeld dat hij van zichzelf schept. Hij kan het niet laten om vrouwenkleren aan te trekken. Stilletjes in zijn eentje brengt Dvořáks Nieuwe Wereld hem in extase terwijl hij enkele bladzijden eerder nog heeft lopen snoeven over jazz en de vrijheid en tegen dat voorspelbare en zoetsappige van klassieke muziek… Wessel te Gussinklo houdt de diepere gevoelens van de hoofdpersoon erg vaag. Zijn gevoelens blijven verborgen in het verhaal en worden vaag beschreven. Hij masturbeert regelmatig, maar wie of wat zijn lusten opwekt, wordt niet duidelijk. Vrouwenkleren, homoseksualiteit, we krijgen er niet echt grip op.

De Hoogstapelaar is een boek waarin de hoofdpersoon mij heel erg ergerde. Nooit van het woord ‘Hoogstapelaar’ gehoord, maar omdat Google mijn vriend is, toch de betekenis gevonden. Een blaaskaak; iemand die zich heel veel beter voordoet dan hij in werkelijkheid is. Op zich heeft Wessel te Gussinklo de hoofdpersoon natuurlijk heel knap neergezet, want ik kon dat rotjoch wel wurgen. Maar, en dat is de hamvraag, maakt dat de roman tot iets wat je graag wil lezen? Nee, het zal nooit één van mijn favorieten worden.

Deze roman is genomineerd voor de Librisliteratuurprijs. Het is een knappe roman, maar niet een roman die ik graag lees. Om die reden zal hij niet mijn hoofdprijs wegslepen…

Sociale afstandelijkheid (social distancing)

Ik snak naar het einde van de lockdown. Intelligente lockdown of niet, het maakt mij niets uit, als er maar snel een einde aan komt. Ik heb verschrikkelijke last van huidhonger. Niet eens de honger om mensen aan te raken, maar wel om anderen in de ogen kijken en om met anderen samen te werken terwijl je naast elkaar zit. Ik ben een sociaal mens; ik heb menselijk contact nodig. Elektronisch contact, hoe geavanceerd ook, kan bij mij het persoonlijke fysieke contact niet vervangen. Dan heb ik het dus nog even niet over de mensen die mij lief zijn want sjonge wat mis ik ze. Naast de huidhonger mis ik ook alles wat het leven de moeite waard maakt. Bezoek aan concerten, bezoek aan musea, bioscopen, schouwburgen, sportevenementen; allemaal verboden. Soms vraag ik me stilletjes en schuldbewust af, waarom we onszelf dit aandoen (voor die paar oudjes die toch al met één been in het graf staan?). En dan kijk ik naar pubers en jonge volwassenen. Die zijn geprogrammeerd om elkaar op te zoeken en dicht bij elkaar te zijn en te foezelen en te flikflooien. Zij hebben het nog veel moeilijker dan ik, ouwe sok. Mark Rutte volgt het RIVM en het RIVM weet zeker dat sociale afstandelijkheid de oplossing is om uit deze corona pandemie te komen.

Gisterenavond bij Op1 bleek Maurice de Hond er een heel andere visie op na te houden en voor zover ik gisteren kon zien had zelfs (mister social distancing, himself) Ab Osterhaus niet veel argumenten tegen de Honds analyse. Doordat hij anders naar de pandemie kijkt, komt hij ook op andere oplossingen om ervan af te komen. Oplossingen die veel minder gaan om sociale afstandelijkheid maar wel om mondkapjes. Mondkapjes om anderen te beschermen tegen mogelijk jóúw besmettelijkheid omdat je, wellicht zonder dat je dat weet, drager bent van het virus.

Volgens Maurice de Hond hangt de grote verspreiding samen met een zeer bepaalde combinatie van temperatuur en luchtvochtigheid. Als je onder die omstandigheden samenkomt in een afgesloten ruimte, dan komt iedereen in aanraking met het virus en zal iedereen besmet raken, in het geval er minimaal één persoon in die ruimte drager van het virus is. Die combinatie van luchtvochtigheid en temperatuur was aanwezig in een golvende smalle strook over de wereldbol. De strook ging van het Chinese Wuhan naar Teheran in Iran via Turkije Europa in dwars over Lombardije, over Spanje en Frankrijk en België en Nederland naar New York. In landen waar dichtbevolkte sloppenwijken zijn of waar vluchtelingen in kampen hutjemutje op elkaar zitten buiten die smalle strook over de aarde, lijkt het virus nauwelijks te komen.

Als de verspreiding vooral het gevolg is van temperatuur en luchtvochtigheid en het verblijf van groepen mensen in afgesloten ruimtes, dan betekent dat dat we wel nog even concertgebouw, bioscoop en theater uit ons hoofd moeten zetten, maar dat dat een kwestie van tijd is. Als temperatuur en luchtvochtigheid veranderen – en dat gebeurt – dan dooft het virus vanzelf uit en krijgen microbiologen de tijd om snel verder te zoeken naar een vaccin voordat de omstandigheden voor het virus weer gunstiger worden. Mondkapjes zijn, in de gewone dagelijkse omgang, totdat het virus uitdooft, voldoende.

Dan de oudjes in de verzorgingstehuizen. Het virus wordt volgens Maurice de Hond via luchtcirculatiesystemen verspreid. Als één iemand besmet is in een verzorgingstehuis, dan raakt iedereen besmet. De besmetting van mens op mens is relatief gezien niet zo relevant; airco wel. Oplossing: Zet de airco uit en de ramen open…

Als dat toch allemaal eens waar was…wat zou ik dat graag willen!