Marijke Schermer – Liefde, als het dat is; een scherpe analyse en een mooie roman.

Toen ik destijds Turks Fruit las, was ik helemaal de hoofdpersoon. De liefdesgod, daar wilde ik me graag mee identificeren. Nog nooit had ik de liefde gesmaakt of was ik echt verliefd geweest, maar die hoofdpersoon uit die roman, dat was helemaal ik. Je identificeert je makkelijk in een roman met de persoon die je het meest aan het hart ligt. Die romanheld van toen, dat is nu niet meer zo mijn held. Zoveel liefde zie ik er nu niet in, in die roman van Wolkers. Een bruut die zijn slachtoffer af en toe ‘toestemming’ geeft om iets te doen; om taartjes te maken van een witte boterham waarop ze een laag boter metselt en aftopt met chocoladehagelslag. Niet meer van deze tijd. Interessante vragen: Wat doet een boek precies met je en waarom identificeer je je met bepaalde romanpersonages?

In de roman ‘Liefde, als dat het is’ van Marijke Schermer wordt de liefde geanalyseerd, ontleed en op een mooie manier opgediend. Ik heb de roman in een ruk uitgelezen. Fantastisch!

Het verhaal van Schermer draait om het gezin van Terri en David en de dochters Krista en Ally. Op een dag is het voor moeder Terri over. Ze voelt zich zo bekneld en zo gevangen binnen het huwelijk en het gezin dat ze voor zichzelf besloten heeft om zo niet verder te kunnen gaan. Ze begint een verhouding, affaire of in ieder geval ‘iets’ met Lucas. David zoekt troost bij schrijfster Sev maar houdt een relatie verre van zich. Uiteindelijk beëindigd Terri de relatie met Lucas en stoppen Sev en Lucas de troosterij en is het gezin voor altijd gebroken. De plot van de roman kan ik makkelijk weggeven zonder dat het je leesplezier gaat bederven.

Ik identificeer me met David in de roman. Als lezer – geïdentificeerd met David – voel me ik zo verschrikkelijk verraden door Terri. David wordt beschreven als een zorgzame, lieve, tedere man die het met iedereen het beste voor heeft. Een man die zijn deel van het huishouden op zich neemt en zich haast in dienst stelt van het gezin dat hij vormgegeven heeft. Een tedere minnaar die zijn seksuele wensen ondergeschikt maakt aan de hare. That’s me… Maar Terri kwalificeert dat als ‘aardig’, en ‘aardig’ is de dood in de liefdespot…

Terri kiest voor Lucas. Lucas en de hoofdpersoon uit die beroemde roman van Jan Wolkers vallen goeddeels samen. Hij gebruikt haar voor zijn lusten en zij lijkt ervan te genieten. Al haar lichaamsopeningen worden gebruikt om zijn kwakkie kwijt te raken en als ze vraagt om iets meer begrip voor wat voor situatie dan ook, dan vernedert hij haar. Ik merkte dat ik zo verschrikkelijk kwaad wordt over de situatie die ik zie ontstaan in de roman. David voelt zich zo verraden en ik met hem. Tijdens een van de ruzies die daar het gevolg van is, loopt zij weg uit de ruzie en gaat linearecta naar Lucas waar ze zich stevig laat misbruiken door haar minnaar. Terwijl ik het opschrijf voel ik de verontwaardiging naar boven borrelen. Op het moment dat vijftienjarige dochter Krista haar eerste kleine stapjes zet op het liefdespad, krijgt ze helemaal per ongeluk de telefoon in handen van haar moeder en leest ze de chats tussen Lucas en haar moeder. ‘Ik wil je hier op je knieën met mijn pik in je mond’ leest het arme kind. Lekkage van seksualiteit van ouders naar kinderen en andersom is killing, zo blijkt maar weer. Krista wil helemaal niets meer met haar moeder te maken hebben.

De sympathie van lezer – zeker van deze lezer – gaat naar David. Maar toch laat dat wel een leegte achter. Vragen heb ik ook. Waarom kiest een vrouw die zich bekneld voelt in gezin en huwelijk voor zo’n man als Lucas? (Wat heeft die man wat ik niet heb? Wat heeft die man wat David niet heeft?) Toch is het een realistische keuze. Hij maakt me kwaad, maar ik zie het toch ook wel voor me. En dan de verhouding tussen Sev en David. Sev is een vrouw die moeite heeft om zich te binden en bij wie het nooit gelukt is om langdurig een relatie aan te gaan. Ze wil ook geen relatie met David; hij moet haar minnaar zijn. David wil haar alleen maar in het verborgene beminnen; hij vreest dat zijn dochters bang worden dat hij, net als hun moeder, zal weglopen met een nieuwe geliefde en wil ze dat niet aandoen. Ik ben David, denk ik… ‘Liefde, als het dat is’ heeft veel minder aandacht gekregen dan het verdient. Het is een prachtige roman en een messcherpe analyse van de liefde in al haar facetten; van de eerste prille verliefdheid tot een min of meer sado- masochistische verhouding. Ik vind de roman een aanrader en jammer dat hij niet op diverse lijstjes voorkomt!

Céline Schiamma – Portrait de la jeune fille en feu.

Een aantal jaar geleden heb ik de film Vie d’Adele gekocht. Vaag had ik ervan gehoord en ik wist dat de film diverse grote prijzen had gewonnen. Het zou over een meisje gaan dat haar seksuele voorkeur voor vrouwen ontdekt. Maar terwijl ik de film bekeek begon ik me behoorlijk ongemakkelijk te voelen. Was het wel de bedoeling dat ik hiernaar keek? In tegenstelling tot mijn kinderen behoor ik tot de generatie van vrijheid, blijheid en alles moet kunnen, maar dit was wel heel erg expliciet. De scènes waarin de meiden intiem aan het vrijen zijn en waarin vingers en monden elkaars lichaam exploreren worden lang uitgesponnen. Geen porno, dat niet, dat gevoel had ik niet. Het was geen poging om me op te winden, vond ik, maar geheel onschuldig, dat zeker ook niet. Voor porno zijn de scènes te echt, te waarachtig. Ik had het gevoel dat ik er gewoon niet naar moest kijken. Ik heb gewoon niets te maken met al het lichamelijke intiems van een liefde van twee piepjonge meiden; dat is van hun en ik moet daar geen deelgenoot van worden. Zoiets. De film bracht mij erg in verwarring.

Onwillekeurig vergelijk ik Vie d’Adele met Portrait de la jeune fille en feu. Beiden Frans en beiden over twee vrouwen die de vrouwenliefde ontdekken. Ondanks dat je bijna gedwongen de vergelijking zoekt, moet je wel tot de conclusie komen dat de films helemaal niets met elkaar te maken hebben. Is de eerste film, in mijn ogen, een ‘coming-out’ film, vertelt de andere film een universeel verhaal over een allesverterende- en overstijgende liefde. Dat het om twee vrouwen gaat die het met elkaar beleven ervaar je als toeschouwer als puur toevallig; het hadden net zo goed een man en een vrouw of twee mannen kunnen zijn. Speelde Vie d’Adele nadrukkelijk in het heden, Portrait speelt juist in het verleden met ruisende rokken en veel kaarslicht.

Het filmverhaal wordt verteld vanuit het perspectief van kunstschilder Marianne (Noémie Merlant) die de opdracht krijgt om het portret te schilderen van de dochter des huizes. Een portret voor een Milanese huwelijkskandidaat; de opmaat naar een huwelijk om de dynastie te waarborgen. We krijgen te horen dat er een oudere zus was, maar die heeft zich, voordat er een huwelijk gesloten kon worden, van de kliffen geworpen. Maar ook jongere dochter Heloïse (Adèle Haenel) zit niet echt te wachten op een huwelijk. Marianne is inmiddels de tweede schilder die een poging gaat wagen om het portret te schilderen. De eerste schilder is het niet gelukt want Heloïse weigerde te poseren; als ze poseert gaat ze trouwen en is dat het einde van haar vrije leven, zo lijkt ze te redeneren. Moeder stelt voor dat schilder Marianne zich voordoet als gezelschapsdame en haar dan tijdens hun samenzijn bestudeerd en in het geheim portretteert. Aldus geschiedt. Maar als het portret af is, staat Marianne erop om Heloïse te vertellen over haar bedrog en haar als eerste het portret te laten zien. Naast de woede over het bedrog is Heloïse helemaal niet tevreden over het portret. Heloïse beseft dat het huwelijk onontkoombaar is en wil dat er een goed portret wordt geschilderd waar een ziel in zit. Marianne krijgt vijf dagen de tijd om het portret te maken. Gedurende die tijd gaat moeder weg en blijven ze in het gezelschap van het dienstmeisje (Luàna Bajrami) achter. Dit is de achtergrond waartegen zich een heftige liefde ontwikkelt tussen Marianne en Heloïse en die onherroepelijk begrensd wordt door het aanstaande huwelijk en, al eerder, door de terugkeer van moeder.

De film begint behoorlijk traag en omdat er, zeker in het begin, nog maar weinig inhoud is, was dat voor mij qua aandacht een soort van overleven. Ik dwaalde regelmatig ernstig af. Maar toen het verhaal op gang kwam, verhoogde het tempo zich weliswaar niet, maar ging de film toch erg boeien. Het einde van de film vond ik bijzonder ontroerend. Er waren wel wat kleine uitglijders. Zo springt Marianne met rokken en al overboord om haar onbeschilderde doeken te redden. Iedereen die als kind zijn A-diploma heeft gehaald weet dat zwemmen in je t-shirtje en korte broek al best een klus is. Met al die rokken aan de zee inspringen…dan verdrink je onherroepelijk. Marianne dus niet. Koud en nat komt ze aan in het huis. Daar trekt ze al haar kleren uit en gaat ze naakt voor het hoog opflikkerende haardvuur zitten om warm te worden terwijl ze onderwijl een pijpje rookt. Als ervaren kampvuurzitter kan ik je vertellen dat je met een vuur als warmtebron aan de ene kant verbrand terwijl je aan de andere kant ijskoud blijft. Ieder verstandig mens zou zich daar voor dat vuur, minstens in een deken hebben gehuld.

Het verhaal van Marianne en Heloïse wordt begeleid door het verhaal van het dienstmeisje dat zwanger blijkt. Ze ondergaat een abortus. Kennelijk ziet zij net zo op tegen het huwelijk als de twee hoofdpersonen. Het dienstmeisje leidt de twee hoofdpersonen langs volkse haast esoterische vrouwengroepen en -rituelen. Mannen spelen geen rol in de film en het huwelijk wordt gezien als dreiging. De dreiging van het eind van de vrijheid en de zelfontplooiing. In de dagen waarin het verhaal zich afspeelt, het einde van de achttiende eeuw, was dat natuurlijk ook zo hoewel weinig vrouwen daar veel over nagedacht zullen hebben; je leeft in de tijd waarin je leeft en je past je zo goed mogelijk aan. Kijk je terug in de tijd met de ogen van nu, dan ontstaat er een geheel ander beeld; dat kan niet anders. In een tijd waarin we vinden dat iedereen, mannen en vrouwen, dezelfde rechten hebben om zich te ontplooien, dan zijn de onmogelijkheden om je als vrouw te kunnen ontplooien dé focus van een film over het eind van de achttiende eeuw. Op dit moment vinden we zelfs dat je faalt als mens als je niet álles uit het leven haalt. Ook daar kun je vraagtekens bijzetten…zoals bij alles, trouwens.

Al met al een erg mooie film maar wel met wat haken en ogen… Ik voelde mezelf in ieder geval geen voyeur die dingen zag die eigenlijk niet voor mijn ogen bestemd zijn. Een universeel verhaal over de liefde.

Na Londen weer thuis

Vandaag neemt het gewone leventje weer zijn gang. De afgelopen dagen bracht ik door in een land en een stad in verwarring. De ene demonstratie was nog niet geweest of de andere diende zich aan. Ik heb verschillende foldertjes in mijn handen gedrukt gekregen. Voor de Brexit, tegen de Brexit. Het hield niet op. Een deel van het centrum van Londen was regelmatig nauwelijks toegankelijk. En nog steeds…nog steeds weet niemand waar hij aan toe is. Ik wist dat het zo zou zijn. Dat was ook een van de redenen waarom ik Londen nog een keer wilde zien. Engeland in de nadagen van het EU-lidmaatschap. Maar ik kwam er natuurlijk ook voor de cultuur. Daar in Londen. Cultuur met een hele grote C. Na de National Gallery en de twee Tate musea in drie dagen, merkte ik dat ik wat kijk-moe was geworden. En mijn voeten waren van al dat slenteren langs schilderijen ook niet heel erg blij. Maar ik heb er desalniettemin van genoten en ware het niet dat er zo’n gigantische rij voor het Brittish Museum had gestaan, dan waren we daar ook naar binnen gegaan. In het jaar dat ik de Acropolis beklommen heb, wilde ik natuurlijk ook de van de Grieken gestolen friezen van het Parthenon bewonderen. Maar helaas…een rij van hier tot ginder. Dat had dus alleen maar te maken met de beveiliging. De toegang is gratis, zoals in alle Londense musea. Cultureel zat het tussen mij en Londen allemaal wel snor, dus. Met de locale politiek aldaar heb ik natuurlijk weinig van doen, maar wat dat betreft is Londen volkomen in de war. De Brexit heeft de Engelsen nu al eindeloos meer gekost dan ze lief is. Het politieke leven ligt zo’n beetje stil. Inmiddels al tijden. Eigenlijk vanaf het moment dat Theresa May haar eerste Brexit plan lanceerde. De gemoederen in het zo gereserveerde Engeland zijn sinds tijden niet zo verhit geweest.

De Brexit laat zien hoe fout referenda kunnen zijn. Een zeer complex probleem wordt teruggebracht tot een ja-nee-vraag en degenen die die ja-nee-vraag moeten beantwoorden weten doorgaans nauwelijks waar het over gaat. Gevolg is dat politici, die het allemaal wel zouden moeten weten, alles terugbrengen tot emoties. Aan de ene kant wordt zomaar beweerd dat er fatale oorlogen uitbreken als je voor de Brexit stemt, want de EU heeft voorkomen dat er in Europa naar de wapenen gegrepen werd. Aan de andere kant een soort misplaatste vrijheidsstrijd waarbij Europa voorgesteld wordt als een bezettingsmacht. In een tijd van protectionisme en conservatisme waarbij de hang naar oude waarden – what ever that may be – hoogtij vieren, is het logisch dat de laatste, conservatieve groep de overhand krijgt.

Ik heb mijn mening over de EU ook wel genuanceerd zien worden in de loop van de afgelopen jaren. De EU is vooral een D66 en VVD ding waarbij vrijhandel en heel veel geld verdienen over de rug van gewone mensen gemeengoed is geworden. De meeste nuts-bedrijven moesten geprivatiseerd zonder dat men daar nou direct op had zitten wachten…Misschien is wat hervorming van de EU zo slecht nog niet…

Oek de Jong – Zwarte Schuur; Boeiend en spannend!

Oek de Jong heeft iets dat ik niet heb. Nee, niet goed, klopt niet. Overnieuw. De mannelijke hoofdpersonen in de romans van Oek de Jong (en dus niet Oek de Jong zelf) hebben iets dat ik niet heb; een enorme aantrekkingskracht op vrouwen. In Pier en Oceaan waren de vrouwen al niet van zijn lijf te slaan, maar ook in zijn nieuwste roman Zwarte Schuur heeft de hoofdpersoon moeite om alle vrouwelijke opdringerigheid te weerstaan of in ieder geval in goede banen te leiden. Kon ik maar een klein beetje sexappeal, een klein beetje zelfverzekerde behoedzaamheid ten opzichte van vrouwen van die hoofdpersonen overnemen. Nu niet, maar meer in het verleden. Het had mijn leven een boel aangenamer gemaakt en zeker minder tobberig. Die vrouwen die allemaal uit zijn op de gunsten van de hoofdpersoon vind ik wat moeilijk verteerbaar (ja, oké, jaloezie…) maar voor de rest is Zwarte Schuur een boek waar je doorheen vliegt en waarvan het jammer is als je het uit hebt. Een heerlijk boek waarin niets is zoals het lijkt. Ik heb het boek in één ruk uitgelezen en kan niet anders zeggen dat het van het begin tot het einde boeide.

Het boek begint met de opening van een grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam over het werk van de hoofdpersoon Maris. Maris is rond de zestig, is een beroemd beeldend kunstenaar en is getrouwd met Fran. Dat huwelijk lijkt zijn laatste fase in te zijn gegaan. Ze kunnen niets meer van elkaar hebben. Juist als het huwelijk zich op een dieptepunt bevindt en zijn succes als schilder torenhoog, verschijnt er in een tijdschrift een schokkend verhaal over het verleden van de hoofdpersoon; er is iets schokkends en afgrijselijke gebeurd toen Maris veertien jaar was en toen hij nog met zijn ouders in Zeeland woonde. Wat dat schokkende is, wordt in latere hoofdstukken uit de doeken gedaan. Of datgene wat verteld wordt ook de ‘waarheid’ is, waag ik te betwijfelen. De tragedie wordt vertelt vanuit de hoofdpersoon. Kijk ik vanuit dat perspectief mee, dan is er sprake van een tragisch ongeluk. Kijk ik naar de gevolgen van dat ‘tragische ongeluk’ dan moet er sprake zijn geweest van opzet en dus van schuld. Maar dat is dus aan de lezer. Deze gebeurtenis in zijn jeugd beheerst zijn leven. Deze gebeurtenis illustreert in zekere zin ook zijn verhouding met vrouwen waarin vrouwen hem ten koste van alles willen en hij zwakke pogingen onderneemt om ze van zijn lijf af te houden.

De roman speelt zich af in drie tijdvakken. Het ‘heden’, waarin, zoals gezegd, de hoofdpersoon zo’n jaar of zestig is, een gevierd schilder is en getrouwd met Fran. Het tweede tijdvak is de schilder op veertienjarige leeftijd en waarin de gebeurtenis en tragedie met vriendinnetje Matty plaatsvindt die hem zijn hele leven zal achtervolgen. In het derde tijdvak vertelt de dan zo’n dertigjarige Maris aan geliefde Sigi wat hem overkomen is op veertienjarige leeftijd. Sigi trekt dat niet en verlaat hem. Het verdriet over haar vertrek zorgt ervoor dat hij niet meer schilderen kan. Een boek over het altaar van Isenheim en de schilder Grunewald brengt hem weer tot leven.

Vrouwen zijn vehikels waarop herinneringen over de fatale gebeurtenis in het verleden boven komen. Het gaat in die gevalen om vrouwen die van oorsprong uit de streek in Zeeland komen. Ze dringen de hoofdpersoon een verhouding op die hij niet wil. Allereerst ontmoet hij junk Ilse als hij op dertigjarige leeftijd terugrijdt van Colmar waar hij het Isenheimer altaar heeft gezien. Zij kende slachtoffer Matty en is Zeeland ontvlucht. Maris lijkt en blijkt haar laatste strohalm. Ook Albertina dringt zich op. Dat doet ze in het ‘heden’ van de schrijver als zijn huwelijk met Fran lijkt te stranden. Zonder het te weten zorgt Albertina ervoor dat er een ommekeer komt in de verhoudingen.

Wat ik een onbegrijpelijk en merkwaardig trekje vind in de romans van Oek de Jong is de verhouding tussen hoofdpersoon en zijn ouders. De manier waarop de hoofdpersoon naar zijn ouders kijkt lijkt verschrikkelijk plat en oppervlakkig. Was het in Pier en Oceaan nog zo dat pa geen goed kon doen, in de roman Zwarte Schuur is het de moeder die ongenuanceerd niets goed kan doen. In Pier en Oceaan las ik juist over de zo neergesabelde vader, hoe verschrikkelijk hij begaan was met de wereld en hoe hij altijd klaar stond voor anderen. Er was kortom best een verschil tussen de vader zoals de hoofdpersoon hem zag en beoordeelde of zoals de lezer hem kon afleiden uit wat er geschreven stond. In deze roman ontbreekt deze nuancering; moeder is overheersend en opdringerig. Ze heeft de hoofdpersoon laten vallen nadat het fatale ongeluk was gebeurd. Zij vader is compleet onderhorig aan de grillen en bazigheid van zijn vrouw. Het beeld dat van de moeder geschetst wordt vind ik erg plat en verwacht je niet bij een schrijver die zo genuanceerd schrijft. Zijn moeder past aan de andere kant wel in het rijtje van vrouwen die het over hem voor het zeggen hebben.

Het is onmogelijk om ook maar enigszins compleet te schrijven over deze roman. Er zitten best wat uithoeken en lagen in die ik compleet onbesproken laat. Dat is dus maar zo. Wat mij betreft wel een enorme aanrader deze roman.

Looking for Lucien Freud part two; Stanley Spencer.

In het statige museum Gare d’Orsay liep ik argeloos te genieten van al het moois dat in de negentiende eeuw in Frankrijk bij elkaar was geschilderd, en toen keek ik recht in ‘l’Origine du Monde’ van Gustave Courbet. Nota bene geschilderd tijdens het meest preutse tijdperk dat men gekend heeft. Een bijna fotografisch geschilderde kut. Natuurlijk behaard, met door het schaamhaar heen piepende schaamlippen. Verder geen herkenbare kenmerken van de eigenaresse. Als je daar in een museum mee geconfronteerd wordt, geeft dat je een ongemakkelijk gevoel. Ga je er nou gewoon voor staan en bekijk je het op dezelfde manier als een zelfportret van Rembrandt? Of mijd je het schilderij en doe je net of het er niet hangt. Als man doe je het voor zo’n schilderij nooit goed; als je er niet naar kijkt, dan ben je een preutse lafaard (zeker voor je eigen gevoel), maar als je er uitgebreid naar gaat staan kijken dan voel je je een beetje vies; een gluurder. Zo’n soort spanning in mezelf vind ik erg interessanten ik ben er vaak naar op zoek.

Stanley Spencer (1891-1959) – Double nude partait: The artist and his second wife 1937

Om die reden wilde ik graag de schilderijen van Lucien Freud zien. Zijn ongepolijste naakten zijn erg beroemd en ik hoopte in de stad – Londen – waar hij zo’n beetje zijn hele leven heeft gewoond, werk van hem te zien. Gisteren was ik al naar Tate Modern geweest. Maar daar hing niets. Ik moest in Tate Brittain zijn, wilde ik enigszins kans maken. Maar al van te voren werd ik teleurgesteld. Wijs geworden na gisteren, had ik de website van het museum onderzocht en daar ontdekt dat het museum verschillende werken bezit, maar er geen enkel doek aan de muur hangt. Helaas.

In Tate Brittain trof ik tot mijn grote verbazing toch een Lucien Freud aan…dacht ik. Dezelfde verwarring en ontluistering. Maar het was geen Freud. In mijn onschuld concludeerde ik dat een zo’n groot schilder epigonen moet hebben; naäpers. Dit moest wel zo’n naäper zijn…Maar toen keek ik naar de jaartallen… De schilder stierf toen ik geboren werd. Het schilderij was zelfs precies gedateerd: 1937. Het beroemde werk van Lucien Freud stamt van heel veel later. Wellicht, bedacht ik, heeft Freud zijn stijl wel met behulp van dit werk van Stanley Spencer ontwikkeld.

Wat ik zie op dit schilderij zijn twee blote mensen op leeftijd. Geen strakke lijven meer; de schoonheid van de jeugd hebben ze achter zich gelaten. Het is een dubbelportret van de schilder met zijn vrouw. Een lamsbout op de voorgrond versterkt het gevoel van vlezigheid. Ook wel een beetje een versterking van het ontluisterende. De wat ingevallen, smalle borst van de schilder. De slappe borsten van zijn vrouw. Gek genoeg een heerlijk schilderij om naar te kijken. Eigenlijk, en misschien geldt dat ook voor de doeken van Freud die ik nog nooit in het echt heb gezien, is het getoonde beeld ontdaan van alle erotiek door de harde manier waarop de lichamen zijn tentoongesteld. Een schilderij dat ons vertelt dat we allemaal mensen zijn en het moeten doen met het vlees rond onze botten dat we hebben gekregen en dat het in de loop van de tijd verandert.

Geen Freud dus maar een Spencer; ik hou van dit schilderij!

Looking for Lucien Freud and Francis Bacon

Als je als liefhebber van de kunsten in Londen bent – zoals ik, op dit moment – en je hebt het over moderne Britse beeldende kunst, dan heb je het in mijn geval, vooral over twee schilders: Lucien Freud en Francis Bacon. Hoewel ze beiden al geruime tijd dood zijn, vertegenwoordigen zij voor mij de Britse moderne schilderkunst. Van hen heb ik te weinig werk in het echt gezien. Gisteren zou dus dé dag worden en dus reisde ik, samen met geliefde J., per dubbeldekker naar de Tate gallery voor moderne kunst.

De Tate gallery bleek een gigantisch gebouw. Als ik zeg gigantisch, dan bedoel ik dat ook. Twee flatgebouwen, dus. Vlak naast elkaar met een overdekte ruimte er tussenin. Een imposante ruimte. Vrijwel leeg. En hoog. Waar moet je in zo’n gebouw beginnen? Met het kopen van een plattegrond dus. Dat leverde, behalve wat papier, weinig op. De nietszeggende plattegrond stond weliswaar op de gekochte versie, maar verder ook op zo’n beetje elke muur. Meer dan dat er op een verdieping beeldende kunst hing, leverde die plattegrond niet op. Dus begonnen we maar lukraak ergens. Op zich liepen we langs mooie werken. Het feit dat bijna alle kunstenaars van de getoonde kunst dood waren, gaf ons het idee dat we zo ook tegen de kunst van het illustere duo aan zouden kunnen lopen. Maar nee dus. Geliefde J. vond dat een goede reden om het te gaan vragen. Op dezelfde verdieping maar precies in het andere gebouw… werd haar verteld.

Via roltrappen, gewone trappen en ook nog eens liften, kwamen we uiteindelijk op de aangewezen verdieping. Maar daar bleek een tentoonstelling van de Deens- IJslandse kunstenaar Olafur Eliasson. Nooit van de goede man gehoord, maar hij maakte indruk. Zeker, dat wel.

Een wand helemaal gevuld met rendiermos. En…spreek je over een wand in de Tate gallery, dan is dat ook echt een wand. Ik ben slecht in schatten, maar zal het tien bij twintig geweest zijn, het zou best kunnen. En ga je daar dan vlak voor staan, dan krijgt deze persoon een hallucinerend toendra gevoel in zijn hoofd. Al die aaneengesloten plukjes mos in dat enorme tapijt steken iets aan in je brein dat je niet helemaal onder controle hebt. Met dat verlies van controle over je brein, daar speelde de kunstenaar voortdurend mee. Zo was er een opstelling die hij ‘Beauty’ noemde. Een ruimte waar een superplantenspuit een voortdurende wolk produceerde waarop een bundel licht gericht was. De wolk veranderde steeds van richting en het licht speelde met die veranderingen. Inderdaad heel fraai. En best hypnotiserend; je kan uren kijken naar dat spel van water, lucht en licht.

Het hoogtepunt van de tentoonstelling was toch wel de tunnel. Hoewel, bij mij viel dat een beetje in het water. Als toeschouwer loop je door een veertig meter lange gang, gevuld met dichte mist. Je zicht is hooguit één meter. Met felle lampen krijgt de mist kleur. Als toeschouwer word je daardoor met kleur omgeven; één met kleur. Maar helaas, dat vertelde geliefde J. me achteraf. De mist had een andere invloed op mijn brein. Survival. Ik raakte volledig gefocust op J., die voor me liep en die ik niet uit het oog wilde verliezen en de muur die ik wilde blijven voelen. En zo had ik het idee dat ik slechts in een witte omgeving had gelopen…

Maar van Francis Bacon en Lucien Freud dus geen spoor. Later bleek dat er nog een Tate Gallery is in Londen. Wellicht hangt hun werk daar… Wie weet of we er deze vakantie nog tijd en zin in hebben; er valt in deze stad zo veel te beleven!!!

Gisteren ook nog een dansje gemaakt in de overblijfselen van het Shakespearetheater The Rose. (J. helemaal verguld, want zo makkelijk ben ik niet naar de dansvloer te krijgen…maar ik deed het…) De dans werd geleid door een mevrouw die ik, volgens mij, had zien figureren in The Lord of the Rings films.

Mooi Doodliggen – A.F.Th. van der Heijden; Wel aardig maar zeker niet de beste.

Op 29 mei 2018 zette – waarschijnlijk – de Oekraïense inlichtingendienst de moord op  Arkadi Babtsjenko in scene. Niemand behalve de vermeende inlichtingendienst en Babtsjenko zelf wisten van dit toneelstuk af. Na de zogenaamde moord, was half kritisch journalistiek Rusland in diepe rouw. De volgende dag al bleek alle rouw helemaal voor niets; de man was nog springlevend en bleek een act te hebben opgevoerd om ‘echte’ moordenaars te pakken. Een verhaal dat zich ervoor leent om gedachtenexperimenten uit te voeren, want wat betekent dat nou allemaal. Wat betekent zoiets voor hemzelf? Een journalist die altijd kritisch was over overheden en die nu ineens, door angst gedreven, kritiekloos luistert naar een vermeende overheidsdienst. Wat betekent dat voor zijn integriteit. Wie gelooft hem na het opvoeren van zo’n act nog? Wat betekent zo’n leugen voor zijn naaste omgeving; van de mensen die van hem houden en die hem vereren? Een kolfje naar de hand van A.F.Th. van der Heijden.

Vaak grijpt Van der Heijden in zijn romans een bepaalde gebeurtenis in de werkelijkheid aan om er zijn roman omheen te spinnen. Dat stramien begon eigenlijk al in het vierde deel van zijn Tandeloze Tijd reeks. Daar was het de dood in een politiecel van kraker Hans Kok. In Het Schervengericht was de Amerikaanse zedenzaak tegen cineast Roman Polanski het onderwerp van de fantasie van Van der Heijden. In Mooi Doodliggen is de in scène gezette moord op Arkadi Babtsjenko de centrale gebeurtenis. Of Arkadi Babtsjenko zich net als romanfiguur Grigori Moerasjko heeft beziggehouden met het onderzoek naar het schietongeluk en MH17 (in de roman een beetje flauw MX17), dat weet ik niet. In de roman is zijn kritische houding ten opzichte van dat ongeluk reden voor de Russische geheime dienst om hem te vermoorden. Door zijn moord samen met de Oekraïense inlichtingendienst in scene te zetten, zouden de echte Russische moordenaars, die inmiddels al onderweg waren, gepakt kunnen worden.

In de roman Mooi Doodliggen heet Arkadi Babtsjenko Grigori Moerasjko. In velerlei opzichten lijken de twee dubbelgangers, maar dat zijn ze niet. Van der Heijden heeft alles verzonnen en heeft wat koppen uit de krant en het portret van Babtsjenko als uitgangspunt voor zijn roman genomen. Ga je associëren met deze uitgangspunten in je hoofd, dan kom je al snel bij de mensen die van hem gehouden hebben. Zijn vrouw, bijvoorbeeld. Ook de vrouw van Moerasjko wist niets van het toneelstukje dat hij samen met de veiligheidsdiensten in elkaar aan het zetten was. Voor haar moet de in scène gezette moord een nachtmerrie geweest zijn. Zijn vrouw Yulia en hun liefde belichamen de dramatische lijn in de roman.

Ik moet zeggen dat ik het deze keer niet altijd even makkelijk had bij het lezen van de roman. Sommige dingen spint Van der Heijden naar mijn smaak te veel uit. Op een gegeven moment is het wel genoeg. Zo besteedt de schrijver bladzijde na bladzijde aan de navel van Yulia, de vrouw van Moerasjko. Daarin verzamelt zich een plukje blauwwitte stof. Best intiem en illustreert vast iets. Maar om daar een pagina of tien aan te besteden, gaat wel ver. Eerlijk gezegd ben ik daar een keer compleet gestrand; heb het boek weggelegd. Pas heel veel later heb ik de roman weer opnieuw opgepakt en las ik het weer vanaf het begin en heb me toen over de weerzin van de navelfluff heen gezet. Dat viel niet mee. Maar de navelfluff staat niet op zichzelf. Er zijn meer keren dat ik vind dat iets bepaalds te veel wordt uitgesponnen.

Ook het effect dat de roman op mijn emoties heeft, maakt het best zwaar om te lezen. De in scène gezette pseudo-moord zie je van verre aankomen. Ik heb mensen die van mij houden en waarvan ik hou. Van hen kan ik me heel goed voorstellen wat het voor impact heeft als mij iets ernstigs overkomt. Ik kan namelijk heel goed invoelen wat het voor gevolgen heeft op mij als hen iets dergelijks overkomt. Als lezer voelde ik heel sterk het onrecht en het geschonden vertrouwen dat de hoofdpersoon zijn geliefden ging aandoen. Dat is natuurlijk de kracht van de roman, maar dat maakt het allemaal niet makkelijk. Een aantal keer voelde ik me zo in de klem zitten dat ik echt moeite had om door te lezen. Je ziet het allemaal gewoon veel te scherp voor je. Dat verschrikkelijke verdriet dat je een ander aandoet. Dat het dan niet echt is, maakt het allemaal nog heel veel erger.

De naam Moerasjko is wel leuk gekozen want de hoofdpersoon zakt in een ‘moeras’ van leugen en bedrog terwijl hij als journalist pal voor de waarheid en de feiten had willen staan. Dat Yulia de russische variant is van Julliet; de roman verwijst er eindeloos naar. Vooral naar de schijndood van Julliet.

Al met al is Mooi Doodliggen zeker niet de sterkste roman die ik van Van der Heijden gelezen heb. Best wel boeiend en een interessant gedachten experiment. Ik sla toch maar gewoon het boek dicht, denk ik…

Op de fiets naar je werk.

Ik ben weer forens geworden. Nee, dat vind ik niet leuk. Ik heb jarenlang moeten reizen om op mijn werk te komen. Ben een echte leaseautoman geweest. Ik moest daar eerst nog naartoe groeien. Ik kreeg een baan waarin ik door het arbeidsbureau gedwongen was. Ik had geen idee over de waarde van wat ik kon voor een bedrijf. Ik had me koud ingeschreven bij het arbeidsbureau of zij kwamen op de proppen. Jong als ik was had ik geen idee dat ik best verder mocht kijken of dat ik ook best mocht solliciteren naar hele andere banen. En zo kwam ik terecht bij mijn eerste forenzenbaan. Elke dag op en neer naar Zoetermeer. Doorgaans met de trein en soms, als het niet anders kon, met de auto. Al mijn reiskosten moest ik voorschieten en als ik met de auto ging dan kreeg ik maar een fractie terug van wat ik aan benzinekosten gemaakt had. Ik begreep eigenlijk nog helemaal niets van geld verdienen. Wat ik in Zoetermeer wel leerde was dat ik een heleboel collega’s had die op dezelfde basis gedetacheerd waren bij dat semi-overheidsbedrijf. Alleen hun reiskosten…dat ging dus heel erg anders. Mijn gedetacheerde collega’s hadden stuk voor stuk de beschikking over een leaseauto. Ik niet. Ik dacht dat dat helemaal niet voor mij weggelegd was. Een leasebak. Ikke…? Ja, ik. En zo werd ik dus hartstikke ontevreden en solliciteerde ik bij een paar detacheringsbureau’s. Allemaal wilde ze me graag in dienst nemen. Onbegrijpelijk. Ze deden stuk voor stuk hun best om mij binnen te halen. En ik kreeg er een auto bij!

En zo werd ik in mijn eigen stad gedetacheerd en had een auto tot mijn beschikking terwijl ik geeneens hoefde te reizen. Heel erg apart. Op de veelvuldige gezellige avonden die voor ons, personeel, georganiseerd werd, hadden we het onderling eigenlijk alleen maar over…auto’s. Wat de ene voor voordelen had boven de andere. Een leaseauto terwijl ik helemaal niet hoefde te forenzen. In de weekends reed ik met de mijnen het hele land door en als het even meezat, pikte ik ook wat buitenland mee. Allemaal gratis. En dat ik het milieu aan het vervuilen was, acht, dat wist ik wel, maar stond er echt niet bij stil. Maar helaas, er kwam een crisis en hup, deze jongen werd ontslagen. Moest ik ook mijn auto inleveren. Op de een of andere manier was mijn ontslag bitter – want wie wordt nou graag ontslagen? – maar ook een schot in de roos want op het moment dat mijn ontslag definitief rond was en er een fiks bedrag werd uitgekeerd, werd ik elders aangenomen. Ik liet mijn nieuwe leaseauto bezorgen op de plek en het uur dat ik mijn oude moest inleveren. Zo werd mij een ritje met het openbaar vervoer bespaard. Aan de andere kant was het nu wel uit met wel een leaseauto en toch niet reizen. Ik reed de volgende vier jaar dagelijks naar Gouda heen en terug en daarna nog drie jaar van en naar Woerden. En toen had ik er helemaal genoeg van van al dat gereis.

Dus ging ik alleen nog maar solliciteren op banen in mijn eigen stadje. Ik wilde FIETSEN. Elke dag op de fiets naar mijn werk. Omdat ik een beroep heb dat vrij makkelijk in de markt ligt, duurde het niet lang voordat ik een nieuwe baan had. In Amsterdam. Te bereiken op de fiets. En elke dag reed ik op de fiets naar mijn werk. Maar helaas, mijn bedrijf bleek een kleine vis – hoewel ik nog nooit bij zo’n groot bedrijf gewerkt had – en mijn kleine vis werd overgenomen door een grotere vis en die grotere vis zetelt in een andere grote stad… En dus heb ik nu van mijn nieuwe baas een OV- businesskaart gekregen. Met het openbaar vervoer kan ik het hele land door. Gratis en voor niets. Voorlopig is dat het enige voordeel, want jemig wat mis ik nu dat lekkere stuk fietsen naar mijn werk.