Van Rysselberghe in het Kröller-Müller

Ik ben weer op fietstocht. Een fietstochtje. We maken een klein rondje over de Betuwe en de Veluwe. Zo’n tien jaar geleden hadden we daar wel een beetje op neergekeken; niks geen tent achterop en ook geen kookspullen in de fietstassen; we rijden van hotel naar hotel en laten ons aldaar in de watten leggen. Een rijke mensen rondje, zonder meer. Maar toch bijzonder lekker.

Ga je als kunstliefhebber over de Veluwe en is je eerste pleisterplaats Otterlo, dan kan het niet anders dan dat je een bezoek brengt aan het Kröller-Müller. Omdat de afstand ook niet al te groot was die we op onze tweede dag gingen afleggen, konden we het ons ‘permitteren’ om de hele ochtend in het museum door te brengen. In het Kröller-Müller is het zo dat ik pas op het moment dat ik denk aan weer vertrekken, ontdek aan welke schilderijen ik niet meer toekom en hoe jammer ik dat vind. Dat ligt vooral aan het feit dat al die heel erg bijzondere werken pas te zien zijn als je door de verzameling Van Goghs heen bent. Je móét wel iedere keer een heleboel Van Gogh’s bekijken; die hebben zoveel aantrekkingskracht, maar daardoor heb je net weer te weinig tijd voor alle Jan Toorops die erachter hangen en die ook van de bovencategorie kwaliteit zijn. Tenminste, dat vind ik.

Théo van Rysselberghe

Waar ik wel uitgebreid de tijd voor nam (ze hangen vóór het Van Gogh-bombardement) zijn de pointilisten en de expressionisten. Afgelopen week heb ik een uitzending gezien op de tv van Jeroen Krabbé die Paul Gaugin zoekt en in die aflevering kwamen de pointilisten voorbij. Mooie gelegenheid voor mij om datgene wat Krabbé vertelde over deze stroming met mijn neus op het ware schilderij te onderzoeken. In het Kröller-Müller hebben ze er nogal wat; vooral de beroemdste Seurat heb ik aan een fiks onderzoek onderworpen; Le Chahut; De cancan-dans. Wat me als eerste opvalt is dat het geen ‘levend’ schilderij is. Meer een gestileerd plaatje. Op zich niets mis mee natuurlijk, maar dat is wel wat opvalt. Verder is het vrij licht qua kleur; het heeft een paarsige gloed. Jeroen Krabbé vertelde een paar opmerkelijke dingen over deze stroming van kunstenaars. Het eerste was dat hij vertelde dat Gaugin zichzelf (?) ouderwets vond schilderen toen hij de pointilisten leerde kennen en het tweede was, en wat ook in menig kunsthistorische uitleg staat, dat de pointilisten kleuren schiepen niet door kleuren te mengen maar door kleuren naast elkaar te zetten. Puntjes geel naast puntjes blauw zouden zo de kleur groen moeten opleveren. Na diepgravend eigen onderzoek op het schilderij van Seurat met de naam Chahut, kan ik vertellen dat op dit schilderij de kleur paars niet ontstaat door een puntje rood naast een puntje blauw, maar door puntjes…paars. Die puntjes doen feitelijk nauwelijks iets met de kleur, maar geven het schilderij wel een heel eigen structuur. Als ik het toch over de pointilisten heb, dan is er één mij in het bijzonder bevallen: Théo van Rysselberghe. Echt veel van hem gehoord heb ik niet en ken hem eigenlijk alleen maar uit dit museum, maar wat een mooie schilderijen hangen er van hem! In tegenstelling tot de meer gestileerde afbeeldingen van Seurat en Signac, leven de schilderijen van Van Rysselberghe meer, vind ik. Een prachtig geschilderd portret in oranje puntjes van een knappe dame; ik vermoed haast zijn geliefde. Verder een tafereel van mensen in de boomgaard. Mooie plekken licht op de stammen van de bomen en de rug van de mensen benadrukken de zomerse atmosfeer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code