Already seventy, oh yeah!

Toen het schooljaar begon was er voor vier Havo een kennismakingsweek. Slechts een enkeling was van de derde klas doorgestroomd naar de Havo. De meesten kwamen van andere scholen. Heel erg veel leerlingen die zojuist het examen van de Montessori Mavo gehaald hadden, kwamen in vier Havo terecht. Ik ook. Ik had gewoon de derde klas gedaan en te lui bevonden om naar het VWO te gaan. Te dromerig ook en…misschien toen wel, niet slim genoeg. Ik weet het niet. In vier Havo voelde ik me ontheemd. Eigenlijk kende ik niemand meer. Ik had me altijd wel weten op te werken tot een graag geziene gast. Niet echt een wilde gast, maar desalniettemin een graag geziene jongen. Ik had veel vrienden. Maar zo aan het begin van dat nieuwe vier Havo-schooljaar had ik eigenlijk niemand meer. Ik voelde me moederziel alleen. Dom ook. Iedereen waar ik zo graag mee omging was naar het VWO gegaan en ik voelde me in het afvoerputje terecht gekomen. Niet echt een goede basis om dat schooljaar te beginnen en al helemaal geen goede basis om op kennismakingsweek naar Texel te gaan.

Met het idee dat al die mooie meisjes waar ik heimelijk van droomde nooit meer naar me zouden omkijken omdat ik te dom voor hun was, begon ik aan een slopende kennismakingsweek. Met anderen. ANDEREN. Ze deden anders, wilden anders en waren anders. Daar in dat huis waar we overnachten voelde ik me erg jong. Dat was ik ook want de meesten waren dus – als het ware – blijven zitten want ze gingen van vier Mavo naar vier Havo. De jongens-meisjes verhoudingen waren dan ook anders. Ik zelf interpreteerde het naar ‘minder fijngevoelig’ maar eigenlijk waren mijn nieuwe klasgenoten een stuk volwassener. Al op de eerste dag van de kennismakingsweek ging de paarvorming heftig van start. Daar stond ik bedremmeld van te kijken. Ik wist toen nog niet hoezeer ik aan venustrafobie leed en hoeveel moeite het me zou kosten om die fobie te overwinnen. Nu kon ik mijn falen afdoen door te denken dat al die Mavomeiden echt niet bij mij pasten.

Wat mijn groep graag wilde was ’s avonds naar de disco. De Disco…kan je je het voorstellen? Deze jongen luisterde met zijn vrienden naar de toen nog psychedelische klanken van Pink Floyd, de symfonische klanken van Genesis, de onbegrijpelijke teksten van Bob Dylan en de zoetgevooisde stem van Neil Young. De Disco!. Natuurlijk ging ik mee, waar kon ik anders naartoe? En…gelukkig waren er meer jongens die zich in dit soort omgevingen compleet niet op hun plek voelden. Een beetje somberig dromden we samen in de buurt van de bar en dronken zwijgend bier terwijl dat Mavo-volk compleet uit hun dak ging. Abba. Dat kan ik me herinneren. Steeds maar Abba. Met (you are the) Dancing Queen’ (, young and sweet only seventeen). En ja hoor, de meiden die zo uit hun dans-dak gingen waren zeventien. En ik ook, maar ik was dus geen dancing king. Helemaal dus niet. Ik was terechtgekomen in het afvoerputje van mijn school omdat ik kennelijk niet slim genoeg was. Mijn vrienden gingen VWO doen en ik zat opgescheept met ABBA-fans die aan niks anders dachten dan…Ach, ik weet het niet… Ik was toen best ongelukkig. Hoewel de melodietjes altijd erg aanstekelijk waren en zich doorgaans opdringerig in je brein nestelden, gaf Abba me geen fijn gevoel.

Nu dan het nieuws: De leden van Abba, inmiddels rond de zeventig, zijn weer samen liedjes gaan maken… Dancing Granny, old and grey, already seventy, oh yeah!

Dividendbelasting

Ik ben nooit zo’n socialist geweest van de grote tegenstellingen. Wat mij betreft staat er niet echt een kapitalist tegenover het proletariaat. De zaak is de afgelopen eeuw veel complexer geworden en partijen radicaal tegenover elkaar zetten, kan alleen maar tot veel ellende leiden. Dat is de reden waarom ik lid ben van een sociaaldemocratische partij. Maar met mijn gematigde houding, en met de gematigde houding van mijn partijgenoten moeten we natuurlijk niet door de grootkapitalist over ons heen laten lopen. De afgelopen jaren is een gouden tijd geweest voor grote bedrijven en abjecte grootverdieners. Daar zit ik goed mee in mijn maag, want mijn partij heeft aan die gouden tijd goed meegewerkt. Neem nou bijvoorbeeld de bankencrisis. Hoe zou Nederland er hebben voorgestaan als er geen bankencrisis was geweest. Het feit dat we miljarden belastinggeld in banken hebben moeten pompen en het feit dat we enkele grote banken hebben moeten nationaliseren, heeft de economie als geheel op een geweldige achterstand gezet. Bezuinigingsmaatregelen zijn er genomen om alles te kunnen financieren. Neem bijvoorbeeld alle bezuinigen op het onderwijs; de mogelijkheden om een hogere opleiding te volgen zijn juist voor de mensen met minder geld, veel moeilijker geworden. Mijn partij heeft daaraan meegewerkt. Stelen van de armen om de rijken te kunnen betalen…Zo laat mijn partij over zich lopen en zodoende heeft de kiezer massaal juist niet voor de sociaaldemocraten gekozen.

Gisteren was de voorman van de grote graaiers te gast bij Jeroen Pauw. Hij bleek een buitengewoon irritant en pedant mannetje zonder enige politieke voelsprieten. Hij kwam op voor zijn achterban maar ik vraag me af of zijn achterban daar zo blij van moet worden. Hij wilde graag een beter ondernemersklimaat. Daar word ik boos van. Een beter ondernemersklimaat? In Nederland? Volgens mij is het zo dat de Nederlandse belastingbetaler zowel de winst als de verliezen van onze graaibanken betaald heeft. Is me dat even een gunstig ondernemersklimaat! Bedrijven vestigen zich graag in Nederland omdat er heel veel belasting niet geheven wordt die elders wel betaald moet worden. Nederland staat op de zwarte lijst van belastingparadijzen. Hoezo slecht ondernemersklimaat? Hans de Boer kijkt geen millimeter verder dan zijn gedesignde bril dik is; een man waar je weinig aan hebt als ondernemer. In een tijd waarin mensen zich goed herinneren hoe grote bedrijven het belastinggeld opeiste dat eigenlijk bedoeld was voor onderwijs en zorg, mag een voorzitter van het VNO-NCW wel wat diplomatieker zijn weg door de porseleinkast zoeken.

Dat Rutte gelogen en gedraaid heeft over het al of niet bestaan van memo’s, het zal me worst wezen. Misschien leuk voor later om te achterhalen hoe we er ingevlogen zijn. Nu moeten we ons focussen op de maatregel zelf. Het afschaffen van de dividendbelasting. Daar moeten we dus niet invliegen. Zo’n groot bedrag aan belastinginkomsten verliezen aan de superrijken, dat moet je niet willen. De dividendbelasting bestaat weliswaar niet in Engeland, maar in alle andere ons omringende landen wel degelijk. Vaak is die belasting hoger dan in Nederland. Nederland heeft al een uitstekend ondernemersklimaat en die dividendbelasting moet blijven zodat het geld goed uitgegeven kan worden aan bijvoorbeeld onderwijs en zorg…

Niezen en snuiten

Ik heb verschrikkelijk veel gerookt in mijn leven. Tot mijn vijfendertigste was ik een zware roker. Dat was in een tijd dat roken op je werk best aanvaardbaar was. Boven mijn bureau hing immer een rookwolk. Dat kan je je in het huidige tijdsgewricht nauwelijks meer voorstellen. Ik werkte, in tegenstelling tot waar ik nu werk, in een kantoor bestaande uit kamertjes. In het kamertje naast me werkte toen een man die ongeveer mijn leeftijd had van nu. Ook een zware roker. Enkele keren per uur hoorde ik hem verschrikkelijk goor rochelend hoesten om vervolgens de opgehoeste rotzooi met veel misbaar door te slikken. Misselijkmakend. Ik besefte dat als ik met roken doorging, dat mijn voorland was. Ik kon me niet voorstellen dat er ook maar één vrouw was die wilde vrijen met zo’n hoestende rotzooi slikkende kerel. Die gedachte maakte me erg onrustig want als er iets is wat ik graag deed, dan was het vrijen. Het idee dat mijn geliefde een afkeer van me zou krijgen, woog bij mij nog veel zwaarder dan het feit dat mijn geliefde dolgraag een fris huis had en dat ik mijn kinderen langzaam aan het vergiftigen was. De angst voor een celibatair leven gaf mij de kracht om subiet te stoppen met roken en nooit meer te beginnen.

Die eerste maanden zonder sigaretten, voelde ik me zo trots en gezond dat ik niet doorhad dat dat stoppen met roken ook hele vervelende bijwerkingen had. Zo besefte ik te laat dat er zich in no-time een gezellige vetlaag op mijn buik vormde. Stoppen met roken wilde niet zeggen: Stoppen met eten. Omdat ik altijd al een lekkere eter was en ik me zonder mijn vertrouwde sigaretjes best zielig vond, legde ik me meer en meer toe op lekker eten. Aldus was één van de bijwerkingen van het stoppen met roken, dat ik een dikkerdje werd. Niet zo’n heel erg dikkerdje, maar toch…

Een andere bijwerking bleek hooikoorts. Nooit een centje pijn gehad in de tijd dat ik nog best kon leven met overvolle asbakken en de angst om mijn shag te vergeten. Het was een mooie dag in de lente in het jaar nadat ik gestopt was met roken. Zo trots dat ik alle lentegeuren goed kon ruiken. Als een mannelijke nymf danste ik door het frisse groen en de bloeiende bloemen (figuurlijk dan!) totdat ik ineens verschrikkelijk jeuk kreeg aan mijn ogen. Met wrijven kon ik de jeuk niet verdrijven. Ik moest vervolgens niezen. Niet één keer of drie keer (vanwege het mooie weer), maar het hield niet op. Bovendien stroomde de snot uit mijn neusgaten. Geen gezicht. Welke vrouw wil er nou vrijen met een kerel waar het snot uit al zijn gezichtsopeningen loopt en waarbij de klodders in het rondvliegen bij elke nies? Mijn neussensoren waren ineens compleet gevoelig geworden voor ronddolende pollen op zoek naar een stamper! Ik kocht het ene neusdruppeltje na het andere, maar niets hielp. Zakdoekjes die verzachtte het leed. In de lente werd ik papieren zakdoekjes grootverbruiker herkenbaar aan zijn rauwgesnoten rode neus. Het is niet anders.

Het is lente en we maken de eerste warme dagen mee. Terwijl ik dit stukje schrijf heb ik al drie keer mijn neus gesnoten. Nies heb ik kunnen inhouden. Het is niet anders. Maar ik pieker er niet over om mijn hooikoorts te bestrijden met het enige dat echt helpt; sigaretjes roken. Ik ga het mezelf en mijn geliefde niet aandoen. Dan maar liever niezen en snuiten.

Sheela zit in ons allemaal

Samen met mijn broertje fietste ik op een zonovergoten dag naar de Prins Hendrikkade. In een periode waarin ik wanhopig op zoek was naar de liefde maar het te weinig vond. Zeventien was ik en mijn broertje vijftien. Op de Prins Hendrikkade vermoedde ik een nieuw hoofdstuk toe te voegen aan mijn grote zoektocht van die dagen. We waren namelijk door onze achterneef uitgenodigd om een meditatie mee te maken op de meditatieboot van Bhagwan Shree Raneesj. Sinds kort was onze neef daar een volgeling van. Johan was Swami Prem Radish geworden en ging in het rood/oranje gekleed. Bovendien droeg hij een amulet om zijn nek. Johan had een speciaal plekje in ons hart omdat hij de eerste homoseksueel was in mijn omgeving, die er open en bloot voor uitkwam en bovendien een heel gewoon maar zeer geliefd mens was. Terwijl ik dit opschrijf besef ik hoe fijn het is dat iedereen nu mag houden van wie je houdt en dat je mag vallen op wie je valt. Deze tijd kent ook wat zegeningen…

Aangekomen op de boot aan de Prins Hendrikkade wist ik me omringd door oranjerood geklede hippies. Voor de meditatie was het de bedoeling om je energie vrijelijk te laten stromen. Dat betekende dat je compleet uit je bol diende te gaan. Eigenlijk wist ik toen al dat Bhagwan tegen mij een verloren strijd voerde; uit je bol gaan en deze jongen passen niet bij elkaar. Helemaal omdat de meditatie voorschreef dat je betrekkelijk lang uit je dak moest gaan. Met hoog springen, hard gillen, armen en benen wild laten bewegen. Na een minuutje of wat vroeg ik me af waar ik in hemelsnaam mee bezig was en toen was het geloof meteen weg. Plichtmatig deed ik mee, want ik wilde niet uit de toon vallen. Na het hele gebeuren werden we getrakteerd op een warrig verhaal van de goeroe himself op video. Het kon mij allemaal niet bekoren. Met spijt keek ik naar de mooie meisjes in oranje soepjurken en ik wist dat ik niets, maar dan ook helemaal niets zou proeven van Gods heerlijkheid…

Ik heb de eerste vijf afleveringen van ‘Wild, wild country’ gezien. Het verhaal van de ondergang van de beweging van Bhagwan. Juist in de periode waar de serie over vertelt, had ik het gevoel dat ik toch iets gemist had. Kunstenaars, intellectuelen, mensen die ik hoog achtte, allemaal trokken ze naar Bhagwan. Door achterneef Johan voelde ik me erbij betrokken maar toch ook weer niet. De serie laat zien dat ik het wel degelijk bij het goede eind had. De door de volgelingen gezochte vrijheid was eigenlijk vermomde groepsdwang; de vrije expressie gekooid in een oranje soepjurk met een goeroe die alles beter wist…

Je hoeft zo heel slim te zijn om te zien dat het hier al helemaal fout zit!

De serie laat zien hoe een maatschappij zich kan ontwikkelen als je je koppie er niet bij houdt en niet altijd ‘vrij’ blijft denken. Wat je ziet is dat een grote groep gelijkgestemden zich bedreigd weet door een boze buitenwereld. Dan sluiten de rijen zich, wordt er een alleenheerser aangesteld, wordt het vijandbeeld aangescherpt en blijkt de vijand niet alleen buiten de groep te zijn maar er ook binnen. Het ontstaan van tirannie, discriminatie (zo je wilt racisme), wantrouwen in een notendop. Mateloos interessant als je zaken als racisme wilt verklaren. Ik raad iedereen aan om deze serie te gaan bekijken. Fascinerend! En nee, ik geef Sheela juist niet de schuld alhoewel zij de kwade genius lijkt. Er zit een Sheela in ieder van ons en mits je over de juiste (of moet ik zeggen: de foute) kwaliteiten beschikt, kunnen we allemaal de ‘goede’ zaak laten ontaarden.

De knuisten van Esma Hasshass

Ik vind gekke dingen leuk, ik geef het toe. Sinds de opkomst van internet en YouTube is er ook zo verschrikkelijk veel beschikbaar gekomen en is datgene wat je leuk vindt zo dichtbij; een paar klikken weg. Vroeger zou ik er niet over piekeren om naar een bokswedstrijd te gaan. Ga je naar YouTube dat vind je alle bokswedstrijden bij elkaar die je maar zou willen zien. Met bokswedstrijden zo dichtbij, dan raakt deze jongen behoorlijk gefascineerd. Twee mannen die erop uit zijn om elkaar, met inachtneming van bepaalde regels, zo hard mogelijk proberen te slaan. Die elkaar proberen uit te schakelen. Hoewel het verstandige en empathische mannetje in mij me voortdurend de les leest, ziet mijn sensatiebeluste ik het liefst een hele sterke kerel wankelen onder de klappen die een ander hem toebedeeld… En dan dooft het licht…Bij de bokser, wel te verstaan. Mijn fascinatie voor de boksende mens werd nog heftiger toen positivo Rico Verhoeven op het toneel verscheen. Mijn toneel verscheen, want voor anderen bestond de kickboksende wereldkampioen al heel lang. Sinds hij gehakt maakte van Badr Hari, werd hij beroemd bij mij en meteen ook erg geliefd. En niet alleen bij mij werd hij erg geliefd. Menig frêle presentatrice kan het niet laten om even aan zijn massieve biceps te voelen of eens flink te porren tegen zijn gespierde buik. De GVR staat dat minzaam toe terwijl de presentatrice haar misbruikte knuistjes wappert om de pijn te verjagen; alsof ze tegen een betonnen muur heeft gestompt, zo voelt die buik.

Met Rico Verhoeven kwam er ook nog eens een nationalistische component bij het in elkaar slaan van een ander. Wat een sensatie toen hij het opnam tegen Belg Jamal Ben Saddik. Vooral het slotakkoord was sensationeel. Alsof hij die reusachtige en beresterke tegenstander met bakstenen om zijn oren sloeg. En toen zakte de tegenstander in elkaar. Als een plumpudding en min of meer overeind gehouden door de touwen…

Esma Hasshass met haar zwiepende vlecht

Nog sensationeler dan onze Rico vind ik de vechtende meiden. Jazeker, die heb je ook. Kickboksende meiden die erop uit zijn om het gezicht van een andere meid compleet te verbouwen. Ik kan het niet laten; bij mij moet de knapste winnen. Lullig, toch? Eén van de knapperds is een Nederlands vrouw. Een opkomende ster, tenminste als je de verhalen mag geloven: Esma Hasshass. Alleen al vanwege haar naam zou ze moeten winnen. Prachtig zwart haar tot op haar billen, gevlochten tot een strakke vlecht die tijdens het gevecht vervaarlijk zwiept. Een verfijnd gezicht waarvan je hoopt dat het nooit slaag zal ontvangen, maar ja…dat hoort bij de sport. Ik zag haar in gevecht met Klaudia Pawicka. De arme Klaudia is stukken minder knap dan onze Esma. Ook stukken minder goed, constateerde ik. Sjonge wat moest ze een klappen slikken van de charmant ronddansende Esma HASSHASS. Klaudia werd er niet mooier van, dat kan ik wel zeggen. Compleet uitgeput ontving ze de ene klap na de andere van de dartelende nymf met de lange vlecht in een ongelijke bitchfight. De Poolse werd kleiner en kleiner terwijl de Nederlandse knapper en knapper werd. Zo gaat dat. Geen twijfel wie de kloppartij won, uiteindelijk; Esma Hasshass natuurlijk.

De kickbokster bleek ook een eigen videokanaal te hebben. Omdat ik best graag kijk naar knappe meiden, selecteerde ik één van haar vlogs. Esma Hasshass met loshangend haar. Dat was het enige dat mij bij bleef. Hoewel, ze ging shoppen met haar zus. Jezus, wat saai! Snel die vlog uitgezet en hop weer gekozen voor een filmpje waarin ze een andere meid lens slaat.

Het verlangen naar een huis met een tuin.

Op een bovenhuis in de schaduw van het Amstelstation en met uitzicht op en de geuren van de Blooker cacaofabriek groeide ik op. De geluiden van het spoor en de aankomende en vertrekkende treinen hebben een rustgevend effect op mij. Net als de stationsomroeper. Vanuit mijn kinderbed kon ik net niet verstaan welke trein vertraging had. Als ik de gordijnen van ons kamertje openschoof dan hadden we uitzicht op een rij hoge populieren met daarachter de chocoladefabriek. Ik heb die fabriek gesloopt zien worden en ben er nu zeker van dat als hij er nu nog had gestaan, het gebouw ongetwijfeld was bestempeld als nationaal erfgoed. Hoewel mijn moeder klaagde over de stank, heb ik dat nooit begrepen want, ja, de fabriek kon hevige geuren uit laten waaieren over onze buurt, maar nee, vies rook het niet. We groeiden haast op als Willy Wonka. Aan dat huis op twee hoog, heb ik best goede herinneringen hoewel ons steeds op het hart werd gedrukt dat we rekening moesten houden met mevrouw Stodel. Mevrouw Stodel was onze gezette, gezellige en goedlachse benedenbuurvrouw. In de gehorige huizen waar wij in woonden, moet zij het niet makkelijk hebben gehad met ons boven haar hoofd. Hoewel we ons best deden om alles zo zachtjes mogelijk te doen, vergaten we dat ook vaak. Heel erg vaak. Bijvoorbeeld als we de verhalen van kraandrijver opa naspeelden en we ons massief houten pakhuis op het stapelbed hesen en het pakhuis halverwege uit de takels viel. Of als we de fenomenale snoekduik van Heinz Stuy nadeden die Ajax behoedde voor het verlies. Weliswaar hadden we kussens op de grond neergelegd, maar toch…

Als pappa van drie jongetjes andermaal wonend op een bovenhuis, kon ik me achteraf erg goed inleven in de zenuwen van mijn moeder van destijds over het burengerucht dat wij veroorzaakten. Het verlangen was daarom groot naar een huis met een tuin. Een huis met een tuin. Ik woon nu in een huis met een tuin. Mijn jongetjes zijn mannen geworden en wonen niet meer bij ons. En zeker, het was een grote opluchting toen we konden verhuizen. Mijn moeder verlangde ook enorm naar het idee dat we niemand meer tot last waren. Daarom dat we regelmatig en vol verlangen rondwandelde in het dorpje. Achter het Amstelstation in een soort poldertje stond een klein wijkje van allemaal laagbouwhuizen. On-Amsterdams en on-stads. Daarom noemden we het ‘het dorpje’. Dat het om petieterige poppenhuisjes ging en onze bovenwoning veel groter was, maakte ons – maar vooral mijn moeder – niets uit. Een benedenhuis met een tuin zonder dat er buren beneden woonden die je maar tot last was…wat verlangden wij daarnaar. Niets ten nadele van mevrouw Stodel, want we waren gek op haar, maar het idee dat we haar altijd tot last waren, deed ons geen goed. Het dorpje werd voor ons gezin het onbereikbare ideaal. Eventjes leek het te gaan lukken. Mensen in de Fahrenheitstraat leken met ons een woningruil te willen aangaan…maar nee, op het laatste moment zagen ze ervan af.

‘Ons’ dorpje is nationaal nieuws geworden. Een stel uitgeprocedeerde asielzoekers heeft een aantal woningen gekraakt terwijl de huisjes tot aan hun sloop (pfff, dat voelt niet fijn) aan studenten verhuurd zouden worden. Die studenten staan, net als andere woningzoekenden, op een wachtlijst en kijken uit naar hun tijdelijke sloopwoning. Illegalen staan niet op een wachtlijst; ze zijn illegaal en moeten het land verlaten. Ze hebben in ieder geval geen recht op een sloopwoning…in ons dorpje!

Van Artsen treedt op! (Leefde burgemeester Van der Laan nog maar…)

Toneelgroep Amsterdam – Vergeef ons

Gezien op 7 april in de Stadsschouwburg Amsterdam. Regie: Guy Cassiers

Ik vraag me af waarom toneelgezelschappen er steeds vaker voor lijken te kiezen om een roman op de planken te brengen terwijl er kilometers aan toneelstukken zijn geschreven. Toneelstukken die speciaal bedoeld zijn om op de planken te brengen. Ik begrijp dat niet helemaal. Van de laatste toneelopvoeringen die ik heb gezien kan ik me eigenlijk nauwelijks een oorspronkelijk toneelstuk herinneren. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de verhoudingen in romans niet helemaal overeenkomen voor wat op toneel gewenst is. Afgelopen zaterdag bijvoorbeeld waren we naar ‘Vergeef ons’ van het Amsterdams toneel. Een vertoneelstukte roman. Een lengte van heb ik jou daar. Zonder pauze. Wat kan een mens verdragen en hoe lang kan je zo geconcentreerd blijven. Tweeëneenhalf uur geconcentreerd blijven bij mensen die van alles beleven op het toneel. Mijn concentratie ebt echt wel weg na anderhalf uur. Na twee uur doen al mijn leden pijn van het stille zitten. Dat laatste half uurtje was ik alleen maar aan het hopen dat het snel afgelopen was. Echt heel vervelend. Hoewel het een best aardig toneelstuk was, denk ik dat ‘echte’ toneelschrijvers meer balans aanbrengen in hun stukken waardoor het menselijk lichaam er beter mee overweg kan. Dat denk ik. Met een tintelend en pijnlijk zitvlak en stekende knieën en een temperatuur van rond de dertig graden vind ik dit avondje toneel geen lichamelijke ervaring om vrolijk op terug te zien.

Dan het toneelstuk zelf. Aardig. Je ziet, de vlammen van enthousiasme slaan er niet vanaf. Ik vraag me af: waarom deze roman? Wat is er dan zo bijzonder aan deze roman. Heus, geen slechte. Je hoort mij niet zeggen dat het een baggerboek is, heus niet? Maar om nou te zeggen dat het een verhaal is waar ik nog jarenlang over nadenk… Een verhaal dat mij in mijn diepste wezen geraakt heeft… nee, dat niet. Een roman over gezins- en familierelaties. Een beetje uitvergroot. In welke roman (of toneelstuk) gebeurt dat nou niet. Eigenlijk een doorsnee roman.

Nou zag ik een tijd geleden door dezelfde Toneelgroep Amsterdam de vertoneelstukte voorstelling ‘De Welwillenden’. Ook geen wereldroman, maar wel een wereldtoneelstuk. Een toneelstuk waar ik nog tijden mee rondgelopen heb. Een toneelstuk dat ‘iets’ in me in beweging zette. Een afwijkende en nieuwe kijk op de mens en de geschiedenis. Dat was ‘Vergeef ons’ niet. Ik moet zelfs heel veel moeite doen om alles wat er in het toneelstuk gebeurde te onthouden. Gisteren zat ik er tijdens het ontbijt met Josien toch nog over na te praten. Ik bleek zelfs heuse zwarte gaten te hebben. Josien trouwens ook. Zij kon me dingen vertellen waarvan ik echt niet meer wist dat dat op het toneel gebeurd was. Ik moet toen heel even ingedommeld zijn geweest of iets meer bezig geweest zijn met mijn stekende knieën, voeten of achterwerk dan met datgene dat op het toneel gebeurde. Jammer!

Waar gaat het dan allemaal over? Twee broers die elkaar niet kunnen uitstaan. De één is televisiepersoon, de ander hoogleraar geschiedenis met als specialiteit Nixon. Op thanksgiving verleidt de vrouw van de televisiejongen zijn broer. Tijdens het overspel worden ze betrapt en de televisiejongen slaat de hersens in van zijn vrouw. De televisiejongen verdwijnt in het gevang en de psychiatrie en de Nixonspecialist wordt de stiefvader van de kinderen van zijn broer. Ondertussen heeft hij allerhande betrekkelijk oppervlakkige sekscontacten. De Nixonspecialist wordt ontslagen door de universiteit omdat ze met het vak geschiedenis wat meer naar de toekomst willen kijken (Op zich wel aardig gevonden). En zo kabbelt het verhaal zich voort. Geen idee ondertussen waar het verhaal zal eindigen of beter nog, wanneer. Uiteindelijk bleek dat thanksgiving te zijn. We hadden een jaar meegemaakt van de familie Doorsnee. Nee, dan doe ik ze te kort; er gebeurde heus wel wat…

De vorm waarin Guy Cassiers het had gegoten was wel origineel. Ze stonden er als een groep popzangers bij, de acteurs en actrices. Op het toneel microfoonstandaards. Elke acteur of actrice een eigen microfoon. Dat kan erg statisch worden, maar dat viel mee. De twee stiefkinderen van de Nixonspecialist die elf en veertien waren, werden gespeeld door de oudere Kathelijne Damen en Lucas Vandervorst. Dat gaf op zich een mooi contrast en werkte enigszins vervreemdend, maar werd uiteindelijk wel geloofwaardig.

Al met al…tsja, ik weet niet. Mijn lichaam vond het geen fijn stuk. Mijn geest, in dat gepijnigde lichaam, zegt: “Ach ja…”.

Pauline Croisette

Ik kon haar niet vinden. Die prachtige vrouw die zomaar uit de boeken van Louis Couperus was gestapt en in kloeke penseelstreken op het schilderslinnen terecht was gekomen. Eerst had ze me getroffen in het Gare d’Orsay. Nu logeert ze tijdelijk in het Rijksmuseum en hangt ze tussen de mensen uit hogere en beroemde kringen. Ik dacht haar alleen maar te kunnen vinden als ik terugging naar het Rijks en haar naambordje zou bestuderen. Maar…met Google is alles te vinden en ook dit ontzettende lekkere…schilderij. Uiteindelijk was het nog eenvoudiger dan ik dacht. Hoewel…weet ik nog wel wat mijn zoekterm was, die haar de eerste keer op mijn beeldscherm toverde? Je vindt haar met de zoekterm: Dame met de handschoen. Wat een portret!!!

Pauline Croisette

Bij het zien van deze dame gebeurt er iets in mij. Het leven gaat ineens langzamer, de tijd staat stil. Ik stap in de tijd van Louis Couperus en Richard Wagner maar vooral de tijd van de femme fatale. De tijd dat vrouwen zo ver op een voetstuk werden gezet dat ze er eigenlijk alleen maar af konden vallen. Naar een tijd dat vrouwen alles waren maar niets konden zijn. Ja, mooi en wie weet zorgzaam. Gek genoeg word ik wee van binnen als ik naar een portret als dit kijk. Zo naar het leven geschilderd brengt ze me in hevige tweestrijd. Aan de ene kant hou ik van vrouwen die zichzelf hebben ontplooid en op alle gebieden het beste uit zichzelf halen. Met zo iemand leef ik dan ook al jaren samen. Deze vrouw heeft zichzelf hoogstwaarschijnlijk niet kunnen ontplooien. Ze straalt een droeve intelligentie uit. Ze was vast slim genoeg om een HBO-opleiding te volgen en daarna jaren te werken in het beroep dat ze gekozen had en carriere te maken. Maar zonder details van haar te weten, denk ik dat ze niet die gelegenheid heeft gehad. Ze mocht mooi zijn toen ze jong was en daarna verzorgster van het gezin dat ze bij elkaar baarde. Zo ging dat toen. Treurig… Maar toch zit er een deeltje in mij dat terugverlangd naar die tijd en dat wordt wakker geschud als ik naar haar portret kijk.

Mijn veel te jong overleden vriend Chi voelde dezelfde vreemde aantrekkingskracht voor deze vrouwen als ik. Daarom verslonden we het werk van Louis Couperus. Onze liefde voor Couperus kwam als vanzelf voort uit de vrouwen die hij beschreef. Vrouwen die eigenlijk helemaal niets te doen hadden. Een beetje roddelen, een beetje theedrinken en hopen dat er een goede partij langs kwam waaraan ze zich voor de rest van hun leven konden binden. Ze mochten van kunst houden en nuffige romans lezen. En verschenen deze vrouwen in opera’s dan mochten ze in de knop gesmoord worden en sterven aan de tering. Zo kijk ik naar dit portret. Het portret dat Charles-Émile Auguste Durand van zijn toen nog jonge en mooie vrouw Pauline Croisette schilderde. In de Parijse Salon was het schilderij een daverend succes. En terecht natuurlijk want het is ontegenzeggelijk een fantastisch portret.

Ruisende rokken, zijden handschoentjes, een koket hoedje met een roos en een smachtende blik. Kijkt ze naar mij? Ik word een beetje verlegen van zo’n schilderij. Eline Vere, Madam de Bovary, De stille kracht, Van de koele meren des Doods, La Traviata, La Boheme maar ook Anna O. en Sigmund Freud…

Madame de Bovary in het Rijks

Ik ben naar de tentoonstelling High Society geweest in het Rijksmuseum. Daar wilde ik over schrijven, maar het kwam er niet van. Ik werd namelijk getroffen door de aanwezigheid van een schilderij en was vergeten om op te schrijven wie het geschilderd had en wie erop stond. In tegenstelling tot heel veel andere portretten in de kunstgeschiedenis was bij alle schilderijen van de high society bekend wie erop de schilderijen waren afgebeeld. Doorgaans is alleen de naam van de schilder bewaard gebleven. Maar dat schilderij waar ik zo graag over wilde schrijven dacht ik eerder te hebben gezien in museum Gare d’Orsay in Parijs. Voor mij is Gare d’Orsay één van de allermooiste musea die ik ken. Niet alleen vanwege het gebouw, maar ook vanwege de kunst die het herbergt. Beroemd zijn natuurlijk de -isten. De impressionisten en de expressionisten en de pointillisten enzovoort, enzovoort. Maar op de onderste verdieping zaten we voor een groot deel van de schilderijen nog in de periode voor al die moderne stromingen. De laatste keer dat ik het museum bezocht ben ik niet verder gekomen dan die onderste verdieping. Wellicht was de schilderkunst toen nog grotendeels traditioneel, maar jongens wat mooi!

Tussen al die schilderijen zag ik ook het schilderij dat nu in het Rijks hangt. Tenminste dat denk ik want zo goed is mijn geheugen nou ook weer niet. Het is een ten voeten uit geschilderd portret van een heerlijke vrouw. Waanzinnig knap. Het is dat ze tweedimensionaal in verf op een doek geplakt zit, maar anders. Een vrouw die zo uit de boeken van Louis Couperus in verf tegen het schilderslinnen opgekropen lijkt. Twee ogen die een grote intelligentie uitstralen maar ook liefde voor het leven. Een vrouw om zomaar tot over je oren op te vallen. Toen ik in het Rijks voor haar stond verzuimde ik haar gegevens vast te leggen. Het enige dat ik onthield was dat ze in bruikleen was van het Gare d’Orsay. Ik meende haar mij te herinneren dat ik haar ook had gezien toen ik daar, in dat fantastische museum rondliep. Ik vertrouwde erop dat ze terug te vinden was op de website van het Rijks. Maar nee, niets op de website. Ook niet op de audiotour die ik op mijn telefoon heb geladen. Ze was weg en verdwenen en de enige manier om haar terug te vinden was opnieuw naar het Rijks gaan. Dat besloot ik dus te doen, maar daar kwam het natuurlijk niet van. En dus schreef ik niets over die fantastische tentoonstelling.

Dat is jammer want er was erg veel leuks te zien. Bijvoorbeeld keizer Karel V. Die Habsburger die ook nog een tijdje heerser over de Nederlanden is geweest. Opvallend aan zijn portret was dat gigantische ding voor zijn pielemoos. Cécile Narinx legde uit dat dat een braguette was. Een toque die de edele delen moest beschermen maar die ook diende om mee te pronken en dat het een voortzetting was van wat in het harnas een eeuw eerder was begonnen. En inderdaad, Josien hadden de ridders bekeken in de Tower in Londen en daar was een harnas met zo’n grote opbergplaats voor het mogelijke nageslacht; daar kon een heel weeshuis in. Beetje opzichtig en naïef om anderen te laten geloven dat je zo’n grote hebt.

Dat mooie schilderrij van die heerlijke vrouw? Ze hangt tegenover die dame die overal op de affiches staat, met die grote hoed. Tegenover die vrouw die Narinx de ‘Lady Gaga van haar tijd noemt’. De verfgeworden Madame de Bovary!

Antisemitisme in het Joods Akkoord

Ik heb me boos gemaakt, maar had ongelijk. Ik moet het toegeven; mijn boosheid sloeg helemaal nergens op in dit geval. Bij nader inzien begrijp ik niet waarom alle andere partijen dit akkoord wel ondertekend hebben. Nee, op zich is er niets mis met het akkoord, maar wel met de definities. Dat is inderdaad wel cruciaal want definities zeggen waarover we het precies hebben. Het gaat om het joods akkoord en de partij BIJ1 van Sylvana Simons. Ik heb dus helemaal niets met BIJ1 en de politieke opvatting van Sylvana Simons. Helemaal niet sinds Gloria Wekker op de lijst van diezelfde partij stond en streed voor zetels in de gemeenteraad. Van Gloria Wekker ben ik een boek aan het lezen en steeds weer moet ik me bedenken dat ze hoogleraar is en dat wat ze schrijft een serieus vak aan de universiteit was. Onder het mom van antiracisme werd er binnen de muren van de universiteit een rassenleer ontwikkeld die zijn weerga niet kent. Door Gloria Wekker dus. Zie daar mijn weerzin tegen BIJ1. Met je mond antiracistisch zijn maar in de praktijk discrimineren bij het leven, gaat dus binnen BIJ1 makkelijk samen. Daarom was ik niet zo verbaasd over het feit dat BIJ1 wel kijkt naar discriminatie van ‘mensen van kleur’ (wargggg) terwijl ze antisemitisme tegelijkertijd als niet relevant afwijst.

Waar gaat dat akkoord precies over. Het gaat om een actieplan tegen discriminatie van joden. Ik had niet gedacht dat dat ooit weer zou gebeuren, maar het is echt zo. De schok van de holocaust is voorbij en kennelijk vinden donkerbruine krachten dat ze wel weer met antisemitisme uit de kast kunnen komen. Dat antisemitisme heeft ook te maken met de groei van verschillende bevolkingsgroepen met een betrekkelijk achterlijke culturele achtergrond. Het schijnt dat rondlopen met een keppeltje in Amsterdam best een angstige aangelegenheid is. Laat staan met oorlokken en een hoge hoed. Ook niet direct een kledingswijze die mij aanstaat, maar vrijheid blijheid (ik heb het per slot ook niet zo op hoofddoekjes en djellaba’s, maar is dat zo belangrijk?). Om het toegenomen antisemitisme een halt toe te roepen hebben joodse organisaties een document opgesteld met een plan en met de vraag aan de politiek om hier gehoor aan te geven. Dat leidde tot een joods akkoord. Alle Amsterdamse politieke partijen ondertekenden dit akkoord behalve DENK en BIJ1.

DENK liet gewoonweg niets van zich horen en BIJ1 betoogde dat ze op zich wel meevoelden met de joodse gemeenschap en dat ze niet wilden dat deze gemeenschap gediscrimineerd werd, maar dat ze de definitie van ‘antisemitisme’ zo vaag en ruim vonden dat het de vrijheid van meningsuiting in gevaar bracht omdat elke kritiek op Israël onder de noemer antisemitisme zou kunnen vallen. In het akkoord wordt namelijk naar een definitie verwezen die opgesteld is door de Europese gemeenschap. Ik heb die – zeer omstreden – definitie gelezen en…ik moet BIJ1 gelijk geven. Ik begrijp niet waarom de andere politieke partijen – waaronder dus mijn eigen sociaaldemocraten – dit akkoord wel ondertekend hebben. Het hebben van kritiek op het politieke beleid van Israël kan zonder veel omhaal uitgelegd worden als antisemitisme. Dat gaat me veel te ver. Dus…schoorvoetend…excuses BIJ1 voor mijn aanvankelijke boosheid.