De grens tussen denken en doen

Deze week heeft de Nederlandse minister van justitie Blok vier mensen het Nederlanderschap afgenomen. Vier mensen die naast de Nederlandse ook nog een andere nationaliteit hebben, want dat moet; een regering mag iemand niet stateloos maken. De vier zouden ergens in Irak of Syrië zijn en verschrikkelijke dingen hebben gedaan. Bovendien, en dat is eigenlijk het belangrijkste, worden de nu uitgestotenen, ervan verdacht dat ze bij terugkeer in Nederland een gevaar vormen voor onze veiligheid Ik sta hier ambivalent tegenover.

Ik ken de vier mensen niet en weet niets van hun achtergrond. Ik fantaseer erop los. Ik denk dat het jongens tussen de achttien en de vijfentwintig jaar waren toen ze uit Nederland vertrokken richting de islamitische heilstaat. Ik denk dat het jongens waren die zagen hoe wreed Assad te keer ging tegen zijn eigen bevolking. Ik denk dat de vier jongens een bijdrage wilden leveren aan de val van Assad en de bevolking aldaar wilden helpen. Ik denk dat ze het gevoel hadden dat Nederland niet hun land was. Ik denk dat ze zochten naar wie ze waren en wat ze voorstelden in ons kikkerlandje. Ik denk dat school, werk, meiden en familie niet vanzelf gingen en dat het leven een worsteling was. Dat dat eigenlijk voor ieder bijna volwassen mens geldt, konden ze zich niet voorstellen. Dat denk ik. Dan kijk ik naar mezelf als jochie van achttien en dan voel ik weer mijn hang naar extremisme om de wereld goed te doen. Voor de ideale wereld had ik graag een bommetje gelegd. Ik was daar godzijdank te laf voor. Maar ik zie ook mijn drie zonen toen ze zo rond de achttien waren. Ze liepen rond met het idee dat ze alles konden en alles wisten terwijl je als pa ziet dat hun breintjes nog niet volgroeid zijn en dat ze zich nog geen overzicht kunnen verschaffen. Dat ze zich ook nog niet voldoende kunnen inleven in een ander. Als ik op die manier kijk naar de vier bannelingen dan identificeer ik me met de vader van die jongens en dat is een slechte zet van mij… Op dat moment word ik wanhopig want ik wil mijn zoons in mijn armen sluiten. Wat ze ook gedaan hebben. Ik zal van hun daden afstand moeten nemen maar ik zou toch van ze houden want ze zijn deel van mij. Ik zou elke dag hebben gehoopt dat ze uit de klauwen van de oorlog zouden ontsnappen en veilig weer thuis zouden komen. En nu mogen ze niet meer veilig thuiskomen want hun thuis bestaat niet meer. Hun thuisland is dat land geworden waarnaar ze soms op vakantie gingen. Nederland is hun vaderland. Ex-vaderland. Als vader zou ik wanhopig zijn.

Maar ik ken die mensen niet. Ik weet niet wie die vier zijn. Het kunnen vrouwen en het kunnen mannen zijn. Geen idee. Ik moet ervan uitgaan dat de diensten hun werk hebben gedaan en dat ze bewijs hebben dat de bannelingen levensgevaarlijk zijn voor Nederland. Wellicht hebben de uitgestotenen met hun nog onvoldoende volwassen breinen dingen besloten die ze op latere leven nooit zouden besluiten. Maar ze zijn wel een grens overgegaan. Er is een verschil tussen denken dat een bom op de juiste plaats de wereldvrede dichterbij brengt en het daadwerkelijk plaatsen van de bom. Omdat ze de grens tussen denken en doen zijn overgegaan, moeten ze zwaar boeten. Het zij zo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code