Wie verraadde Anne Frank?

Ik ben helemaal verslaafd aan ‘Opsporing Verzocht’. Nog nooit heb ik iemand herkend. Nog nooit heb ik ook maar één aanwijzing door kunnen geven die tot aanhouding van de dader leidde Dinsdagavond ga ik er desalniettemin helemaal klaar voor zitten. Met veel genoegen word ik dan door Anniko van Santen het programma binnen gesleurd: “Fijn dat u er weer bent! We gaan samen misdaden oplossen…” meent Anniko. En ik voel me welkom. En daarna een hele reeks onbegrijpelijk wrede misdaden gepleegd door onwaarschijnlijke hufters. Vaak zichtbaar op vage videobeelden. Maar ‘samen misdaden oplossen’ is er voor mij zelden bij. Ik ken namelijk nauwelijks hufters. Misdaden worden op tijden gepleegd dat ik lig te slapen of (gelukkig!) niet bij mij in de buurt.

Soms gaat het om een misdaad die lang geleden is. Een coldcaseteam heeft een onopgeloste zaak heropend en alle bewijsstukken met nieuwe technieken onder de loep genomen. Dat heeft dan tot nieuwe inzichten geleid waardoor de zaak wellicht toch nog opgelost kan worden. Neem de zaak van Nicky Verstappen. Jaren geleden werd dat jochie van elf, dood en seksueel misbruikt, gevonden. Een hele reeks verdachten maar bij niemand waren de bewijzen doorslaggevend.  Een tragische zaak. Blij dat ons, als ouders zoiets nooit is overkomen. Hoewel de zaak laatst terugkwam bij Opsporing Verzocht, is het eigenlijk de zaak van Peter R. de Vries. Al jaren maakt hij programma’s waar hij op zoek gaat naar de moordenaars van… Ook dus van Nicky Verstappen. Jammer dat Peter R. de Vries geen misdaad opsporingsprogramma maakt want, jongens, daar was ik nog eens aan verslaafd! Me niet bewust van ‘Uitzending gemist’ zorgde ik op het juiste tijdstip voor de buis te zitten. En dan ging het over de vermiste Romy en haar kind en over Marianne Vaatstra die met haar eigen beha gewurgd was. Allemaal verschrikkelijke zaken; ik smulde ervan!

Vandaag lees ik in de krant over een coldcase die me minder kan boeien maar waar wel heel veel geld aan uitgegeven gaat worden. Het gaat over een vermoord meisje. Eigenlijk over een vermoord gezin. Bij nader inzien over twee vermoorde gezinnen en één vermoordde tandarts. En dan is de hamvraag niet: Wie heeft ze vermoord? Maar: Wie heeft ze verraden? Niet dat men de verrader alsnog wil pakken, want die is al heel erg lang geleden overleden; dat kan niet anders. Het speelde zich namelijk allemaal af in 1944. Het gaat om het verraad van Anne Frank en alle andere bewoners van het Achterhuis. Op het moment dat de tweede wereldoorlog zo’n beetje op zijn wreedst was. Waarom gaan ze deze zaak onderzoeken? Met welk doel? Volgens de Volkskrant wordt de vraag door de bezoekers van het Achterhuis het meest gesteld. Wie heeft hen verraden? Ik kan me haast niet voorstellen dat men dat de belangrijkste vraag vindt. Die vraag is op dit moment volslagen irrelevant. Bovendien vrijwel zeker niet te beantwoorden. Ik heb er in ieder geval weinig vertrouwen in dat ze de zaak kunnen oplossen. Ze hebben er een oud-FBI agent in Amerika voor weten te strikken. Vincent Pankoke. Net of hij het ei van Columbus is. Pankoke vindt, zo schrijft de Volkskrant: ‘…dat Anne dit onderzoek verdient,..’. Allemaal wat kleinzielig zoveel jaren na dato.

Oké, natuurlijk, als er een item voor Opsporing Verzocht van wordt gemaakt, ga ik wel kijken en zeker als Peter R. de Vries er een mooie reconstructie van maakt. Maar verder wil het me inhoudelijk niet boeien. Er zijn potdomme meer dan honderdduizend mensen op dezelfde manier vermoord. Zorg gewoon dat dat nooit meer gebeurt. Nergens. Racisme! Echt Racisme! Geen white innocence maar puur, openlijk, gewelddadig racisme! Daar gaat het om.

De mariniers en het proces

Ik heb er best naar uitgezien, dat proces over de afloop van de laatste treinkaping in Nederland, maar het is een tegenvaller. Gelukkig heeft het hele proces weinig nieuwswaarde en wordt de ellende niet breed uitgemeten. Het gaat namelijk helemaal niet over datgene wat het interessant zou maken; was er opdracht gegeven om alle kapers standrechtelijk te executeren. Dat is interessant omdat standrechtelijk executeren niet mag van de wereld. Een oorlogsmisdaad. En omdat destijds – de nu zich tot antisemiet ontpopte – Van Agt de verantwoordelijke minister was, hoopte ik dat hij verantwoordelijk was voor dat heel erg foute dienstbevel. Ik wilde niet dat de mariniers voor de rechter werden gebracht maar Van Agt. Maar Van Agt staat niet voor de rechter maar de mariniers moeten wel getuigen.

Het proces sleept zich voort. Ik volg de verslagen in de Volkskrant. Er lijkt helemaal niets nieuws onder de zon. Gewapende kapers en een bevrijding. Bij de bevrijding ging van alles goed en ook wat mis. Zoals eigenlijk overal wel wat mis gaat. Hier kostte het mensen hun leven. De mensen die werden doodgeschoten hadden uiteindelijk gekozen voor het risico dat het hun het leven ging kosten. En die fouten…met dat doodschieten. In hoeverre waren dat wel fouten? Als je als stoere ijzervreter een trein bestormt waar gewapende mensen zitten waarvan je het vermoeden hebt dat ze op jou gaan schieten, dan kan je weinig humaans verwachten, denk ik. Als je met doodsangst in je lijf zo’n klus moet doen, dan is het heel moeilijk om elke stap die je doet rationeel te overwegen. Daarom denk ik dat dit proces, nu het er toch van gekomen is, niet gevoerd had moeten worden. Ik kom terug op mijn eerdere standpunt dat ik vond dat er recht moest worden gedaan aan de standrechtelijk geëxecuteerde kapers. Dit proces kent alleen maar verliezers.

De grootste verliezers zijn de familieleden van de omgekomen kapers. Ze krijgen nu veel meer te horen dan goed voor hun is. Wat je kind of je zus of je geliefde ook gedaan heeft, je hebt het recht om van hem of haar te blijven houden. Het is verschrikkelijk om te horen hoe jouw geliefde familielid is omgebracht. Of het nou terecht of onterecht was; de details zou je niet moeten willen weten. Die krijgen ze nu wel. Ik heb met ze te doen. Ook met de mariniers van destijds heb ik te doen. Ook zij zijn verliezers. De mannen die met ware doodsverachting die trein bestormden. En hoewel het vast keiharde mariniers waren, zullen ze met de dood in hun lijf naar binnen zijn gestapt. In de trein moest de strijd in luttele seconden gestreden worden; wat voor beslissingen kan je dan nemen? Tijdens dit proces van niets moeten ze zich herinneren wat ze – in hun van doodsangst en adrenaline vervulde lijf – gedaan en gezegd hebben. Na veertig jaar. Dat kan helemaal geen betrouwbare getuigenis opleveren. Die verklaring is vervormd door veertig jaar herkauwen op die bevrijdingsactie en door de chemische stoffen die het lichaam aanmaakt als je in een zo penibele situatie terecht komt.

Het proces beweegt zich tussen nietes-welles en heel veel verdriet, als ik het verslag in de Volkskrant lees. Jammer. Wat ik graag zou willen weten is hoe het verhaal in de lucht is gekomen dat er een instructie van bovenaf was om alle kapers te doden. Dat is het meest wezenlijke van de zaak. Dat de kapers het risico namen om het niet te overleven, wordt gelukkig door niemand bestreden. Ook niet door de mensen die hen liefhadden.

De verdringingstheorie verdrongen.

Ik dacht dat het nu wel bekend was dat Freud destijds theorieën volledig uit zijn duim gezogen heeft. Dat blijkt dus niet zo te zijn. Mensen geloven het nog steeds. Personen die er meer van zouden moeten weten omdat ze er voor doorgeleerd hebben, zeggen dat er weinig bewijs is voor zo’n theorie. Ze verwerpen hem niet. Eén van die theorieën is de verdringingstheorie. Als je in je jeugd iets verschrikkelijks hebt meegemaakt dan ben je er, als mens, toe in staat om het te vergeten. In je dagelijkse leven speelt het wel een rol, maar je weet er niets van; je hebt de herinnering aan de traumatische gebeurtenis verdrongen. Je hebt het ergens in een apart kamertje opgeborgen waar je nauwelijks bij kan. Maar in je dagelijks leven speelt het je wel degelijk parten want je hebt niet de gelegenheid om het te verwerken. De zielenknijper brengt uitkomst; met speciale technieken weet hij de verdrongen herinnering weer actueel te maken en daardoor krijg je de mogelijkheden om de nare herinnering een plek te geven; te verwerken.

Deze theorie heeft voor heel veel ellende gezorgd. Heel wat mannen zijn voor langere of kortere tijd opgesloten omdat dochter, nicht, zus en weet ik veel, zich ineens seksueel misbruik herinnerde. Vrouwen voelden zich niet lekker in hun vel zitten en consulteerde een therapeut. Die therapeut wist allerhande verborgen verleden boven te halen waardoor het ongenoegen van nu te verklaren leek. Een drama was het. Mannen werden onterecht opgesloten en neem van mij aan, de vrouwen met een herinnerd verdrongen seksueel misbruik verleden zijn niet gelukkiger geworden van het openen van die mogelijke beerput. Ik geloof niet in verdringing en ik had het idee dat er onder geleerden consensus was dat deze theorie gewoon niet waar was. Als er zoiets als verdringing bestaat, waarom was mijn omaatje dan dagelijks met Auschwitz bezig? Waarom ben ik dan nog regelmatig met de scheiding van mijn ouders bezig? Of…kan ik me het ongenode gefoezel door een huisvriend aan mijn lijf me levendig herinneren? Waarom lukte het niet om deze herinneringen diep weg te stoppen terwijl bij anderen ineens allerhande verborgen herinneringen opkomen. Zeer onwaarschijnlijk.

Griet op den Beeck gelooft er in ieder geval wel in. In haar nieuwste roman haalt ze haar overleden vader fiks door het slijk. Terwijl ze gek op hem was. Ik heb de roman nog niet gelezen maar de inhoud is al vooruitgesneld. Tijdens lange therapiesessies zijn er bij Griet op den Beeck herinnering vrijgekomen aan een verdrongen incestueuze verhouding met haar vader. Schokkend. Jammer voor d’r. Ze haalt niet alleen haar vader in haar roman door het slijk maar ook in diverse talkshows om haar roman te promoten. Ik vraag me af of ze daar geen verschrikkelijke spijt van krijgt. Ik vraag me af waarom niemand haar tegen zichzelf in bescherming neemt. Als ik het goed begrijp koesterde ze de herinnering aan haar pa. Arme Griet op den Beeck.

De schrijfster heeft een enorme aaibaarheidsfactor en met haar licht verlegen pose en afwijkende kapsel neemt ze menigeen voor zich in. Ik had haar graag tegen zichzelf in bescherming genomen.

Roos Vonk en de wetenschap

Ik heb het artikel van Roos Vonk gelezen waarin ze de veehouderij vergelijkt met de holocaust. Eerst heb ik alle deining gevoeld die het artikel teweeg bracht en alle kritiek gelezen. Daarna las ik het artikel zelf. Die deining en kritiek heeft ze zelf gewild, is mijn conclusie. In haar artikel vertelt ze zelf dat een bepaalde vergelijking even hard terugkomt als dat je hem uitgespuugd hebt; als een boemerang. Daar kan ze zelf dus niet over verbaasd zijn. Wat schrijft Vonk? ‘Helaas werkt de parallel vaak averechts – en helemaal wanneer de industriehallen met duizenden varkens tussen metaal en beton worden vergeleken met concentratiekampen.’ Als je weet dat een vergelijking tussen de huisvesting van varkens en een concentratiekamp averechts werkt, waarom maak je die vergelijking dan? Dommigheid?

Elma Drayer reageerde in haar column in de Volkskrant op Vonks artikel en concludeerde (onder anderen) dat Roos Vonk niet aan kan blijven als hoogleraar omdat ze er vooral op uit is om haar gelijk als activist te bewijzen. Een activist heeft geen open blik en kan dus niet neutraal naar de materie kijken die onderzocht wordt, aldus Elma Drayer. Ik ben het daar mee eens. In het geval van Roos Vonk durf ik te beweren dat als uit haar frauduleuze onderzoek naar vleeseters en agressief gedrag was ‘bewezen’ dat vleeseters veel tolerantere en lievere en gelukkiger mensen zijn dan fanatieke en rechtlijnige veganisten dat ze dat nooit had gepubliceerd. Als activist publiceer je alleen wat er in je straatje te pas komt.

Maar zo vraagt Roos Vonk zich op de site(..?) van de Volkskrant zich op 25 september af: Bestaat onpartijdig onderzoek wel? Ze stelt vast dat onderzoekers bijna altijd doelen hebben: ‘…’ze willen bijvoorbeeld een subsidie of publicatie binnenhalen, carrière maken, erkenning krijgen of bevestiging vinden voor hun theorie.’ Ik heb een tijdje naar deze doelen zitten staren. Zitten herkauwen. Dat laatste doel…Bevestiging vinden voor hun theorie…Dat lijkt me nou niet zo’n slecht doel in de wetenschap. Ik bedoel…eerst probeer je je theorie te bewijzen en daarna kijk je of andere vakgenoten jouw onderbouwing vinden kloppen; je zoekt bevestiging… Misschien had Roos Vonk dat zelf wat vaker moeten doen. In tegenstelling tot al die anderen wil Roos Vonk met haar onderzoek de wereld verbeteren. Om even in de concentratiekampsfeer te blijven: Wilde Adolf H. niet ook de wereld verbeteren? Wie zegt dat haar verbetering van de wereld de mijne is? Om de wereld te verbeteren kan je aansluiting zoeken bij een politieke partij. Dan kan je beleid beïnvloeden. Daar kan je naar meerderheden zoeken voor jouw ideale wereld. Democratisch. Doen we graag in Nederland. Maar de wereld verbeteren via de wetenschap? Ik denk het niet… Activisme en idealisme in de wetenschap kunnen makkelijk leiden tot verkeerde dingen. Je kan bewijzen dat zwarte mensen lui zijn, dat joden gierig zijn, dat witte mensen per definitie racisten zijn. Je kunt bewijzen dat vleesetende mensen agressiever zijn. Je kan vanuit je ideologie en je activisme bijna alles bewijzen.

Het gelijkstellen van mens en dier komt voort uit sentimentalisme; dat is mijn opvatting. Als we met z’n allen niet absoluut veganistisch worden, dan kan het niet anders dan dat er dieren geslacht worden. Inderdaad, uit economische overwegingen.

Doktertje spelen

Als pre-puber heb ik ervan gedroomd; Ron O. heeft het waargemaakt! Hij stond gisteren voor de rechter meldde de Volkskrant. Als vadsige dikke veertiger heeft hij gedaan waarvan ik als prille puber droomde en een hele reeks domme vrouwen is er met open ogen ingetuind!

Laatst in het Openluchtmuseum kreeg ik een Ron O. deja vu. Ze hebben  daar een gebouw van de GGD neergezet met een inrichting uit de jaren vijftig. Ze sproeien daar dagelijks een geringe hoeveelheid lysol zodat de geur overeenkomt met destijds. Als pre-puber kregen we allemaal een onderzoek. In het Openluchtmuseum zag ik me onderzocht worden, destijds. Gek genoeg kan ik mijn moeder erbij niet herinneren; ik moet erg jong zijn geweest. Een jaar of elf twaalf. Ik had wat vragen moeten beantwoorden bij een verpleegster. Duidelijk herkenbaar aan haar kapje. Daarna werd ik naar een kleedkamertje geleid. Die bleek twee deuren te hebben: Eentje van de verpleegster af en eentje naar de dokter toe. Er tussenin moest ik me uitkleden. Alles moest uit behalve mijn onderbroek. In mijn onderbroek moest ik wachten tot het lampje ging branden. Ik voelde me zo bloot, eenzaam en koud in dat hokje en ik hoopte dat dat lampje ging branden zodat ik er snel vanaf was. Ik had geen idee wat mij ging overkomen.

Het moment dat de arts het elastiek van mijn onderbroek aanraakte en mijn onderbroek opentrok, ging er een schok door me heen. De arts keek naar mijn zakie terwijl ik hard op mijn pols moest blazen. De vernedering was toen nog niet compleet want met zijn vingers voelde hij vervolgens aan mijn ballen. Heel, heel erg bloot mocht ik weer naar het kleedhokje terug. Met elk kledingstuk dat ik aandeed voelde ik me weer mezelf worden. De volgende dag vroeg mijn vriendje, die eerder aan de beurt was geweest dan ik, hoe het was geweest bij de ‘ballenwipper’. Die naam had ik al eerder gehoord maar nooit beseft waar dat op sloeg. Toen dus wel.

Maar ’s avonds in bed dacht ik aan het mooiste meisje van de klas. Ik was een beetje verliefd op d’r. Joyce. Terwijl ik lag te bedenken hoe het was om samen ‘iets’ te hebben, kwam bij mij de gedachte op dat ook zij naar de ballenwipper was geweest. Wat had hij met haar gedaan? Had hij ook in haar onderbroek gekeken? Had hij ook haar ‘daar’ aangeraakt? Ik raakte daar zowaar best opgewonden van. Ik fantaseerde dat ik zelf arts was. Op mijn bureau de knopjes waarmee ik de lampjes in de kleedhokjes aan en uit kon doen. En toen ik een schakelaartje omzette, ging één van de kleedkamertjes open en liep Joyce, in haar onderbroekje naar me toe. Als elfjarige had ik een rijke fantasie! (Of was ik soms niet de enige jongen die dit fantaseerde?)

Ron O. moet die fantasie ook gehad hebben. Hij maakte hem waar. Niet als prille tiener maar als dikke veertiger. Niet bij klasgenootjes waar hij nog veel meer omheen fantaseerde…nee, bij volwassen vrouwen. Bij hem thuis. Ze kleedde zich voor hem uit en gingen op zijn ‘behandeltafel’ liggen en vervolgens bevingerde, bevoelde, betaste hij alle lichaamsopeningen en -rondingen van de vrouwen. Ik was er natuurlijk niet bij en wat weet ik ervan, maar zo op het eerste gezicht heb ik wel een oordeel: Wat een oliedomme vrouwen! Zo crimineel kan ik Ron O. niet vinden… Laat de rechter daar maar over beslissen!

Ik zie er tegenop…

Ik heb besloten om iets te veranderen in mijn leven. Ik moet wel. Ik kan me wel als een struisvogel blijven gedragen, maar daar word ik natuurlijk niet gezonder van. Ik voel me best prima terwijl ik moet uitkijken. Sluipenderwijs is mijn algehele bloedsuikerspiegel fiks opgelopen.  Gevaarlijk hoog. Had ik nou maar buikpijn of was ik maar tot niks in staat. Maar ik voel me prima. Goed, ik ben wat snel moe ’s middags, maar daar heb ik inmiddels al jaren last van. Omdat ik me prima voel en omdat ik ook nog een leven wil leiden, meet ik mezelf niet. Meet je niet dan weet je niet. Vanochtend heb ik weer wel gemeten. Mijn ongerustheid blijkt helemaal terecht.

Onder begeleiding van mijn huisarts ga ik suiker- en koolhydratenloos. Kijken of we het tij kunnen keren. Ik vermijd inmiddels al een paar jaar suiker, daar ligt het niet aan. Ik eet eigenlijk louter verstandig. Dat doe ik ook al jaren. Daar ligt het dus niet aan. Ik merk dat het me heel veel pijn doet als iemand tegen mij zegt dat ik ongezond eet, want dat doe ik niet. Ik eet extreem veel groente, een paar stukken fruit per dag. Ik bak mijn eigen brood en ik teel mijn eigen groente. Vlees eet ik vanaf scharrel tot biologisch. Ik maak mijn eigen yoghurt. Suiker eet ik niet. Een normaal mens zou hier helemaal wel op varen. Maar ik dus niet. Ik heb pech. Mijn lichaam kan helemaal niet met suikers omgaan. Heus ik weet het wel; ik heb vroeger ook biologie gehad; koolhydraten zijn lange ketens glucosemoleculen. Je speeksel bevat enzymen die die lange strengen glucosemoleculen in stukjes knipt en er weer suiker van maakt. En mijn lichaam weet niet om te gaan met suiker. Dus ga ik vanaf vandaag ook koolhydratenloos.

Omdat ik niet van de ene op de andere dag wil beginnen heb ik dit weekend tot opmaat gebombardeerd. Eergisteren een beetje koolhydratenloos en gisteren helemaal. Niet alleen koolhydratenloos (koolhydratenarm kan ik beter zeggen) maar ook geen enkel tussendoortje. Ik moet dus ook mijn appeltje tussen de maaltijden door opgeven. Het gevolg: Honger en somberheid. Gisterenmiddag, toen mijn familie zich rond de verjaardagstaart van mijn oudste verenigde, lepelde ik een salade die bestond uit tomaat, komkommer, radijs en gerookte makreel overgoten met een dressing. Als toetje nam ik een half Frans kaasje (3 voor vijf euro bij de appie). Allemaal best lekker. Maar na een uurtje kreeg ik vier uur te vroeg een knagend gevoel in mijn binnenste. Daarna was het volhouden geblazen en sloeg de somberheid toe. Hoe ga ik dit volhouden? Bovendien bracht de somberheid alle geneugten boven die ik nu moet gaan missen. Zelf deeg kneden en mooie broden bakken. Dat heb ik de afgelopen jaren zo verschrikkelijk graag gedaan. Ik heb er columns over volgeschreven. Je eigen brood maken! Verleden tijd, dus. En de vijftien kilo meel die nu nog op zolder staat drukt zwaar op mijn stemming.

Vandaag de volgende mijlpaal; koolhydratenloos op mijn werk. De ingrediënten voor mijn maaltijdsalade staan op het aanrecht… Ik zie er tegenop…

Ook wij zijn dan niet meer veilig

Ik heb veel gedreigd in mijn leven. Tegen mijn broer en zus toen ik klein was, en later tegen mijn klasgenoten op school en ook wel tegen mijn kinderen. Het bleek een strategie waarmee je weinig bereikt. Eigenlijk bereik je er zelden iets mee. Meestal was dat voor mijn tegenstrevers juist een reden om door te gaan met het gedrag dat ik niet wilde: ‘Kom maar op dan!’, zeiden ze dan voordat ze me preventief een klap voor mijn kop gaven. Later, bij mijn eigen kinderen, sorteerde dreigen met straf wel enig effect omdat ze daarmee straf konden ontlopen. Maar dat wilde ik dus helemaal niet. Ik wilde niet dat ze hun best deden om straf te ontlopen, maar dat ze hun gedrag veranderden. Maar daar moest ik wel op gewezen worden; mijn geliefde zag wat er gebeurde met het gedrag van onze kinderen als ik dreigde. Ze wees me erop. En omgekeerd zag ik het bij haar net zo goed gebeuren. Dreigen doe je niet vanuit je ratio maar vanuit je emotie. Op de één of andere manier maakt emotie je blind. Je ziet niet dat het effect van je dreigementen vrijwel nihil is, maar het lucht je wel op. Flink dreigen geeft je het bevrijdende gevoel dat je er iets aan doet. Eén van de problemen van dreigen is dat je je dreigement gewicht moet geven. De bedreigde moet het idee hebben dat jij in staat bent om het dreigement uit te voeren. Is dat niet zo, dan sta je feitelijk met lege handen en wordt je stevig uitgelachen. Dreig je kinderen dus nooit met vijf maanden eenzame opsluiting op water en brood want dat heeft geen zin.

In sommige landen is het naar verluidt heel gewoon dat je voortdurend bedreigd wordt. Noord-Korea, bijvoorbeeld. Ik moet het doen met wat ik gehoord heb, maar als ik geloof wat ik gehoord heb, dan is het er bar en boos. Mensen leven daar onder voortdurende dreiging. Ze kunnen worden opgesloten, gemarteld of gedood als ze iets doen wat de machthebbers niet zint. De machthebbers van Noord-Korea zint veel niet, zo heb ik me laten vertellen. Ze schijnen daar niet alleen te dreigen om te zorgen dat je dingen niet doet, maar ook om je dingen juist wel te laten doen. Dat is nog even een tandje erger. Zo dwingen ze je om die lelijke kop van hun leider te zien als het zonnetje in huis. Dat valt niet mee. Omdat ik weet dat dreigen heel weinig zin heeft en dat het slechts het vermijden van straf is, denk ik dat weinigen in Noord-Korea in dat verschrikkelijke hoofd van Kim Jong-Un ook maar iets positiefs zien. Dat het regime van deze ‘goddelijke’ leider de ene gruwelijke misstap maakt na de andere, maakt de gewone Noord-Koreaan die alleen maar bezig is om straf te ontlopen, niet slecht.

Op dit moment zitten we met de idiote situatie dat een leider van Noord-Korea die zijn eigen bevolking bedreigd op zijn beurt zwaar bedreigd wordt door Donald Trump. Niet alleen het regime wordt bedreigd, maar het hele volk en het hele land. Een bedreiging die voortkomt uit de emoties van Donald Trump. Omdat Kim Jong-Un ook best machtig is – hij heeft ook de beschikking over verschrikkelijke wapens – dreigt hij steevast terug. Omdat dreigen zonder dat je dat kunt waarmaken een lachertje is, leven we door twee idioten op dit moment op het randje van de afgrond; je denkt dat het ver weg is, maar een oorlog kent haar eigen onvoorspelbare dynamiek…ook wij zijn dan niet meer veilig.

Moraalridder Jan Wolkers

Turks Fruit van Jan Wolkers is een roman die ik veel te vroeg heb gelezen. Het boek greep me bij de keel en ik heb nog wekenlang rondgelopen met scenes die me op alle mogelijke momenten overvielen. Had ik het boek gelezen toen ik ietsje ouder was, dan had ik er, denk ik, meer aan beleefd. Ik had de film niet gezien dus hebben de beelden zich autonoom in mijn hoofd genesteld. Nog steeds, zoveel jaren later, staan veel scenes gekrast op het netvlies van mijn geestesoog en zien ze er anders uit dan hoe Paul Verhoeven ze verfilmde. Een boek over dé liefde en het vuur en…oké…de seks. Tuurlijk wel. De seks is het vuur en het vuur verslindt je en verzengt je als je de roman beleeft zoals ik destijds. Een roman vol hartstocht. Een roman die verder gaat waar Romeo en Julia stopt. Een zedenschets.

De roman is een tijdsbeeld. Het boek is een kind van de tijd waarin het geschreven werd. Een tijds waarin alles moest kunnen. Daar loop ik tegenaan als ik weer terug probeer te kijken. Dat begon al een beetje toen mijn jongens voor hun lijst moesten lezen. Turks Fruit vonden ze maar niets. Ze zijn geen lezers, die mannen van mij, maar ze vonden het zoveel niets dat ze er verder geen woord aan vuil wilden maken. Ze hadden er veel plezier in om Wolkers te imiteren. Voor mij was Wolkers een held die nauwelijks iets fout kon doen, voor mijn jongens destijds een levend fossiel die op verkeerde toon raaskalde over glibberige diertjes in zijn achtertuin op de televisie. Vorige week een column van Onno Blom, de Wolkers-biograaf, in de Volkskrant. Het ging over Wolkers’ gebruik van niets verhullende woorden en over de problemen die nichtlief daarmee heeft. Ik denk dat dat taalgebruik ook één van de problemen was waar mijn zoons tegenaan liepen. Moest vroeger alles kunnen, nu kan er eigenlijk niet zo veel meer. Seks gaat tussen volwassenen en niemand heeft er iets mee te maken.  Basta. Jongeren en kinderen van nu, zo ervaar ik, gaan anders met seksualiteit om dan toen ik in mijn pubertijd was. De nieuwe preutsheid! Ik ben er zelf ook door besmet, merk ik als ik mezelf kritisch beschouw. Niet zozeer de preutsheid, maar bij mij moet ook niet meer alles kunnen.

Jan Wolkers glijdt daardoor langzaam van de sokkel waarop ik hem, wellicht onterecht, gezet heb. Dat is het lot van moraalridders. De tijd verstrijkt en de moraal wijzigt. Wolkers beschreef hoe mannen en vrouwen met elkaar om moesten gaan in een bepaalde tijd van de geschiedenis.

Liefdeloze seks

Bij de column van Onno Blom staat een tekening van Wolkers afgebeeld. Een tekening die in Turks Fruit een rol speelt in een scene waar ik erg van onder de indruk was. Met veel vuur en hartstocht beschreven. Olga moet plassen en zit op de wc. Erik pakt een stuk papier en tekent hen samen in heftige omstrengeling. ‘Dit wil ik met je doen’, roept hij en schuift de tekening onder de wc-deur door. Olga komt snel van het toilet en hupsakee! Die tekening, dus. Maar het blijkt een deceptie. Op de tekening zie ik wel seks, maar geen liefde. De houding van man en vrouw is technisch. Ze neuken. That’s all. Waarom hurkt ze met haar gezicht naar zijn voeten? Eigenlijk is er in die houding geen enkel ander contact mogelijk dan tussen pik en kut; liefdeloos. Haast pornografisch. Wat een afgang!

De grens tussen denken en doen

Deze week heeft de Nederlandse minister van justitie Blok vier mensen het Nederlanderschap afgenomen. Vier mensen die naast de Nederlandse ook nog een andere nationaliteit hebben, want dat moet; een regering mag iemand niet stateloos maken. De vier zouden ergens in Irak of Syrië zijn en verschrikkelijke dingen hebben gedaan. Bovendien, en dat is eigenlijk het belangrijkste, worden de nu uitgestotenen, ervan verdacht dat ze bij terugkeer in Nederland een gevaar vormen voor onze veiligheid Ik sta hier ambivalent tegenover.

Ik ken de vier mensen niet en weet niets van hun achtergrond. Ik fantaseer erop los. Ik denk dat het jongens tussen de achttien en de vijfentwintig jaar waren toen ze uit Nederland vertrokken richting de islamitische heilstaat. Ik denk dat het jongens waren die zagen hoe wreed Assad te keer ging tegen zijn eigen bevolking. Ik denk dat de vier jongens een bijdrage wilden leveren aan de val van Assad en de bevolking aldaar wilden helpen. Ik denk dat ze het gevoel hadden dat Nederland niet hun land was. Ik denk dat ze zochten naar wie ze waren en wat ze voorstelden in ons kikkerlandje. Ik denk dat school, werk, meiden en familie niet vanzelf gingen en dat het leven een worsteling was. Dat dat eigenlijk voor ieder bijna volwassen mens geldt, konden ze zich niet voorstellen. Dat denk ik. Dan kijk ik naar mezelf als jochie van achttien en dan voel ik weer mijn hang naar extremisme om de wereld goed te doen. Voor de ideale wereld had ik graag een bommetje gelegd. Ik was daar godzijdank te laf voor. Maar ik zie ook mijn drie zonen toen ze zo rond de achttien waren. Ze liepen rond met het idee dat ze alles konden en alles wisten terwijl je als pa ziet dat hun breintjes nog niet volgroeid zijn en dat ze zich nog geen overzicht kunnen verschaffen. Dat ze zich ook nog niet voldoende kunnen inleven in een ander. Als ik op die manier kijk naar de vier bannelingen dan identificeer ik me met de vader van die jongens en dat is een slechte zet van mij… Op dat moment word ik wanhopig want ik wil mijn zoons in mijn armen sluiten. Wat ze ook gedaan hebben. Ik zal van hun daden afstand moeten nemen maar ik zou toch van ze houden want ze zijn deel van mij. Ik zou elke dag hebben gehoopt dat ze uit de klauwen van de oorlog zouden ontsnappen en veilig weer thuis zouden komen. En nu mogen ze niet meer veilig thuiskomen want hun thuis bestaat niet meer. Hun thuisland is dat land geworden waarnaar ze soms op vakantie gingen. Nederland is hun vaderland. Ex-vaderland. Als vader zou ik wanhopig zijn.

Maar ik ken die mensen niet. Ik weet niet wie die vier zijn. Het kunnen vrouwen en het kunnen mannen zijn. Geen idee. Ik moet ervan uitgaan dat de diensten hun werk hebben gedaan en dat ze bewijs hebben dat de bannelingen levensgevaarlijk zijn voor Nederland. Wellicht hebben de uitgestotenen met hun nog onvoldoende volwassen breinen dingen besloten die ze op latere leven nooit zouden besluiten. Maar ze zijn wel een grens overgegaan. Er is een verschil tussen denken dat een bom op de juiste plaats de wereldvrede dichterbij brengt en het daadwerkelijk plaatsen van de bom. Omdat ze de grens tussen denken en doen zijn overgegaan, moeten ze zwaar boeten. Het zij zo.

Afghanistan; een mislukt land…

Er zijn landen waar ooit oorlog is gevoerd. Die oorlog bleek tevens de geboorte van het welvarende land dat het nu is. Er zijn ook landen waar het ooit vrede was maar toen het land een staat wilde vormen brak er een oorlog uit die nooit meer ophield. Een oorlog waarvan je je soms afvraagt waar ze de mensen vandaan halen om hem te voeren, want zoveel doden kan geen land of volk lijden. Een mislukt land, zou je kunnen zeggen. Soms komt er na een lange bloedige strijd een partij bovendrijven. Dat regime is zo doortrokken van het bevochten eigen gelijk en zo bezig met het behouden van de macht dat het al snel terreur uitoefent op de eigen bevolking of zo dreigend is naar andere staten, dat het regime snel weer omver geworpen wordt. Daarna weer een nieuwe strijd van jaren om de volgende bovenliggende partij aan de macht te helpen. Zo’n land is Afghanistan. Een mislukt land.

Niet alleen een mislukt land. Ook een land met een mislukte cultuur. Door oorlog en geweld is er voor de bevolking al weinig tijd geweest voor scholing. Het aantal mensen met iets van een opleiding is behoorlijk beperkt. In de streken waar elementair onderwijs wel mogelijk is en de lokale bevolking het voor het zeggen heeft, gaan de meisjes niet naar school omdat men vindt dat vrouwen minderwaardig zijn. Daarom worden ze op jonge leeftijd met liefde verkocht en vervolgens verkracht. Afghanistan is geen land waar je als meisje geboren wil worden. Ook als jongetje trouwens niet. Hoogstens als Johnnie Rambo. Maar wie wordt er als ijzervreter geboren? Afghanistan heeft niet alleen de cultuur en de mensen tegen, ook het land zelf lijkt niet veel soeps. Voor zover ik er iets van weet is het een rotsig droog deel van de aarde waar vooral papavers goed groeien. Sadet Karabulut schrijft in Trouw op 7 september dat de westerse wereld moet stoppen om daar een zinloze oorlog te voeren. Ik ben het met haar eens. Ik zeg het niet snel, maar ik denk dat de westerse wereld Afghanistan aan haar lot over moet laten. Er is één zekerheid als het westen zich volledig terugtrekt: De Afghaanse oorlog gaat gewoon door. Het verschil is dat er dan een partij minder is in de strijd. Een partij die er eigenlijk niets te zoeken heeft. Een partij die voor een groot deel uit humanitaire overwegingen meedeed aan de strijd. Om te zorgen dat er in een deel van het land geen oorlog woedt. Dat de kinderen daar naar school kunnen. Inclusief de meisjes.

Een aan zijn lot overgelaten Afghanistan leidt mensen op die de Afghaanse oorlog exporteren naar andere landen. Daarom…een muur eromheen. Laten we Afghanistan opgeven. Richt ons op de landen waar we wel wat kunnen betekenen. Muur erom en vergeten…

Wat een puinhoop!