Adrenaline

Aan de vooravond van mijn achttiende verjaardag werden de gijzeling van een lagere school in Bovensmilde en de treinkaping bij De Punt zeer gewelddadig beëindigd. Deze gebeurtenis staat nog steeds, na zoveel jaar, glaszuiver op mijn netvlies. Niet alleen de beëindiging was erg gewelddadig ook de gijzelingen zelf logen er niet om. Weliswaar werden er bij de treinkaping van toen geen mensen doodgeschoten, maar omdat dat wel was gebeurd tijdens de kaping een paar jaar eerder, vreesde iedereen het ergste. Ook de manier waarop de mensen toen doodgeschoten waren – met een touw om hun nek – deed ons huiveren. Gek genoeg dacht ik veel minder na over de kinderen in de gekaapte school. Achteraf raakt de gijzeling van kinderen me verschrikkelijk veel harder dan destijds. Misschien omdat ik in de tussentijd vader ben geworden en beter kan voelen hoe het is als je kind zo bedreigd wordt en jij niets kan doen om het te beschermen. Ik was trots op de bevrijders. Ik vond dat ze het slim hadden gedaan. Met die twee straaljagers boven die trein. Ik had al diverse bevrijdingsacties wereldwijd gezien, want kapen was toen bijna even gewoon als broodjes eten, maar zo clean als onze mariniers het deden vond ik geweldig. Ook relatief weinig doden onder de gegijzelden ondanks het enorme geweld.

Onlangs zag ik de documentaire ‘Wij willen leven’ op de tv. Zeer indrukwekkend. Ik verbaas me erover dat ik me zoveel van de treinkaping kan herinneren en maar zo weinig van de gijzeling van de school in Bovensmilde. Op de een of andere manier had ik toen het gevoel dat het met die school wel goed zou aflopen. Als je kinderen gaat vermoorden of verwonden dan verlies je het altijd en ik kon me niet voorstellen dat de kapers dat wilde. Maar wat de documentaire liet zien was dat de kinderen wel degelijk werden verwond. Weliswaar niet lichamelijk, maar sommige kinderen van toen lijken die kaping psychisch nooit te boven zijn gekomen. Ik was best geschokt door de documentaire; ik had bij de gijzeling van de school gewoonweg niet stilgestaan want ‘er was toch niemand vermoord’. Maar de angst van de leerkrachten en hun stilzwijgende opofferingsgezindheid raakte mij diep. De kaping is nu veertig jaar geleden en daarom blikt men terug.

Je kind of broer of zus verliezen omdat hij of zij één van de kapers was, gaat je als mens ook niet in de koude kleren zitten. De broer van Hansina Uktolseja zag er in de documentaire niet uit als een gelukkig mens en ik weet uit eerdere verhalen dat het gezin waar hij uit stamt diep en zeer diep heeft geleden onder de afloop van de kaping waarbij Hansina werd doodgeschoten. Wat Hansina Uktolseja betreft lijkt het er sterk op alsof ze, terwijl ze machteloos zwaar gewond op de grond lag zonder wapen in de buurt, bewust door haar hoofd is geschoten om haar te executeren. Zelfs als je iets onmogelijk slechts hebt gedaan mag je niet op zo’n manier om het leven worden gebracht. De rechter gaat bepalen of Hansina geëxecuteerd is of niet. Terwijl de bevrijdingsactie plaatsvond werden er geluidsopnamen gemaakt door de mariniers. Sommige passages uit die geluidsopnamen staan vandaag in de krant. Veelzeggend volgens de ene, nietszeggend volgens de andere partij. Ik heb ze ook gelezen. Als ik het lees zie ik mannen voor me die van top tot teen vergeven zijn van de adrenaline. Wat ze ook zeggen, het is gekleurd door dat stofje. De opgenomen gesprekken tussen de mariniers ondersteunen wat mij betreft helemaal niets. Het laat slechts zien dat deze mannen hun doodsangst hebben overwonnen…meer niet.

Gele komkommer

Het is al een paar dagen bloedheet. Ik vraag me af in hoeverre mijn plantjes dat aankunnen. Mijn net opgekomen gele komkommerplantjes bijvoorbeeld. In de huiskamer had ik potjes met aarde gevuld en daar gele komkommer zaadjes in gedaan. Maar na drie weken nog geen enkel teken van leven. Met weinig hoop zaaide ik daarop een rijtje rechtstreeks in de tuin. Tegelijkertijd kon ik plantjes gele komkommer kopen. Dus zette ik aan weerzijde van mijn schijnbaar vruchteloze zaaisel een plantje. Twee weken later zie ik dat niet alleen de twee plantjes fantastisch gedijen, maar dat ook het zaaisel goed is opgekomen. Nu zitten we dus ineens met een overdosis gele komkommer. Josien dreigde meteen met de schaar. ‘Afknippen’ vond ze, omdat de plantjes veel te dicht op elkaar zouden staan. Dat is misschien wel zo, maar aan de andere kant hebben we in een ander bed augurkenplantjes gezet en die zijn een uitgedroogde dood gestorven… Misschien kunnen we wat overplanten. Tenminste als de plantjes het bloedhete weer en de droogte overleefd hebben. Dat weet ik nog niet, want we zijn net terug van een heel erg lang en warm weekend Drenthe.

Vroeger toen ik nog aan de hand van mijn ma meeging met boodschappen doen, kan ik me herinneren dat de gele komkommer nog gewoon, naast zijn groene variant in de winkel lag. Ik vond die gele veel mooier dan de groene. Maar mijn moeder kocht ze niet omdat ze zo verschrikkelijk bitter konden zijn. Veel mensen dachten hetzelfde als mijn ma en daarom verdween de gele komkommer langzaam uit de schappen. Dat is erg jammer, want het is een komkommersoort die geen kas nodig heeft. Het is een plant die juist beter gedijt in de volle Nederlandse grond. Daarom ben ik ook zo blij met mijn plantjes omdat ik straks iets ga oogsten (even afkloppen) dat je nergens in de winkel kunt kopen.

Nergens? Een heel klein winkeltje aan de Amsterdamse Vrijheidslaan blijft dapper weerstand bieden. Daar kan je de ingelegde gele komkommer volop kopen. En lekker dat hij is! Het is dat ik tegen mijn diabetes-dieet moet zondigen, anders at ik er kilo’s van. De Leeuw legt ze in. In kleine schijfjes of partjes, maar je kunt ook grote stukken kopen. De zaadlijsten hebben ze uit de komkommer verwijdert en daarna ingelegd. Als je er in bijt gaat er een shiffer over je rug. Zo lekker! Je bijt en met een knapper dring je door de wat stevige schil heen. Dan ben je in het vruchtvlees beland. Het sap loopt langs je wang. Een ware culinaire sensatie. Maar bijna uitgestorven. Alleen De Leeuw maakt de gele komkommer nog in. En ook, maar dan meer op incidentele basis, zuurkoning Kesbeke. Ik heb een poging gedaan om dit culinaire genot op de lekkere-eters-wereld-erfgoedlijst te plaatsen! En dat is gelukt!

Ik maak ze natuurlijk ook zelf in. Ik heb nog één pot van mijn oogst van twee jaar geleden. Die bewaar ik voor een speciale gelegenheid. Mijn komkommer is niet zo lekker als de komkommer van De Leeuw, maar toch lekker genoeg om erover op te scheppen!

Op dit moment is er een hevig onweer aan de gang. Net heb ik even gekeken op de regenradar of de wolk ook onze tuin bewaterd heeft. Gelukkig wel…morgenavond gaan we even kijken of de plantjes nog leven!

Ontspannen in Geesbrug

We zitten nog even in de tuin van ons vakantieverblijf in Geesbrug. Nooit van gehoord? Nou, wij ook niet. Het ligt in de buurt van Gees en Oosterhessele en de dichtstbijzijnde grote plaats is Hoogeveen. Daar heb ik afgelopen Hemelvaartsdag boodschappen kunnen doen. Doorgaans moet je voor tien uur ’s ochends uitchecken op de dag van vertrek uit je vakantiewoning, maar dit is een godsdienstige streek en het is zondag dus de beheerster kwam naar ons toe en vertelde ons dat we zelf maar moesten weten hoe laat we vertrokken. Vandaag werd er toch niet schoongemaakt. En omdat het mooi weer is en we thuis alleen op het balkon buiten kunnen zitten, was onze keus al snel gemaakt. Maar dat bracht ons ook meteen in wat problemen omdat we vaak weekenden weg gaan en dan zo’n beetje een vast patroon hebben van inpakken en wegwezen. Maar nu zitten we dan toch eindelijk lekker in de tuin. Mijn voeten in slippers. Lekkere blote benen in de schaduw van wat krentenboompjes. Om ons heen een vogelconcert van jewelste. Heel af en toe komt er een vliegtuigje over. Verdere menselijke activiteiten zijn nauwelijks te horen. De regenbui die vannacht over onze bungalow trok zien we als waterdamp opstijgen. Onze fietsen staan keurig in het gelid. Josien maakt de eindopdracht voor haar zoveelste opleiding en ik type dit stukje.

Gisteren moest Josien ineens hard werken voor haar opleiding. Ze had een mailtje gekregen dat ze alles toch echt aanstaande maandag (morgen, dus) ingeleverd moet hebben. Dat was onverwacht omdat alles een weekje was opgeschoven. Behalve dus kennelijk dat inlevermoment. Daarom mocht ik gisteren helemaal zelf beslissen wat ik ging doen. Fietsen natuurlijk. Ondanks de titanenrit van eergisteren naar Kamp Westerbork (dat dus nog zo’n slordige vijftien kilometer van dorp Westerbork afligt), had ik wel weer zin in een lekkere tocht. Orvelte was het doel. Er zou daar een soort van openluchtmuseum zijn. Eén van de musea waar ik het meest naartoe ben geweest is het Openlucht Museum in Arnhem. Een Openlucht museum maakt mij meteen enthousiast. Ik waan mij graag in het verre verleden. Geen Internet, geen auto’s, geen…nou ja, van alles niet.

Ik fietste naar de dichtstbijzijnde fietstochtknopenpuntkaart en stippelde mijn route uit. Dwars door een stukje Drenthe. Het was warm, gisteren, heel erg warm. En er stond een harde droge wind. Volkomen verdorst kwam ik aan in Orvelte. Helaas voldeed er niet veel aan mijn verwachtingen. Het dorpje was vergeven van de dagjesmensen. Een hoop oude boerderijen die qua uiterlijk wel bijzonder waren, maar waar je niet in kon en er ook verder niets mee kon. Wat winkeltjes die zogenaamd ambachtelijke streekproducten verkochten, maar die ‘made in China’ waren. Orvelte vond ik geen succes. Maar dat maakt allemaal niet uit, ik zit hier zo verschrikkelijk rustig. En de vogels zingen. Menselijke activiteiten zijn nauwelijks waar te nemen. Als ik het bungalowpark afloop en even naar links wandel, kom ik bij een ven met wat bomen. Er nestelen een paartje ooievaars en verderop staat een dode boom. Lepelaars zitten erin. Ik weet het vrij zeker hoewel je het niet goed genoeg kunt zien. Het is hier zo verschrikkelijk ontspannend rustig. Straks stappen we weer in de auto en nemen we vanzelf weer deel aan het leven, maar nu nog even niet.

Bezoek aan kamp Westerbork

We zijn al een paar keer in het voormalig kamp Westerbork geweest. Als we in de buurt zijn, dan gaan we er kijken. Vooral het bezoekerscentrum. Dat fungeert min of meer als museum. Ondanks de koffers en de wanhopige briefjes van de voormalige bewoners die er zijn tentoongesteld wil het voor mij maar geen voorgeborchte van de hel worden. Dat was het natuurlijk wel. De bewoners van destijds beseften dat je vanuit Westerbork pas echt de hel zou betreden. Daarom wilden ze zo graag in Westerbork blijven. Ik denk dat de bewoners van Westerbork niet wisten wat er zou komen als ze in de goederenwagons werden geladen, maar dat ze het wel voelden. De mensen moeten gevoeld hebben dat na Westerbork het einde naderde. Je moet wel erg je best doen en jezelf voor de gek houden om het verhaal van werkkampen in het Oosten te geloven. Wat gingen al die kinderen en bejaarden daar dan doen? Die gingen daar toch ook heen? Daarom ligt in Westerbork de nadruk niet op de bevrijding van Westerbork, maar op zo lang mogelijk blijven in het kamp. Zorgen dat je een baantje had binnen het kamp zodat je onmisbaar werd en ze je niet op transport stelden. Misschien dat dat de reden is waarom Westerbork maar niet de gevangenis wil worden die het wel degelijk was.

Gisteren fietsten Josien en ik erheen. Nog nooit waren we er op de fiets geweest, altijd met de auto. Vanaf ons vakantieadres leek het makkelijk te doen. Westerbork ligt zo’n vijftien kilometer van ons vandaan. Maar wat we ons niet beseften was dat men kamp Westerbork in the middle of nowhere plande. Ver weg van de bewoonde wereld. Het dorp Westerbork is niet het einde van de wereld; dat is een pittoresk stadje in Drenthe. Geen afgelegen plek. Daarom situeerde men het kamp nog een behoorlijk eind buiten Westerbork. Dus moesten Josien ik nog zo’n slordige vijftien kilometer fietsen om kamp Westerbork te bereiken.

Het bezoekerscentrum viel een beetje tegen omdat er niet veel veranderd was sinds de laatste keer dat we er waren. Bovendien was het erg druk. Kinderen waren ongehoorzaam en speelde tikkertje tussen de tentoongestelde koffers van mensen die hier een onmogelijke tijd geleden hadden rondgelopen. Pubers dolden vooral met elkaar en hadden weinig aandacht voor de afscheidsbriefjes die her en der tentoongesteld waren. Er was eigenlijk maar één ding dat de ellende van destijds goed kon weergeven namelijk een beeld van hoe zo’n barak er nou van binnen uitzag. Een vage poging hebben ze daartoe gedaan in het bezoekerscentrum. Eén bed diep. Niet voldoende om de ellende voelbaar te maken. Als ik de baas was over het herdenkingscentrum dan had ik een barak nagebouwd. Al die bedden. Ik had de bezoeker willen laten voelen hoe het is om temidden van allemaal vreemde mensen te moeten leven. Min of meer heb je een eigen bed, maar dat is het wel. Een bed als territorium. Geen huis, geen eigen kame,r maar een bed. Hoe voelt dat? Mijn doel als baas van het centrum was dat gevoel van desolate eenzaamheid als eerste duidelijk te maken. Pas daarna zou ik aandacht geven aan de dreiging van deportatie naar het oosten. Ik denk dat ik de bezoekers door een volledig in bedrijf zijnde barak liet lopen. De geluiden van de barak zou ik laten klinken en ook de geur zou ik verspreiden. Ik denk dat een fysiekere benadering de ellende iets meer duidelijk maakt. Dat denk ik.

Tommy Wieringa – De dood van Murat Idrissi

Ik ben de shortlist van de Librisliteratuurlijst aan het lezen zodat ik mezelf een oordeel kan vormen over die lijst en het boek dat uiteindelijk won. Als tussendoortje ‘nam’ ik even De dood van Murat Idrissi’ van Tommy Wieringa. Dun boekje, dacht ik. Dat het een dun boekje is leidt geen twijfel, maar of het een tussendoortje is… ik weet zeker van niet. Sjonge, ik ben diep onder de indruk. Wat een boek! Het migratievraagstuk samengevat en tegelijkertijd volledig uitgewerkt in nog geen zeventig pagina’s. Voorlopig is dit boekje het hoogtepunt. Het boek torent uit boven alles wat ik tot nu toe heb gelezen in het kader van mijn Libris project. En dan niet een beetje. Hoog, torent het uit, heel hoog.

Ik denk dat ik net een van de kanshebbers voor alle aankomende literatuurprijzen 2017 heb gelezen. Een dun boekje, maar een parel. Glashelder geschreven en helemaal in lijn met de andere boeken die ik van deze auteur gelezen heb. Prachtig! Om jaloers van te worden. Niet alleen dat het fantastisch geschreven is, maar ook de inhoud is van een niveau dat ver uitstijgt boven alles dat ik de laatste tijd gelezen heb. Ik weet niet precies de definitie van een roman of novelle, maar gezien zijn geringe omvang en de eenvoudige verhaallijn denk ik dat dit meer een novelle is dan een roman. Een eenvoudige verhaallijn wil natuurlijk helemaal niets zeggen over de kwaliteit. Want hoewel er maar één lijn loopt, is hij niet persé overal lineair. Maar dat maakt allemaal niet uit. Het gaat erom of wij, als lezers meegesleept worden. Of we het verhaal ingesleurd worden. Of we voelen wat de hoofdpersonen moeten voelen. Of – en dan kom ik dichter bij deze novelle – wat de hoofdpersonen ruiken, ruiken wij dat, als lezers, ook. Tommy Wieringa slaagt daar zonder meer in. Beklemmend van het begin tot het einde. Alle stappen die de hoofdpersonen doen zijn fout maar logisch. De stappen volgen logisch op de vorige stap die ze namen.

Twee Nederlandse Marokkaanse meiden zijn op vakantie in Marokko. Daarmee zet Wieringa meteen de toon. De meiden hebben een Marokkaanse culturele achtergrond, maar het land is hun net zo vreemd als willekeurig welke Nederlandse meid. Ook de cultuur is hen vreemd. Wieringa beschrijft hoe de vrouwen terugkijken op hun dominante vaders. Dat vaders dominant zijn wil absoluut niet zeggen dat ze ook gehoorzaamd worden. De ene meid is een wegloper, de andere is jarenlang verliefd geweest op een Nederlandse jongen.

Op vakantie financieel aan de grond geraakt gaan ze in op het verzoek om iemand, Murat dus, mee te smokkelen naar Europa. Een humanitaire daad die ook nog geld oplevert. Murat woont ergens achteraf in een desolaat land waar geen enkele toekomst lijkt te liggen. Zijn moeder smeekt de vrouwen om haar zoon mee te nemen. Maar vanaf het moment dat ze er in toestemmen gaat alles mis. Niet gewoon mis, maar verschrikkelijk mis. Waarschijnlijk het verhaal van duizenden ander illegale migranten.

Je leest de novelle makkelijk in een dag uit, maar daarna loop je er nog weken over na te denken. Over de beslissingen die de vrouwen namen en de dingen die ze deden maar ook de dingen die ze juist nalieten. Een boek dat direct en helder geschreven is. Boeiend vanaf regel één en spannend tot het eind.

Zo en dan ga ik nu verder met Het Smelt van Lize Spit; dat boek staat wel op de shortlist van de Libris literatuurprijs.

Ons wc-raam op een ansichtkaart!

Natuurlijk duurt het nog een hele tijd. Pas in september kunnen we terug. Tenminste als er niets tegenzit. Maar toch…we zien steeds meer woningen gereedkomen in ons huizenblok. Mensen keren weer terug naar hun huis. Nog steeds mondjesmaat maar het maakt ons wel onrustig. Net alsof het zo is dat de terugkeer van onze buren alles sneller laat verlopen. Josien en ik worden steeds vaker naar de bouwplaats getrokken. En dan staan we ons te vergapen aan alles wat daar gebeurt. Terwijl we kijken naar de ontmantelde buitenkant van ons huis, reconstrueren we voor elkaars geestesoog hoe het ook al weer zat. Liepen die pannen nou door tot aan de bovenste ramen? Zat er een randje tussen dit en dat? En we kijken en we kijken en we verlangen en we verlangen. En als we dan van verlangen niet meer weten wat we moeten doen, gaan we naar het museum. Het museum is gevestigd in de oude school en op het voormalige schoolplein heeft het museum straatmeubilair tentoongesteld. Vanaf het schoolplein kunnen we over de schutting in onze tuin kijken. Bovendien kunnen we op het schoolplein beter zien hoe de bouw vordert omdat ze aan de binnenkant van het blok verder zijn dan aan de buitenkant. Van een groter deel zijn de steigers alweer weggehaald.

En zo zaten we afgelopen zondag op het voormalige schoolplein, de binnenkant van ‘ons’ huizenblok dat nu een terras is van het museum. Het was heerlijk weer en de dag was nog jong. Vanaf waar ik zat had ik zicht op ons huis in de steigers. Josien was even weg en ik zat daar helemaal alleen. Ik sloot mijn ogen en hoorde vogels vertellen dat de wereld fantastisch was en dat dit jaargetijde heerlijk was. Dat alles groeide en bloeide en ik zat zo dicht bij mijn eigen tuin dat ik me er langzaam in fantaseerde. Mijn gezicht werd zachtjes verwarmd door de zon. Een kopje koffie binnen handbereik. Straks komt Josien tegenover me zitten en gaan we ontbijten. Ze zal vertellen wat haar vrijdag op haar werk is overkomen en hoe ze daarop reageerde. Ik zal vertellen over wat ik in de krant van zaterdag gelezen heb; ik val haar niet lastig met mijn werkproblemen; zo boeiend zijn problemen van een pensioenverzekeraar niet. En we maken plannen over hoe we de zondag verder gaan doorbrengen. Gaan we samen nog wat ondernemen of gaan we ieder ons weegs. We zien hoe de struiken en planten aan het uitlopen zijn. Een heerlijk ontbijt in onze tuin in de vroege zondagochtendzon.

Maar Josien komt al snel weer terug. We hebben lang over de schutting gekeken en gezien dat we nog lang niet terug kunnen. Het torentje is nog niet eens in de steigers… We kijken in het museum naar de kaarten. Josien heeft een ansichtkaart vast en kijkt met gefronste wenkbrauwen naar de foto. Ik kijk ook. Wie zou deze foto willen kopen, vragen we ons af. Weten we het wel zeker? We kijken op de achterkant van de kaart, maar daar staat niets dat ons vermoeden kan bevestigen of ontkennen. Eigenlijk weten we het wel zeker: Op de kaart staat een afbeelding van ons wc-raampje. Rondom dakpannen en een stuk van het balkon van het museum. Maar onmiskenbaar: Ons wc-raam. Wat is daar nou interessant aan? Van de kaart in ons hand kijken we naar de andere kaarten in het rek. Allemaal interessante onderdelen van huizen of andere bezienswaardige dingen. Ons wc-raam is een uitzondering. Josien en ik staan er een beetje lacherig bij. We kopen de kaart.

Ons wc-raam!!!

We hebben de kaart opgehangen. In de wc, uiteraard. Wie verzint het om ons wc-raam te fotograferen en er een ansichtkaart van te maken. En…wie koopt zo’n kaart (behalve wij)?

Ik zelf ben de grootste voedselverspiller

Voedselverspilling is een groot probleem, vind ik. Teun van der Keuken onderzoekt dit issue in het programma De Monitor op zondagavond. Hij constateert dat het niet zozeer de consument is die veel weggooit, maar vooral de agrarische sector en de supermarkten. De agrarische sector gooit alle producten weg die ook maar even niet aan de normen voldoet. Een aangroeiseltje of een té rijp tomaatje is al reden genoeg om het in de vuilcontainer te laten verdwijnen. Ook een kromme komkommer of een te groene gele paprika gaat het niet redden. Ze komen niet eens tot in de supermarkt omdat de producent ze al heeft doen verdwijnen. Komen producten vervolgens volledig goedgekeurd wel in de supermarkt, dan stempelt het winkelbedrijf er een uiterste verkoopdatum op. Tot dan is het product geschikt om te verkopen en daarna wordt het beschouwd als vuilnis. Onderzoek van Van der Keuken leert dat die datums erg willekeurig zijn en heel veel verspilling in de hand werken. Einddatums op producten als rijst of spaghetti of blikken bonen, slaan werkelijk nergens op; die producten blijven eeuwig goed. Groente heeft helemaal geen einddatum nodig; je ziet makkelijk wat goed of niet goed is. Vlees vind ik eerlijk gezegd een ander verhaal; daaraan kan je niet goed genoeg zien of het bedorven is of niet. Bovendien is bedorven vlees eten echt gevaarlijk.

Ikzelf gooi relatief weinig weg en als ik iets weggooi dat niet groen van de schimmel is of waar een ware lijkenlucht vanaf komt, dan voel ik me enorm schuldig. Ik had het eerder moeten opeten of ik had het in de vriezer moeten houden of ik had het potje niet open moeten maken. Ik verwijt mezelf heel erg veel. Maar eigenlijk ben ik natuurlijk zo onschuldig als wat aan al die verspilling want zo groot is onze afvalberg niet!

Is dat zo? Nee, natuurlijk is dat niet zo. Die stickers waarop staat dat het product bijna weggegooid gaat worden. Ik trek me daar wel degelijk wat van aan. Ik wil niet de indruk wekken dat ik een arme sloeber ben die het met halfverrotte producten moet doen. Af en toe een koopje in mijn mandje is prima, maar het moet niet te gek worden. Tomaten is een ander verhaal; die verkoopt de supermarkt te onrijp. Bij tomaten moet je juist wachten tot ze er een sticker op plakken; dan zijn ze pas lekker. Maar dat terzijde.

Het ergste is natuurlijk dat ik een kritische consument ben. Ik heb er zwaar de smoor over in als ik etenswaar heb gekocht waar iets mee is of als er in de zak met gekochte appels een exemplaar met een plekje zit. Als er een tomaatje aan de trostomaatjes opengebarsten is.  Ik wil zulke producten niet. Ik bekijk wat ik koop erg kritisch. Neem bijvoorbeeld de champignon. Van der Keuken liet zien hoe verschrikkelijk krap de uiterste verkoopdatum wordt berekend. Ik kan je meedelen dat ik deze paddenstoelen vóór de uiterste datum al niet meer koop. Ik kijk niet eens naar die datum. Ik probeer de afgesneden steel te bekijken in het bakje. Die moet wit zijn. Dan zijn ze vers en smaken ze lekker. Een bruine steel en een hoed die los van de steel is, smaakt scherp. Ik zelf ben de grootste voedselverspiller, want de agrarische sector en de supermarkt gooien alleen maar weg wat ik niet wil kopen. Zo zit het eigenlijk in elkaar.

Wil – Jeroen Olyslaegers. Geen kanshebber!

De eerste van de zeven heb ik uit. De eerste genomineerde voor de Frits’ Libris Literatuurprijs 2017. Ik heb er best lang over gedaan, moet ik zeggen. Het was dan ook geen eenvoudig boek. Geschreven in plat Antwerps. Dat was mij bijna teveel geworden. Ik ben twee keer overnieuw begonnen aan het boek. Toen ik het de eerste keer las, was ik al snel de draad kwijt. De tweede keer heb ik het met meer aandacht gelezen. Toen bleven de personages iets meer op hun plaats dan de eerste keer. De eerste keer werd het een chaos en kon ik moeilijk bepalen wie het baardje had of Lode heette. Maar ook de tweede keer viel het boek niet mee. De roman ging niet echt leven, bij mij. Het boek nam me niet echt mee.

De hoofdpersoon is een hoogbejaarde man die zijn verhaal aan het papier toevertrouwd. Het verhaal is bestemd voor zijn achterachterkleinzoon die vooralsnog nog niet verwekt is, blijkt uiteindelijk. De hoofdpersoon speelde als jonge politieagent een dubieuze rol in de oorlog. Belgische en Nederlandse politieagenten spelen allemaal een dubieuze rol tijdens de oorlog. Helemaal als het gaat om de jodenvervolging. Daarnaast worstelt hij met de zelfmoord van zijn kleindochter, vele jaren na de oorlog; in haar afscheidsbrief legt ze alle schuld voor haar zelfmoord bij de hoofdpersoon. Uitgekotst door iedereen vertelt Wilfried Wils (Wil) zijn verhaal.

De openingsscene maakte wel indruk op me. Het speelt in de oorlog. Wil en zijn collega en vriend Lode moeten mee met de SD om een ‘werkweigeraar’ op te halen. Het blijkt het gezin te zijn van Chaim Litzke. Met veel geweld wordt het joodse gezin naar buiten gedreven en de twee jonge agenten moeten ervoor zorgen dat er geen gezinsleden ontsnappen. Lode doet een poging om het gezin te beschermen terwijl de hoofdpersoon toekijkt hoe het noodlot de joodse familie treft. Wil legt zich neer bij de situatie terwijl Lode in verzet komt. Dat toekijken is zo ongeveer de houding die Wil aanneemt; hij kijkt toe en onderneemt zelf geen actie. Hij verkeert in zeer verkeerde kringen, maar laat alles gaan zoals het gaat. Hij gaat ook om met Lode die Chaim Litzke laat onderduiken. Hij brengt de onderduiker zelfs eten, maar zelf een daad stellen tegen de bezetters, dat doet hij niet. Of…hij doet het wel, maar dan is het eigenlijk te laat. Als de oorlog afgelopen is, vermoord hij Omer; het gepersonifieerde racistische kwaad in Antwerpen. Een haast terloopse moord. Terloops beschreven.

Voor de oorlog krijgt Wil bijles Frans van Nijdig Baardje. Nijdig Baardje heeft nationaalsocialistische sympathieën. Tijdens de oorlog zal Nijdig Baardje zich samen met Omer ontwikkelen tot nietsontziende jodenjagers. Wil blijft omgaan met deze twee collaborateurs. Wils geliefde Yvette, de zus van Lode, wordt gezelschapsdame voor de moeder van Nijdig Baardje. Zo wordt de verhouding tussen goed en kwaad tijdens de oorlog geheel met elkaar vervlochten.

Het verhaal speelt zich af in Antwerpen. Antwerpen ken ik vrij goed en in die zin was het wel een leuk boek om te lezen. De Meir, het station, de opera, ik kan me de plekken makkelijk voor de geest halen. Vooral het stukje Antwerpen rond het station. De wijk waar nog steeds veel joden wonen. Ik zie het allemaal voor me. Verder vond ik het niet een heel sterk boek. Ik weet nu al zeker dat het niet hoog gaat eindigen in mijn prijsuitreiking. Olyslaegers slaagt er niet in om mij echt te boeien. De verhalen uit de oorlog zoals hij het verteld, ken ik al. Het sleepte me zeker niet mee.

Op naar de volgende roman!

Blunder van de Amsterdamse politie

Het is gewoon waar: Mensen die veertig, vijftig jaar geleden naar Nederland kwamen, waren gasten in onze samenleving. Ze hadden andere gewoonten, droegen (iets) andere kleren en ze aten andere gerechten. Natuurlijk mochten die mensen hun partner laten overkomen! Maar gasten met een partner krijgen vaak kinderen en kinderen die hier geboren worden zijn geen gasten; die zijn van hier. En omdat hun kinderen zich – gelukkig – wat aantrokken van de opvoeding die ze kregen, werden die ‘andere’ gewoonten en dat ‘andere’ kleden en dat ‘andere’ eten iets dat bij ons hoort. Bij Nederland. Zo is het gegaan en dat kon ook niet anders

Veel mensen hebben moeite om mee te komen met deze nieuwe samenstelling van de Nederlandse bevolking. Ik zie de aanhang van de PVV als mensen die moeite hebben om het tempo waarin Nederland verandert, bij te benen en die dat duidelijk maken door problemen die er zijn uit te vergroten. Dat geeft het gevoel dat we overvallen worden en onze staat uitgehold wordt. Ik denk dat dat wel meevalt. Aan de andere kant zie ik een vaak extreme verbondenheid met het moederland van hun voorouders van veel kinderen en kinderen van kinderen van gastarbeiders. Neem nu bijvoorbeeld de Nederlanders met een Turkse achtergrond die vlaggenzwaaiend hun steun aan dictator Erdogan betuigen. Ik denk dat dat een symptoom is van hetzelfde probleem; ze kunnen niet meekomen met het tempo waarin de wereld, en dus ook Nederland, verandert.

Gezien het feit dat de diversiteit van de Nederlandse bevolking steeds anders wordt, en de politie een afspiegeling moet zijn van de samenleving, werft de overheid agenten in spé onder groepen in de samenleving die nog niet voldoende vertegenwoordigd zijn binnen het korps. De politie van Amsterdam vindt dat er te weinig vrouwelijke politieagenten zijn met een Turkse of Marokkaanse culturele achtergrond. Om die reden wordt er nagedacht over hoe eventuele barrières kunnen worden weggenomen voor die mensen om bij de politie in dienst te treden. Omdat veel vrouwen uit die culturele hoek een hoofddoek dragen denkt men erover na om vrouwelijke agenten toe te staan om een hoofddoek te dragen.

Ik vind dat een heel slecht idee en ik zou willen dat de Amsterdamse politie deze discussie niet teweeg had gebracht. Het tekent voor mij dat de leiding van het Amsterdamse korps te weinig politieke antennes heeft en niet beter heeft nagedacht over de gevolgen. Voor het dragen van een hoofddoek is geen politiek draagvlak. Kuzu’s DENK zal één van de weinigen zijn die dat wel ziet zitten. De rest is, allemaal om zo ongeveer dezelfde reden, fel tegen. Als er zoveel politieke tegenstand is, waarom stel je het dan voor? Nu het voorgesteld is om erover te discussiëren, heeft ook iedereen mening terwijl die mening nauwelijks relevant is. De discussie schiet niet op omdat de standpunten al lang vastlagen. Ik vind dat de leiding van het Amsterdamse korps een blunder begaan heeft door dit proefballonnetje op te laten.

Omdat ik het niet laten kan…mijn mening. De politie draagt om heel veel redenen een uniform. Uniform betekent gelijk. We willen dat de politie uniform gekleed gaat vanwege al die redenen. En die redenen ga ik niet nog eens herkauwen!

 

Twan Huys vs. Klaas de Vries

Overal waar kinderen begeleid worden door andere volwassenen dan hun ouders, komt misbruik voor. De natuur is niet perfect en creëert mensen die op kinderen vallen. Mensen wiens lust zich uitsluitend op kinderen richt. Ik denk dat elk kind weleens last heeft gehad van een volwassenen met grijpgrage vingertjes. Erg irritant maar in de meeste gevallen niet schadelijk, denk ik. In sommige gevallen gaat dat gefoezel veel verder en dan is dat, volgens de mensen die ervoor hebben doorgeleerd, wel degelijk schadelijk. Helemaal als het kind-slachtoffer geen kant uit kan. Neem bijvoorbeeld een internaat van een katholieke kerk. Een kind is afhankelijk van de goede zorgen van de misbruiker.

In de sport bestaat een totaal verschillende situatie die soms tot hetzelfde misbruik leidt. In de sport, en zeker in de topsport, heb je pupillen die hebben geleerd dat je ALLES moet geven voor je sport. Je moet niet alleen ALLES geven, maar je moet ook heel goed luisteren naar je coach. Je coach is je alles. In het besef dat de natuur mensen maakt met een seksuele voorkeur voor kinderen, kan je je voorstellen dat het beroep van coach extra aantrekkelijk voor hen is. De verhouding sportcoach en pupil is al bijna vanzelf vaak erg lichamelijk.

Een commissie onder leiding van Klaas de Vries gaat de aard van het misbruik in de sport onderzoeken en vanuit die kennis aanbevelingen doen om misbruik te voorkomen. Gisteren zat Klaas de Vries bij Nieuwsuur waar hij door Twan Huys werd geïnterviewd. Zelden heb ik een interview op de televisie zo zien misgaan. Hoewel ik vaak vol bewondering ben over de kritische vragen die Huys weet te stellen, ging dat gisteren helemaal fout. Het gesprek werd naarmate de tijd vorderde steeds chagrijniger. Dat kwam doordat Twan Huys zich niet alleen had voorgenomen wat hij zou vragen maar ook wat daarop de gewenste antwoorden waren. Twan Huys leek te bepalen welke antwoorden De Vries mocht geven. Was dat niet zo, dan trok hij een foute conclusie of hij stelde de vraag gewoon opnieuw. Op dezelfde vraag hetzelfde antwoord geven was volgens Huys uit den boze. Meestal gaat de interviewer over de vragen en de geïnterviewde over de antwoorden. Ik zat met verbazing te luisteren hoe het schip steeds verder strandde en ik moet zeggen dat mijn sympathie meer en meer naar Klaas de Vries uit ging. Door de gekke bewegingen die Twan Huys maakte ontstond er een heel apart gesprek.

Een sprekend voorbeeld was dat Twan Huys een conclusie trok uit een antwoord dat Klaas de Vries gaf. Daarop antwoordde De Vries dat hij vond dat Huys een te haastige conclusie trok. Vervolgens betrok Twan Huys het woord ‘haastig’ niet op de conclusie die hij zelf had getrokken maar op de lange tijd die sporters hadden moeten wachten. Toen Klaas de Vries hem erop wees dat het woord ‘haastig’ ging over de conclusie en niet over de sporters die zo lang hadden moeten wachten op hun antwoord, probeerde Huys dat antwoord te torpederen door er overheen te praten. Maar omdat Klaas de Vries dat niet liet gebeuren, zag je het chagrijn groeien. Waarschijnlijk het beroerdste interview dat Twan Huys ooit gehouden heeft.