Nachtrust, bezweringen en de liefde

Wat ik er zo vreselijk aan vind? Ik heb het gevoel dat ik niet meer zo sterk bemind wordt als ze apart gaat slapen. Apart slapen, ik vind dat echt niet leuk. Heerlijk om nog even te liefkozen voordat het licht uitgaat en fantastisch om naast elkaar wakker te worden. Maar helaas, het mag niet altijd zo zijn. Ik maak herrie tijdens mijn slaap. Ik zaag soms het bed bijna in tweeën. En dat niet alleen, ik hou ook regelmatig op met ademen om na een poosje, met een harde snurk weer te beginnen. Helemaal niet fijn om naast zo’n snurker wakker te liggen. Daarom scheiden onze wegen zich regelmatig en kiest zij voor het logeerbed. Voor mijn gevoel deel je als geliefden het bed, en daarmee basta. Eigenlijk vindt zij dat ook. Maar ze heeft nachtrust nodig en daarom kiest ze zo nu en dan voor het logeerbed.

Omdat we het liefst samen slapen, wilde ik wat aan ons (maar vooral…mijn) probleem doen. Daarom nam ik contact op met een bedrijf dat beugels maakt en daarmee snurken voorkomt. Ik liet mij zo’n beugel aanmeten. Een beugeltje heb ik vroeger gehad dus ik had wat ervaring. Het verschil met mijn vroegere beugeltje is echter, een pootje dat mijn tong omlaagdrukt. Het plaatje van het beugeltje is wat langer zodat het zachte gehemelte achter in mijn mond wat omhoog gehouden wordt. Het pootje drukt mijn tong omlaag. Zo zorgt het beugeltje ervoor dat tong en zacht verhemelte elkaar moeilijker kunnen ontmoeten. Is de doorgang tussen die twee te smal dan heet dat snurken, zit die doorgang voor een tijdje dicht dan heb je een apneu. Theoretisch moet zo’n beugel dus helpen. Vooralsnog doet die beugel dat ook.

Met die beugel in mijn mond snurk ik niet en heb ik geen last van apneu’s. Ik slaap ook niet. Dat lukt gewoon nog niet. Een lange tijd lukt het me om die beugel in te houden, maar dan ben ik zo gespannen dat slapen niet gaat. Omdat ik toch moet slapen, haal ik het beugeltje na verloop van tijd uit mijn mond om gezellig snurkend mijn nacht voort te zetten. Zo gaat het dus met die beugel. Het is gewoon wennen. Het is me één keer gelukt om met die beugel in slaap te vallen. Die keer koester ik… Maar vooralsnog is het heel erg wennen.

Gisteren deelde Josien me mee dat ze toch weer in de logeerkamer ging slapen. Ik kon daar wel inkomen. Jammer maar helaas. Dus even geen geworstel met die snurkbeugel en…slapen met die hap. Midden in de nacht had ik een akelige droom. Een droom waarin ongure types voorkwamen. Een akelig gefluister hoorde ik. Bezweringen…spreuken…ik wist het niet. Ik probeerde uit mijn slaap op te krabbelen en ergens in dat gebied tussen slaap en waken ging dat gefluister zachtjes door. Ik werd koud om mijn hart. Heel erg eng. Toen ontdekte ik dat Josien de bron was van het gefluister. Ze was toch naast me gekropen. Heeft mijn geliefde bezweringen over mij uitgesproken? Neuh…kan me niet voorstellen. Ze heeft vast gefluisterd dat ze van me hield en dat ze niet tegen de eenzaamheid van de logeerkamer kon en dat ze dicht tegen me aan wilde liggen. Dat zal het zijn geweest…vermoed ik… Toch ga ik het haar zo even vragen…

Het komt zoals het komt; mijn vijfhonderdste bericht!

Dit is een jubileum. Deze column; dit stukje. Het is mijn vijfhonderdste. Ongelofelijk dat ik dat schrijf. Het is dat het zo makkelijk te controleren is, want anders had ik het nooit geloofd. Vijfhonderd columns! Als ik ze uit zou printen dan had ik een behoorlijke stapeltje papier. Vijfhonderd columns in anderhalf jaar bij elkaar geschreven. Begonnen van puur verdriet en nu inmiddels een deel van mijn leven. Het is niet mijn lust en mijn leven. Ik zou dat vooraf wel gedacht hebben, maar dat is toch echt niet zo. Ik schrijf heel erg graag maar ik heb geen last van heilig moeten. Een dag niet geschreven maakt me wel nog altijd angstig; gaat het me nog wel lukken? Maar ik heb niet de drive van de ‘echte’ schrijver; niet dat ik in zak en as zit als het even niet lukt. Op zich ben ik wel heel tevreden over hoe het gaat. Ik besef me dat mijn stukjes niet altijd het niveau halen dat ik graag zou willen. Maar dat vind ik minder erg dan dat ik het me vooraf had voorgesteld. Ik geef graag mijn mening en als die mening er soms wat minder briljant uitkomt, dan is dat niet meteen het einde van de wereld.

Mijn columns geven een goed inzicht in wat mij bezighoudt. Op dit moment natuurlijk best wat aandacht voor persoonlijke aangelegenheden. De reorganisatie op mijn werk waarvan ik nog steeds niet weet of ik geslachtofferd wordt. Ik weet het gewoonweg nog niet. In september werd aangekondigd dat de reorganisatie eraan kwam en nu een half jaar later is nog steeds niet duidelijk hoe of wat. Wel werd duidelijk dat als ik deze ontslagronde zou overleven dat ik dan vrolijk op weg zou gaan naar de volgende ronde; Een andere verzekeraar gaat mijn bedrijf overnemen en bij de overname waar ik het over heb is alvast aangekondigd dat het veel werkgelegenheid gaat kosten. Dus…

En daarnaast natuurlijk de zorgen om mijn oudste. Ons kind. Als ik mijn ogen dicht doe zie ik hem in de wieg liggen en voel ik hem tegen mijn borst. Ik voel zijn handje in de mijne als we de drukke straat oversteken. Ik zie hem schitteren op het voetbalveld. Ik voel hem op mijn schoot zitten terwijl we een calculator programmeren. Hij ziet nu in het leven niets anders meer dan barrières. Onoverkomelijke barrières. En niemand kan hem wijsmaken dat die er niet zijn. Ik probeer zorgeloos te zijn door naar mijn andere zonen te kijken die elke barrière zien als een te overwinnen uitdaging die speciaal op hun weg is gekomen om het beste uit zichzelf te halen.

Ik wilde veel over kunst en cultuur schrijven. Dat heb ik gedaan en dat doe ik nog steeds. Veel over beeldende kunst. Mijn vierhonderd negenennegentigste column ging over beeldende kunst. Verder schreef ik over alle uitvoerende kunst die ik zag. Behalve als ik het dramatisch slecht vond. Een beetje slecht vind ik niet erg om over te schrijven. Als het dramatisch is, dan heb ik er geen lol in. Ik ben nou eenmaal geen azijnpisser en ik schrijf voor mijn plezier.

Ik wil wat meer over koken schrijven. Mijn stukjes over brood bakken zijn een mooi begin. Maar ik weet nog niet of dat doorzet; ik ben zo veranderlijk. Wat ik gisteren leuk vond, vind ik vandaag niet de moeite waard. Ik ga me mezelf niets voornemen of opleggen; het komt zoals het komt.

Ed van der Elsken; De verliefde camera – In het Stedelijk Museum Amsterdam

Gezien op 26 februari 2017

Toen ik zo’n jaar of zeventien was, nam mijn vriend Chi een Nikon voor mij mee uit Hongkong. Japanse fototoestellen waren daar aanmerkelijk goedkoper dan hier. Zo kwam ik aan mijn eerste spiegelreflexcamera. Ik was er enorm trots op. Samen trokken Chi en ik erop uit om foto’s te gaan schieten. Gewoon op straat. Midden in de stad, in het Vondelpark het Oosterpark, het maakte niet uit. Als je maar goed keek en op het juiste moment afdrukte dan had je de ideale foto. Meer was het niet. Ik zelf was niet zo heel erg ambitieus. Natuurlijk wilde ik mooie en leuke foto’s maken, maar echte ambitie om het in de fotografie te gaan maken, had ik niet. Ik vond het leuk om naar beeldende kunst te kijken, maar dat was ook alles. Ik zag mezelf niet als een talentvol fotograaf. Dat was anders met mijn vriend Chi. Zijn ambities waren groot. Hij fotografeerde ook veel meer dan ik. Heel veel meer.

Wat mij overviel als ik met mijn camera over straat liep, was dat ik het helemaal niet zo makkelijk vond om mijn camera op iemand te richten. Ik vroeg me af wat ze ervan zouden vinden en omdat ik zelf helemaal niet en nergens op de foto wilde, kon ik me dat van een ander ook goed voorstellen. Daarom hield ik het bij objecten. Dat was best een beetje saai. Keek je in mijn hart dat wilde ik mooie meiden vastleggen, maar dat deed ik dus niet. Chi had er aanmerkelijk minder moeite mee. Hij kreeg zelfs meiden zover dat ze voor hem kwamen poseren. Aangekleed. Dat wel. Soms een beetje doorzichtig. En altijd in gezelschap van een vriendin.

Favoriete fotograaf in die dagen was Ed van der Elsken. Chi en ik zeiden tegen elkaar dat we eigenlijk tien jaar te laat geboren waren. In de jaren zestig gebeurde het. Ed van der Elsken zagen we als een typische adept van de jaren zestig. Vrij in alles wat hij deed. Hij maakte wereldreis na wereldreis en iedereen was gek op zijn foto’s. En ook wij zagen die kwaliteit. Maar aan de andere kant leek het ook allemaal zo gewoon. Drie meisjes die de straat overstaken in minirok. Twee meisjes en een madame gefotografeerd in Parijs. Zo terloops. Zo toevallig, leek het. Maar kortgeleden is Van der Elskens fotoarchief geconserveerd en gerestaureerd. De Volkskrant kon beroemde foto’s reconstrueren. Hele filmrollen kwamen beschikbaar waarop ook de foto’s stonden die uiteindelijk in één van zijn boeken terecht waren gekomen. Op die filmrol meerdere foto’s van bijvoorbeeld de twee meisjes met de madame. Ed van der Elsken cirkelde rond de vrouwen en knipte en knipte net zolang totdat hij de ideale plaat had. Niks toeval. Zoeken naar het ideale plaatje, dat deed hij. Weliswaar waren de mensen op het plaatje daar toevallig, maar Van der Elsken zocht net zolang totdat hij de goede hoek en de juiste compositie had. Fantastisch om te zien en jammer dat de Volkskrant er niet mee doorgegaan is.

In het Stedelijk museum een overzichtstentoonstelling van deze bijzondere fotograaf. Dat heeft ervoor gezorgd dat het ineens ongekend druk is in het Stedelijk. Ik dacht dat alles zich concentreerde rond Jordan Wolfson, maar dat bleek echt niet zo te zijn. Iedereen komt voor Van der Elsken en terecht. Zelden zoveel werken van één kunstenaar op een plek zien hangen en elke foto is van een ongelofelijke kwaliteit. Naast de foto’s ook veel projecties van zijn films. Want hij maakte ook eigenzinnige documentaires die later tot de canon zijn gaan behoren van de Nederlandse cultuur. Neem bijvoorbeeld de film die hij maakte over Karel Appel. Die film waarin Appel het laatste krediet verspeelde bij het klootjesvolk. Waar hij verlekkerd zijn penseel roert in de dikke natte verf die hij juist daarvoor tegen het doek gesmeten heeft. Niemand kan dat zo goed in beeld brengen als Ed van der Elsken.

Ed van der Elsken wist niet alleen de ideale plaatjes te schieten, hij legde ook de tijdgeest vast. De jaren vijftig in Parijs. In dé stad van het licht. Waar elke kunstenaar naartoe trok. Daar maakte hij zijn eerste boek dat hem beroemd zou maken: Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés. Best sombere maar ook heerlijk mooie en verliefde foto’s. Natuurlijk in zwart-wit. Vali Myers is de hoofdpersoon. Met diep zwart omrande ogen. Jong en verleidelijk. Slechts één foto in kleur en dat had hij beter niet kunnen doen. Ook in die Parijse jaren een foto van een jong balletdanseresje. Later werd ze beroemd als Brigitte Bardot. Toen was ze nog een gewoon meisje in een achterstandswijk van Parijs.

Ed van der Elsken hield van jonge mensen. Van mooie meisjes en tegendraadse jongeren. Ook mijn tijd komt langs. De tijd toen ik samen met Chi door de stad liep met onze fotocamera’s in de aanslag. Ook die tijd heeft Van der Elsken gefotografeerd. Ook gefilmd trouwens. Gek genoeg herken ik meteen mijn generatie jongeren. Ik raak ervan ontroerd. Zo dicht zit hij de jongeren van toen op de huid dat het herkenbare mensen worden. Abstracties van herkenbare mensen. Punkers. Mensen met een sterke doodswens hoewel ze dat zelf niet in de gaten hebben. En mooie meisjes. Jongens wat waren de meisjes toen verleidelijk. Van der Elsken weet dat gevoel van toen makkelijk weer op te roepen.

Na Van der Elsken nog even naar Jordan Wolfson geweest. Even over de tentoonstelling rondgelopen. De verleidelijke maar enge hightech dames kreeg ik niet te zien; daar schijn je je weken van tevoren voor te moeten inschrijven. Wel wat ander werk. Wel aardig, maar toch behoorlijk in de schaduw van één van onze grootste fotografen: Ed van der Elsken. Een heerlijke tentoonstelling en ben je een beetje vroeg, dan valt de rij wel mee. Ik kon gewoon doorlopen…zoals ik gewend was in het Stedelijk Museum.

Jamie Oliver kan niet koken!

Jamie Olivier was leuk maar begint een ware plaag te worden. Helemaal op zenders als 24kitchen. Ik was gek op 24Kitchen. Ik ben een enthousiast kokkereller dus kon ik mijn hart ophalen. Ik heb mijn ogen uitgekeken in dat eerste jaar dat de zender in de lucht was. Rudolf van Veen bakte de prachtigste dingen. Maar Rudolf van Veen en Angelique Smeenk en al die anderen zijn verdwenen. Het is nu Jamie Oliver op elk uur van de dag. Natuurlijk, ook hij bakt en kookt heel enthousiast. En…wat hij maakt en hoe hij het maakt is erg… bijzonder.

In één van zijn vele programma’s kookt hij in de tuin. Een gigantische tuin. Een grote stenen houtoven; een open vuur. Jamie bakt op open vuur de uien en de knoflook en het eerste deel van de groente en vervolgens gaat de pan de oven in. Allemaal lekker wild. Als multimiljonair kan je je wel zulke dingen permitteren, maar als gewoon kantoorpikkie? Dan zit je in je doorsneekeuken. Met je doorsnee fornuis en je doorsnee oven. Niks geen knappend vuurtje. Dat maakt de kookbeleving meteen al een stuk minder. Maar Jamie staat ook regelmatig in de keuken, dat moet gezegd. Vooral als hij wereldrecords snelkoken gaat verbeteren. Een volledige maaltijd in 30 minuten; een volledige maaltijd in 15 minuten. Ik word er behoorlijk nerveus van als ik alles zie. Maar als het een lekkere maaltijd wordt…wie ben ik dan?

Maar kookt die Jamie Oliver wel zo lekker? Als hij een hap in zijn mond steekt en verlekkert kauwt en ‘amazing’ zegt, dan ga je dat wel geloven. Maar deze jongen die hier dit stukje zit te schrijven kookt dagelijks en is zeer leergierig. Als er een beroemde kok  – zoals Jamie Oliver – op de televisie komt, dan let hij goed op. En wat valt er dan als eerste op…olijfolie. Tot slot een druppeltje olijfolie om het helemaal af te maken, zegt Jamie en vervolgens verdrinkt hij zijn gerecht in olijfolie. Een druppeltje olijfolie in de hete pan…Jamie maakt er zowaar bijna een gefrituurd gerecht van. Bij geen enkele kok zie ik de liters olie zo makkelijk uitgegoten worden als bij Jamie Oliver. De vettigheid geeft al bij het zien een glibberig mondgevoel.

Een ander ingrediënt waar Oliver wel heel kwistig mee omspringt is rode pepers. Rode pepers zijn heet. Als je, als niet zuid-oost-Aziaat, een pitje in je mond krijgt, dan heb je het gevoel dat je mond afbrandt. Dat je de rest van je leven met opgezette lippen verder moet. Goed, een half pepertje waaruit je de zaadlijstjes hebt verwijderd, dat is best te doen. Maar meer ook niet. Jamie Oliver denkt daar heel anders over.  Om zijn salade wat meer pit te geven snijdt hij twee pepers in stukjes. In zijn roerbakschotel mikt hij nog even drie grof gehakte rode pepers. Man, dat overleef je niet. Zeker niet als kopjes thee lurkende Engelsman. Je maakt het mij niet wijs!

Laatst maakte hij een vissoep van verschillende vissen die zojuist gevangen waren. Fileren van de vis vond hij voor de dommen. De vissen werden zo op de groente in de pan gemikt. Een stuk of wat middelgrote vissen. Toevallige soorten. Een litertje zeewater erop en wat zoet water. Uurtje laten sudderen. Onderwijl vertelde Jamie dat het zo zonde was dat iedereen visfilet wilde eten want in de graten zat zoveel smaak. Toen ging de pan open en Jamie schepte zichzelf een kop soep op. Met een groot stuk vis erin. Verlekkerd nam hij de eerste hap. ‘Amazing’ verzuchtte hij. Maar ik wist wel beter… Als hij een stuk vis zou nemen had hij een mond vol graten. Een mondgevoel van helemaal niets. Niet voor niets leer je als (amateur)kok dat je van de graten de bouillon trekt en dat je de filet in de soep stopt. Jamie Oliver; volgens mij kan hij niet koken!

De gistende bubbelende desemstarter

Ik ben een enthousiast thuisbakker. Daar heb ik nooit een geheim van gemaakt. Integendeel, ik probeer dat aan alle kanten uit te venten. Zo bedacht ik dat ik een mooie, rijk geïllustreerde, handleiding kon schrijven over het bakken van mijn brood. Dat werden twee stukjes: Eén over het maken en behandelen van desemdeeg en één over het bakken van het brood. Toen ontbrak er nog een artikeltje, namelijk over het maken van desem. Dat kon mooi in een proloog dacht ik. Vervolgens zou ik de artikeltjes mooi op mijn website neerzetten. Ik wilde een vervolg maken over worst. Van verse worst tot droge worst. Langzamerhand het kokkerel-deel in mij exploreren. Leuk, als tegenwicht voor alle ellende die ik doorsta met betrekking tot mijn depressieve oudste en de reorganisatie- en overname perikelen op mijn werk.

Dus ging ik aan de slag met de desemstarter. Ik wilde op twee manieren desemstarter maken: De appeltaart-manier en de klassieke methode. Dus schilde ik twee appels en stopte de schillen en klokhuizen in een pot met water en zetter er een waterslot op. Bedoeling dat het ging gisten en met dat gistende water zou ik meel aanroeren zodat de tot gisting opgewekte melkzuurbacteriën zich zouden gaan ontfermen over het meel. Maar nu ,na een week; nog geen belletje. Het water lijkt zo dood als een pier. Dat in tegenstelling tot het voordeeg dat ik op de klassieke manier maakte. Theoretisch zou het als volgt moeten gaan. Op de eerste dag roer je evenveel water en meel door elkaar.  Na een dag voed je het papje met evenveel water en meel. Ondertussen hou je het goedje zo rond de twintig graden. Dat voeden doe je vijf dagen achter elkaar op dezelfde manier en dan heb je een redelijk actief desem. Maar helaas. Na één dag zag ik al de eerste vrolijke bubbeltjes. Nu zit ik op de derde dag en ik weet al zeker dat ik er een fantastisch brood mee kan bakken. Helemaal omdat de bacteriën nog nauwelijks de kans hebben gehad om azijnzuur aan te maken. Het ruikt zo fris en zoet als een zonnige vakantiemorgen in Zuid-Frankrijk. Gezien het feit dat het vandaag deeg-dag is en morgenochtend vroeg bak-dag, ga ik er vandaag dubbelvochtig deeg van maken zodat ik er morgen het ultieme stokbrood van kan maken. Dat zou helemaal leuk zijn!

Waarom de starter zo snel op gang kwam, weet ik niet. Wellicht omdat heden ten dage in ons huis het een gistende en fermenterende bende van jewelste is. De cursus van Meneer Wateetons bij Teest heeft veel los gemaakt en me erg enthousiast gemaakt.  Dagelijks schep ik een stevige lepel zelfgemaakte kimchee door de sla. Dat geeft het net een beetje meer pit. Bovendien staat op één van de kastjes in de keuken mijn miso langzaam te verworden tot…miso. Staat er een fles azijn te rijpen. Heb ik in de koelkast een bak met nog ongebruikte beschimmelde rijst; koji-kin. Diverse soorten yoghurt culturen worden hier in leven gehouden en door geënt. Tenslotte heb ik nog een halve zuurkoolpot met eigen gemaakte zuurkool. Gemaakt van eigen gekweekte kolen. Het kan allemaal niet op. Hoewel het natuurlijk maar bijzaak is, is er wel één klein probleempje…hoe krijgen we het op? We zijn maar met z’n tweetjes en de berg fermenterende producten groeit gestaag…Moet ik er dan maar mee stoppen? Geen denken aan!

Morgen, denk ik, een verslag van het bouwen van de desemstarter! De mooi gistende en bubbelende desemstarter! Ik hoop zo dat die appeltaart-methode nog wat wordt; dat heb ik al een keer aan de praat gekregen!

Een beetje nationale trots

De geschiedenis beoordelen naar de maatstaven van nu, ik weet het niet. Of je dat kunt doen heeft te maken met hoe lang geleden iets is gebeurd maar ook hoe we er destijds en door de geschiedenis heen, tegen aangekeken hebben. De nationale trots speelt daarbij ook een rol. Een natie wordt voor een deel bijeengehouden door een gezamenlijke geschiedenis. Gebeurtenissen in die geschiedenis worden geïnterpreteerd in termen van goed en kwaad terwijl dat eigenlijk niet kan; gebeurtenissen kunnen niet goed of kwaad zijn. Ik denk dat Italianen trots zijn op hun Romeinse verleden. Ik vind dat Italianen op die erfenis best trots mogen zijn ondanks dat de romeinse overheersing gepaard ging met eindeloos veel geweld, slavenhandel en extreem wrede straffen.

Een ander verhaal is het nazi-regiem in Duitsland. Het vervult Duitsland nog steeds met diepe schaamte. Het vervult een groot deel van de wereld met diepe afschuw. Dat Hitler toch maar mooi voor een fantastisch wegennet zorgde, is ook waar, maar blijft in de schaduw omdat men al het afschuwelijke veel belangrijker acht. Zo nemen de Italianen het gebruik van de Romeinen om mensen aan een kruis te spijkeren voor lief en doet het niets af aan de Italiaanse trots.

In Nederland hadden we de VOC. De VOC zorgde voor ongekende rijkdom in het Nederland van toen. Dat gebeurde in een periode waarin Nederland voor een belangrijk deel bepaalde waar het in Europa naartoe ging. Nederland werd een republiek zonder vorst aan het hoofd. Ongekend. Er was sprake van een parlement die de regering controleerde. Niet te vergelijken met zoals het nu gaat, maar de kiem werd toen zichtbaar. Alle Nederlanders konden rijk worden door de VOC. De VOC gaf aandelen uit en daarmee werd iedereen die een aandeel kocht voor een stukje eigenaar van de VOC. En, naar verluidt, kocht iedereen aandelen. Van keukenmeid tot burgemeester. Sloebers uit heel Europa trokken naar Amsterdam op zoek naar een beter leven. Maar ook godsdienst vervolgden vonden hier een goed heenkomen. Neem de joodse gemeenschap, die kwam in Amsterdam tot volle bloei. Ook de kunsten bloeiden. De schilderijen die toen gemaakt werden vormen tot op de dag van vandaag wereldwijd het gesprek van de dag. Dat alles was echt onmogelijk geweest zonder de VOC. Ik heb geleerd om trots te zijn op de VOC en op de zeventiende eeuw. Ik ben dat ook. Ik voel me erfgenaam van mensen die toen buitengewoon goed gepresteerd hebben. Dat gevoel is helemaal legitiem. Vanaf de lessen vaderlandse geschiedenis op de lagere school is me dat bijgebracht en daar is helemaal niets mis mee.

Op dit moment lijkt er alleen nog maar oog te zijn voor alles wat er niet goed was aan de VOC. De oorlogen tegen de bevolking van Indonesië, de slavenhandel of het handelen met voorkennis. Het wordt op dit moment allemaal onder een vergrootglas gelegd. Mensen die eeuwenlang helden waren worden nu, vierhonderd jaar later, weggezet als oorlogsmisdadigers. Ik vind dat veel te ver gaan. Natuurlijk was Jan Pieterszoon Coen geen lekkertje, maar zijn veroveringen hebben hem wel tot nationale held gemaakt. Vergelijkbaar met keizer Augustus. Maar om nou bijvoorbeeld de Coentunnel te willen hernoemen zoals gekkie-partij DENK wil, dat gaat wel heel ver.

In Den Haag de zoveelste kritische tentoonstelling over de VOC. Ik weet niet of ik erheen wil. Een beetje nationale trots vind ik wel lekker.

Gereguleerde wietteelt en zelfeuthanasie.

Vandaag op de voorpagina van de Volkskrant in grote koppen twee zaken waar ik een enorm voorstander van ben maar die me tegelijkertijd enorm veel angst inboezemen: Zelfeuthanasie en legale wietkweek. Tegenwoordig is er de mogelijkheid van zelfeuthanasie. Mensen die vinden dat ze een voltooid leven hebben, kunnen bij een consulent terecht. Tijdens gesprekken met die consulent wordt vastgesteld of er inderdaad sprake is van een voltooid leven en vervolgens worden er middelen verstrekt om gereguleerd en veilig en zacht uit het leven te stappen. Als liberaal denkend mens ben ik daar een groot voorstander van. De tweede kop op de voorpagina gaat over de wietteelt. In Nederland bestaat de onmogelijke situatie dat wiet wel verkocht mag worden aan particulieren, maar dat niemand het mag kweken. Hoe kan je een plantje legaal verkopen als je het niet legaal kan kweken? Een idiote situatie die de criminele op geldbeluste onderklasse op een spoor zette. Overal werden levensgevaarlijke kwekerijtjes opgezet. Gevaarlijk omdat die kwekerijtjes zware lampen nodig hebben om het tropische plantje te kweken. Regelmatig vliegt zo’n illegaal kwekerijtje in brand. Ook bij mij in de buurt. Drie woningen uitgebrand doordat één crimineel beunhaasje foutjes had gemaakt met de belasting van zijn stoppenkast. Nu willen ze een begin maken met het legaliseren van de kweek. Gewoon cannabis kweken in kassen; gereguleerd en met toezicht. Dat zou een verademing zijn. Woningen worden weer veilig bewoond en de roker weet waar zijn wiet vandaan komt en dat het veilig is en dat de kwaliteit gegarandeerd is.

Maar toch… Om met de wietteelt te beginnen. Sinds onze oudste zich maandenlang in een wolk van wiet hult, ben ik niet zo blij met het gedoogbeleid. Vanuit mijn verstand weet ik wel dat een verbod helemaal niets oplost, maar mijn gevoel zou al die koffieshops willen sluiten. De eigenaars zou ik naar noordoost Groningen willen verbannen. Voor mijn gevoel hebben zij er schuld aan dat mijn oudste niet meer vooruit te branden is. Hebben zij er schuld aan dat hij steeds weer opgenomen moet worden in afkickklinieken. Dat, ik weet niet hoeveel, hulpverleners hun best doen om hem ervan af te helpen. Een stap in de richting van volledige legaliteit en wiet juich ik toe en keur ik af. Had ik, toen ik zo’n jaar of zestien was, nog een karrevracht wiet nodig om stoned te raken, nu is een simpel jointje genoeg om een paard te vellen. Verslavend spul dat je vastnagelt aan bed en stoel. De verslaafde is een passief wezen geworden zonder initiatief.

En dan zelfeuthanasie. Mijn oudste vindt van zichzelf dat hij een voltooid leven heeft. Vijfendertig vindt hij een mooie leeftijd om eruit te stappen. Alleen al als ik het opschrijf ontstaat er een vrieskou rond mijn hart. Iedere ouder wil gelukkige kinderen. Een ongelukkig kind geeft je als ouder het gevoel dat je gefaald hebt. Maar depressie is onderdeel van hem. Het hoort net zo bij hem als zijn wiskundetalent. Ik vind zelfeuthanasie geweldig. Geen gespring meer van daken of voor de trein. Maar heel veel liever overlijd ik straks met al mijn zonen dichtbij me; kinderen moeten hun ouders begraven en niet andersom.

Ultimate Desembrood. Deel 2: Brood bakken

Gisteren hebben we het deeg gemaakt, vanochtend (voor mij zes uur/half zeven) gaan we bakken!

Na een goede nachtrust wordt je heerlijk afgebakken. Dat is het lot van deeg. Nachtrust? Eigenlijk niet echt. Gisten in het desem zijn helemaal losgegaan op alle koolhydraten in het deeg. Het koolzuurgas dat ze teruggaven is als mooie bellen in het deeg gaan zitten. Het deeg is fantastisch gerezen. Het bakken kan beginnen. Eerst moet de huisoven omgebouwd worden tot een semi-bakkersoven, en die bakkersoven gaan we flink opstoken.

Ik heb een baksteen gekocht en die op het rooster op de tweede richel van onderen gelegd. Voor het bakken van vloerbrood heb je een steen absoluut nodig; een bakblik voldoet niet. Op de steen balanceert een bakje grind. Met dat grind ga ik stoom maken. Het bakje heb ik zoveel mogelijk aan de kant geschoven zodat ik veel ruimte op de steen heb. Ik zet de oven op 250°C en laat de oven een half uur met rust. De steen heeft minstens een half uur nodig om op temperatuur te komen.

Twee rijsmandjes met het gerezen deeg, roggebloem om het deeg niet blijft plakken, een kopje water om stoom mee te produceren, een scheermesje om het deeg in te snijden en de houten (pizza)schieter

Ik heb twee rijsmandjes met goed gerezen deeg. Het worden onze broodjes voor het weekend. Eén bak ik helemaal af voor vandaag. Eén bak ik wat korter zodat hij morgen afgebakken kan worden; hebben we twee dagen vers brood! De twee broodjes passen precies op de baksteen dus ik kan ze in één keer bakken.  Als je vloerbrood bakt, moet je het deeg goed opbollen. Doe je dat niet dan vindt je op je baksteen twee in elkaar gevloeide pannenkoeken in plaats van mooie broden.

De manier waarop je je brood met het scheermesje insnijdt is je bakkershandtekening. Ik ben er nog steeds niet uit. Dan snij ik weer zus dan weer zo. Doordat je het brood insnijdt kan het wat hoger rijzen tijdens het bakken. Datzelfde geldt voor stoom. Stoom zorgt ervoor dat de korstvorming ietsje uitgesteld wordt.

Ik heb de deegdelen nog in de mandjes met roggebloem bestrooid, zodat ze niet aan de schieter gaan plakken en vervolgens op de schieter laten glijden en ingesneden. Daarna de broden vanaf de schieter op de hete steen laten glijden. Een scheutje water in het bakje grind zorgt voor stoom. De blazer van de heteluchtoven heb ik uitgezet.

Na twintig minuten broodje één eruit en na vijfentwintig minuten broodje twee. Op een rooster laten afkoelen

Daarna de busbroden (= vakterm voor brood dat in een bakblik wordt gebakken) in de oven. Temperatuur terugdraaien tot 230°C en het wekkertje op 45 minuten zetten!

De oogst: Eén broodje om mee te ontbijten, één broodje om morgen mee te ontbijten. Een brood dat ik in twee helften ga invriezen voor door de week. Een volkorenbrood voor Josien. En een heerlijk rozijnenbrood om door de week mee te ontbijten. De geur van vers gebakken brood hangt als een ochtendgave in huis…

En…is mijn desembrood een massieve nauwelijks te verteren baksteen geworden? Dacht het niet, hè!

Terechtkomen in je eigen nachtmerrie

Eén van mijn grootste angsten is dat ik op een dag mijn verstand kwijtraak. Dat ik echt niet meer weet wat ik doe. Dat ik ook de remmingen niet meer heb die me tot een sociaal wezen maken. Ik zie dan een tehuis voor me. Ik ben daar, maar net zo goed ben ik er niet. Ik zit daar maar. Na verloop van tijd komt er een verzorgster die me naar het toilet helpt en na afloop mijn kont afveegt. Die me onder de douche zet en me wast. Nee, geen erotische droom; een nachtmerrie. Maar de zwarte droom gaat verder…ik word gewassen door een jonge vrouw met mooie borsten. En ik voel aan haar borsten. (Ook geen erotische droom.) Ze hebben het in hun personeelskamertje over ‘die oude viezerik’. Dat hebben ze het over mij. Een oude viezerik. Want als ik een paar jonge stevige billen voor me zie, dan voel ik daar natuurlijk ook even aan. Maar eigenlijk gebeurt dat allemaal zonder dat ik het weet. Ik ben niets meer doordat de Alzheimer een groot deel van mijn hersenen heeft weggevreten. Ik denk niet, maar toch besta ik nog. Verschrikkelijk!

Ik zou me best willen indekken tegen deze situatie. Ik wil gewoon niet dat ik zo word. Als mijn hersens weggevreten worden door één of andere ziekte, dan wil ik dood. Als het proces van wegvreten onomkeerbaar is dan wil ik niet verder leven. Ik hoop dat ik op het juiste moment de situatie ‘ondraaglijk lijden’ bereik en aan kan geven dat ik dood wil. Ik hoop dan dat er een arts is die me het genoegen wil geven om me te helpen om het leven te verlaten. Dat hoop ik echt. Ik hoop echt dat mijn nachtmerrie nooit werkelijkheid wordt.

Maar als er op mijn verzoek een arts naast me klaar zit met de injectiespuit, en mijn geliefden opgetrommeld zijn en om mij heen zitten. Als dan de arts vraagt of ik écht wil en ik op dat moment ineens twijfel, dan vertrouw ik erop dat het dan ook niet gebeurd. Een afspraak voor euthanasie is niet bindend voor degene die het ondergaat. Dat moet zo zijn. Euthanasie is een afspraak over je eigen dood waar je je nooit en te nimmer aan hoeft te houden. Dat moet fundamenteel zo zijn.

Daar zit ik dan. Mijn brein een gatenkaas. Ik herken mijn eigen kinderen niet meer. Knijpend in borsten en billen van verzorgsters die wellicht nu nog niet geboren zijn. Compleet afhankelijk van hulp die me met stevige tegenzin wordt verleend. Ik zit in mijn nachtmerrie, kortom. Ik heb ooit een verklaring opgesteld dat ik dood wil als ik ondragelijk lijd. Kan men mij dan nu uit mijn lijden verlossen?

Nee, dus. Ik kan niet meer laten weten dat ik dood wil. Ik weet niets meer. Ik herinner me niet dat ik dood wilde in deze situatie. Het mag dan ook niet gebeuren. Daarom ben ik vandaag blij met de paginagrote advertentie in de krant van artsen die de verklaring onderschrijven dat er nooit een dodelijke injectie gegeven mag worden aan iemand die niet meer kenbaar kan maken dat hij dat wil. Daar ben ik blij om; zelfs als dat kan betekenen dat ik in mijn eigen nachtmerrie terecht kom.

Ultimate Desembrood. Deel 1: Deeg maken

Deel 1: Deeg maken op dag 1

Even voorstellen. Ik ben dus geen bakker. Geen ‘echte’ bakker. Een thuisbakker, dat ben ik. Ik krijg niet elke keer als ik bak hetzelfde brood. Als je dat wilt leren ben je helemaal aan het verkeerde adres. Dan moet je gaan werken met deegtemperatuur en mooie rijskasten. Heb ik niet. Bij mij hebben de omstandigheden invloed op het brood dat ik bak. Ik vind dat niet erg. Ik bak met veel liefde en gokken. En wegen, natuurlijk. Het resultaat is meestal voortreffelijk!

Het begint allemaal met desem. Levend desem. Mijn desem heb ik van mijn leermeester gekregen die het weer van zijn leermeester heeft gekregen. Geen enkele molecuul van mijn desem heeft nog iets te maken met de desem van mijn leraar. Maar dat maakt niet uit. Ik blijf deze gebruiken! Ik heb ook zelf starters gemaakt, leverde allemaal prima brood op, maar ik vind het zó jammer om de lerarenlijn te doorbreken, dat ik het bij deze hou.

Niet later dan 6 uur voor ik het ga gebruiken haal ik de starter uit de koelkast. ‘Starter’ is het restje desem dat je vorige keer overhield. Dat restje van de vorige keer ga ik opnieuw gebruiken.

Ik maak nieuwe desem aan:

 

Rond 12 uur ’s middags dag 1 of eerder: 90% van het meel = tarwebloem; 10% van het meel is roggebloem; 100% water daar roer ik het restje desem van vorige keer doorheen. In mijn geval is dat: 270 gram biologische tarwebloem; 30 gram biologische roggebloem met 300 gram water. Roeren tot een papje en daar voeg ik dan de desem van vorige keer bij.

  

Goed roeren totdat er een egaal, yoghurt dikke, pap ontstaat. Deksel erop en (bijvoorbeeld) op de salon tafel zetten naast de Valentijnsroos die je van je geliefde hebt gekregen (zoals ik!!!)

Ga leuke dingen doen en laat het maar even aan moeder natuur over. Natuurlijke gisten en bacteriën worden tot leven gewekt en denken maar aan één ding…nou…twee dingen: eten en voortplanten. Dat doen ze in rap tempo. En als dank spuien ze koolzuurgas en een beetje alcohol.

Na zo’n slordige zes uur (of korter of langer) is het een levendige bubbelende massa geworden. Tijd om brood te maken. Ik begin altijd rond een uur of zes ’s middags.

rond een uur of 6 ’s middags dag 1: (mijn recept voor 1 gewoon brood en 2 vloerbroodjes) 110 gram roggebloem; 110 gram volkorenmeel; 880 gram tarwebloem; 660 gram water; 300 gram desem.  GEEN ZOUT!!!! (het ene meel neemt meer water op dan het andere. 330 gram water is een richtlijn. zelf experimenteren! Leuk!! Zelfde geldt voor de desem. In de zomer heb je wat minder nodig.)

door elkaar mengen totdat elke korrel meel vochtig is en alles min of meer aan elkaar plakt. Afdekken en wegzetten. Stop een beetje desem in een afgesloten koelkastdoosje in de koelkast en bewaar het tot de volgende keer als je weer deeg gaat maken.

Je kunt nu lekker gaan koken en eten. Doe lekker rustig aan want moeder natuur is bezig om van meel en water brooddeeg te maken. Ze is gluten aan het vormen die het mogelijk maken om straks goed te kunnen rijzen. Dat doet ze helemaal zelf. Autolyse. Hetzelfde effect ontstaat door kneden. Dat doen we dus niet. Wij zijn lui, en…we houden van heel erg lekker brood. De Parijse kampioensbakker Djibril Dobian gebruikt deze methode ook. Het werkt dus echt. Kneden is echt voor de ADHD, domme thuisbakker! Bij autolyse worden door het mengen van meel en water enzymen geactiveerd die eiwitten uiteen laten vallen waardoor gluten ontstaan. Niets doen, levert het lekkerste brood op. Terwijl jij lekker een vorkje aan het prikken bent vormt het deeg zichzelf.

Rond een uur of half acht ’s avonds dag 1: Meng 2% zout door het deeg. Ik gebruikte in totaal 1100 gram meel dus:  22 gram zout. Goed mengen! Tijdens het mengen zal je ontdekken dat het deeg al behoorlijk elastisch is geworden!

Na deze exercitie ben je makkelijk op tijd voor het achtuurjournaal. Met een lekkere bak koffie (ik) of thee (Josien). Het deeg mag weer een uurtje of wat rusten.

Rond een uur of negen ’s avonds dag 1: Vouwen. De bedoeling is dat je spanning op het deeg zet. Dat je de gluten een duwtje in de rug geeft. Omdat vouwen een geweldig ingewikkelde handeling is, heb ik Josien mijn handen laten filmen terwijl ik het deed! Succes!

Na het vouwen stop je het deeg weer in je afgesloten bak en laat je het rusten. De gisten beginnen aan het echte werk; het produceren van koolzuurgas (en alcohol).  Doordat ze dat in je van gluten vergeven deeg doen, vormen zich allerhande kleine belletjes in het deeg. Rijzen noemen we dat. Maar daar gaan al die natuurlijke gisten nog tijd genoeg voor krijgen…dit is nog maar het begin.

Rond half elf ’s avonds dag 1: We gaan de broden vormen door op te bollen en op te punten. Moet je maar op youtube opzoeken; Josien had even geen zin meer om mijn handen te filmen. Zeker voor deeg dat je in een rijsmandje gaat stoppen en dat je op de vloer gaat bakken, is dit opbollen van groot belang. Doe je het niet, dan wordt het een pannenkoek terwijl je… een brood wil.

Ik deel het deeg in tweeën. Eén helft wordt een gewoon brood in een bakblik. Het andere deel deel ik weer in tweeën en bol ik op om in de rijsmandjes te stoppen en later op de vloer te bakken.

Opgebold deeg klaar voor het rijsmandje

Als alles in de vorm zit…dekken we het af, zetten het in een koele(r wordende) kamer en gaan lekker naar bed!

Welterusten!!!