Een bange struisvogel

Ik dacht dat ik een uitzondering was. Maar natuurlijk is dat niet zo. Hele volksstammen lijden eraan. Hypochondrie. Het gevoel dat je een verschrikkelijke ziekte onder de leden hebt en dat je het niet meer lang gaat maken. Ik heb er zelf behoorlijk veel last van. Vooral in het combineren van lichamelijke sensaties en daarmee het verzamelen van symptomen. Ik luister dan ook heel erg goed naar mensen die een verschrikkelijke ziekte hebben. Wat voelden ze precies toen men de ziekte ontdekte? Wat waren de eerste itekenen dat er iets mis was? En dan maar voelen bij jezelf…Had ik daar geen pijntje… of daar? Maar nog liever hoor ik er niets over, want altijd vissen naar pijntjes in mezelf is erg vermoeiend…en het maakt me dus bang.

Hypochondrie deed mij niet mijn leven veranderen terwijl je dat wellicht wel zou verwachten. Mijn opa ging dood aan longkanker en één voor één vielen mijn ooms. Allemaal zware rokers. Ik was destijds ook een zware roker. Voordat ze stierven aan de gevreesde ziekte, vertelden ze steevast dat het begon met een zeurende pijn in hun rug. Toen dat tot mij doordrong voelde ook ik daar de pijn. Ik rookte een sigaretje en voelde een pijn in mijn rug die maar aanhield en maar aanhield. Geen stekende, maar een zeurende pijn. Zoals mijn opa en ooms hem beschreven hadden. En door dat roken van mij had ik best een kans om die gevreesde ziekte te krijgen. Dus zo gek was die zeurende pijn niet.

Maar hypochonder of niet; dreiging van kanker liet mij niet stoppen. Seks was bij mij de juiste snaar. De angst om nooit meer seks te kunnen hebben, dat deed het ’em. In de kamer naast me werkte een man van een jaar of vijfenvijftig. Een straffe roker. Om de zoveel tijd raakte de man in een diepe hoestbui. Daarmee leek hij zijn diepst zittende longblaasjes op te rochelen. Dat opgerochelde spul moest hij kwijt en omdat uitspugen heel onbeleefd was op het werk, slikte hij de zooi met veel misbaar door. Een misselijkmakende exercitie. Voor de toehoorder dan. Een bovenste beste aardige kerel, daar niet van, maar wat verschrikkelijk smerig. ‘Welke vrouw wil nou neuken met zo’n smeerpijp’, dacht ik. Niemand, besloot ik. En omdat ik toen nog lang geen vijfenvijftig was en omdat ik vreesde dat als ik door ging met roken, ik op mijn vijfenvijftigste ongeveer net zo’n rochelende hoest zou hebben als hij, stopte ik subiet met roken. Ik wilde neuken tot aan mijn levenseinde!

Maar dat alles neemt niet weg dat ik bang ben voor alles. Als de plas een dag niet lekker wil stromen: Prostaatkanker. Als ik last heb van een bubbelbuik: Darmkanker. Als ik pijn in mijn rug heb: Lonkanker (de angst is zeker nog niet weg). Steken in mijn  ballen: Balkanker (echt het allerergste wat je kunt krijgen). Er komt – of er is – een bevolkingsonderzoek naar darmkanker. Zal ik meedoen of niet? Als ik meedoe en ik blijk inderdaad kanker te hebben, dan is mijn gelukkige leventje voorbij. Dan wordt het ziekenhuis mijn tweede huis. Verschrikkelijk. Als ik niet aan het onderzoek meedoe, dan heb ik misschien kanker zonder dat ik het weet en dan ben ik ineens dood. Maar stel dat ik meedoe en ik heb geen kanker…dan zou ik het een maand later wél kunnen hebben; garantie tot de voordeur, dus. Ik weet het gewoon nog niet. Ik heb ook nog geen uitnodiging gekregen, trouwens. Ik lees er net over in de krant. Lezen over kanker…ik doe het liever niet…Een bange struisvogel, dat ben ik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code