Het leven is te mooi!

Op mijn bureau ligt ‘Business Analysis; third edition’. Ik heb het via Internet besteld. Tweedehands, want ik wilde de kosten beperkt houden. Toen het binnen was en ik het uit de gewatteerde envelop had gehaald, wist ik het al: Dit boek gaat een tijdje op mijn bureau liggen. In die tijd maakt het me bijzonder somber. Het eind van het liedje is dat ik het in de kast stop. Ongelezen. En met het verdwijnen van dit boek van mijn bureau, keert mijn levensvreugde terug; wat de consequenties ook zijn. Maar zover is het nog lang niet, helaas. Naast mijn toetsenbord walmt het boek haar ongeëvenaarde saaiheid.

2016-10-30-08-01-04

Laat ik het beestje maar bij zijn naam noemen: Bij mijn werkgever is het kommer en kwel. De financiële sector. Jarenlang was in deze sector de sky the limit. Er werden kapitalen verdiend. Over de ruggen van argeloze mensen en een argeloze overheid heen. Daar is met straffe hand een einde aan gemaakt. Nu mag er in de financiële sector eigenlijk helemaal niets meer verdiend worden. Ook niet goed, maar draai de publieke opinie maar eens om. Men blijft het idee houden dat het grote geld in de financiële sector zit. Misschien denk ik het zelf ook nog wel. Voel ik het nog…

Ik ben bij een bedrijf in de financiële sector gaan werken omdat ik een rijke werkgever wilde. Ik hoopte de overstap te maken naar baden in weelde. Bij mijn vorige werkgever had ik zo’n beetje alles meegemaakt wat je als werknemer kunt meemaken in het bedrijfsleven (lelijk woord!). We waren juichend eerste; de absolute marktleider. Vandaar zakten we af naar tweede speler op de markt. Daarna gingen we pardoes failliet. Vervolgens een doorstart bij een grotere broer en uiteindelijk trok grotere broer de stekker eruit. Dat was allemaal niet fraai en kostte ons veel kopzorgen. Bovendien zat ik voor die werkgever veel in de auto; hij zat nogal een eind van Amsterdam vandaan.

Daarom dus de financiële sector. Rijk en lekker dicht bij huis. De kopzorgen waren er net zo goed, maar dan anders. Morele kopzorgen. Ik hou niet van bedrijven die winst maken over de rug van argeloze, hoewel op geld beluste, mensen heen. Het eerste waar ik mee geconfronteerd werd waren de wurgpolissen. Door een tegenvallende beurs moesten mensen eindeloos meer betalen voor hun kapitaalverdubbelingspolis dan ze er ooit voor terug zouden krijgen. Dat terwijl de provisie en de kosten rijkelijk in de zakken van de tussenpersoon en de verzekeraar vloeide. Dat voelde niet goed, en het was niet goed.

Door al dat stevige aanpakken van de sector zijn de inkomsten dramatisch gedaald en is binnen de sector ‘kostenbesparing’ het mantra geworden. Kostenbesparing = ‘mensen ontslaan’. Daarvoor halen ze alles uit de kast. Wie het examen ‘Business Analysis; third edition’ niet gehaald heeft, kan het wel vergeten. Vandaar dat er een dreigend boek op mijn bureau ligt. Naast mijn toetsenbord. Zo verschrikkelijk saai! Als ik het boek zie dan daalt de somberheid op mij neer. Ik ga het niet lezen. Waarschijnlijk. Ik zou niet weten hoe. Het leven is te mooi voor ‘Business Analysis; third edition’. Echt te mooi!

In Daubigny’s voetsporen – tentoonstelling in het Van Goghmuseum in Amsterdam.

Gisteren heb ik mij weer eens heerlijk in de negentiende-eeuwse schilderkunst gewenteld. In het Van Goghmuseum deze keer. Net even voordat ik alles van het Van Goghmuseum wilde gaan vervloeken in de gele rij tussen het Van Goghmuseum en het Stedelijk museum in, zag ik dat ik via de oude hoofdingang zo naar binnen kon lopen. Maar voordat ik dat ontdekte stond ik me in de miezerregen te verbijten en me af te vragen of de toegang tot het museum niet beter geregeld kon worden. Mensen moeten tussen de twee musea in de open lucht in de rij gaan staan. Twee rijen. In Nederland, waar het vijftig procent van het jaar regent. In een lange groene rij voor mensen die nog geen kaartje hebben. Een iets kortere gele rij voor mensen die al wel een toegangskaart hebben. In beide rijen zat tien minuten lang eigenlijk geen beweging. Als toerist ben je eerder in het Louvre dan in het Van Goghmuseum. Maar goed, ik mocht met mijn museumjaarkaart door de oude hoofdingang en daar stond helemaal geen rij. Was wel prettig, maar voelde helemaal niet goed.

Ik heb de tentoonstelling ‘In Daubigny’s voetsporen’ bezocht. Daarin het verband tussen de gearriveerde kunst en de aanstormende kunst van bijvoorbeeld Vincent van Gogh. Ik moet constateren dat er een grote revival is van de voorlopers van de impressionisten en Van Gogh. In musea, maar zeker ook bij mij. De Nederlandse romantiek was in mijn ogen altijd lachwekkend. De voorgangers van de impressionisten in Frankrijk waren vooral interessant omdat de impressionisten zich tegen hun kunst verzette. Dat is een beeld dat we hadden, maar in hoeverre was dat beeld juist? Daarop lijkt men steeds meer terug te komen. Daar lijk ook ik steeds meer op terug te komen.

Daubigny was een schilder die zeer succesvol exposeerde in de Salon in Parijs. Zijn werk werd geroemd. Daubigny was een landschapschilder. Hij schilderde landschappen en verder eigenlijk niets. Dat deed hij aanvankelijk fotografisch. Heel precies schilderde hij wat hij gezien had. Doorgaans een landschap in de avond. Vaak water waarin alles zich weerspiegeld. Druk je je neus tegen het schilderij, dan zie je dat er in de schaduw en de duisternis figuren zitten. Dat er een mens langs de waterkant zit of een koetje staat te grazen. Maar donkerte en weerspiegelingen is zonder meer het handelskenmerk van Daubigny. Sta je midden op de tentoonstellingsvloer en kijk je om je heen dan kan je zonder meer de schilderijen van Daubigny en de anderen zo uit elkaar halen. De frisse heldere kleuren van de Monet en Vincent van Gogh en de gouden omfloerste gloed van Daubigny. Hoewel…er hangen ook schilderijen van Pissaro. Schilderijen voordat hij met zijn beroemde puntjes ging experimenteren. Schilderijen die erg traditioneel aandoen. Die schilderijen hebben, qua kleurstelling, veel gemeen met Daubigny’s doeken.

Daubignys schilderijen in de schemering
Daubignys schilderijen in de schemering

Het interessante van Daubigny is, dat hij een ontwikkeling doormaakt. De schilderijen uit het begin lijken niet op de schilderijen die hij aan het eind van zijn leven maakte. Ik zie twee grote veranderingen: De schilder pakt zijn ezel, doeken, verf en panelen en gaat daarmee naar buiten. Wat hij daar in de werkelijkheid ziet zet hij op het doek. De andere verandering is dat hij zijn fijnschilderkunst wijzigt in het met grote halen neerzetten van wat hij ziet, maar schijnbaar ook wat hij voelt. En daarmee komt hij dicht bij de impressionisten. Alleen blijft Daubigny een grote voorkeur houden voor de schemering. Hij zal nooit naar de heldere en frisse kleuren grijpen die bijvoorbeeld Monet gebruikt.

Wat ik een leuke vondst op de tentoonstelling vond, waren drie velden met klaprozen. Eén geschilderd door Daubigny, één door Monet en eentje door Vincent van Gogh. Daubigny schildert een klaprozenveld in de schemering waarin je in de schaduw de mensen ziet lopen. Een helder en sprekend klaprozenveld in de volle zon door Monet. En ten slotte de bijna-abstracte en compleet vernieuwende visie van Vincent van Gogh op een klaprozenveld.

Een leuk detail op de tentoonstelling zijn de atelierboten van Daubigny en Monet. Beide schilders hadden op een boot een hut laten bouwen waarin ze hun schilderspullen kwijt konden en waar ze, overdekt, buiten op het water, de natuur konden schilderen. Een luxe die Van Gogh zich niet gegund heeft. Waarschijnlijk ook nooit aan gedacht heeft. Laatst bezocht ik paleis Het Loo en daar bleek Wilhelmina ook over een dergelijke atelierboot te beschikken. Maar dan niet zo’n aftands bootje waar de beide schilders over beschikten, maar een koninklijke boot. Van redelijk wat gemakken voorzien.

Vincent van Gogh woonde tijdens de laatste periode van zijn leven in het dorpje Auvers-sur-Oise. In hetzelfde dorpje heeft Daubigny gewoond. De schilder zelf was op dat moment al overleden. Zijn weduwe leefde nog in het huis. Van Gogh schijn haar opgezocht te hebben. Wat zij ook besproken hebben, de schilderijen die hij van haar tuin maakten zijn onmiskenbare Van Goghs. Het schilderen van de tuin van Daubigny deed Van Gogh als eerbetoon aan zijn zeer gewaardeerde voorloper en vakbroeder. Leuk dat wij schilders van die tijd ook zijn gaan omarmen.

 

Schapenstront eten.

Afgelopen mei waren wij een weekje in Madrid. Een heerlijke stad. Met een fantastisch museum waar we onze ogen uitgekeken hebben. Op dat moment was er veel te doen om Jeroen Bosch. Het Prado is eigenaar van de grootste collectie Jeroen Bossen. Ik heb een poos gestaan voor de Tuin der Lusten. Een enorm schilderij dat overvol is met de meest fantastisch dingen. Er staat zo verschrikkelijk veel op dat je niet weet waar je beginnen moet. Als je me nu vraag wat er op dat schilderij te zien is, dan kom ik met een hoop details aan: Blote meisjes in een meertje met een appel op hun hoofd. Natuurgetrouwe vogeltjes die je zo in de natuur kunt tegenkomen. Het zijn details. Het grote overzicht ben ik nu al kwijt. Maar er hingen ook wel wat eenvoudiger schilderijen van Bosch. Ook schilderijen van Quinten Matsys hingen er. Opgeteld eigenlijk best veel schilderijen uit de Nederlanden. Allemaal uit de periode toen Nederland nog een onderdeel van het Spaanse rijk was.

Collecties van musea komen vaak voort uit door koningen en keizers opgebouwde kunstverzamelingen. Op een gegeven moment vindt men dit soort verzamelingen openbaar kunstbezit en worden ze in musea tentoongesteld. Dat is ook in het Spanje gebeurd. Philips II was gek op Nederlandse kunst. Daarom haalde hij veel schilderijen uit de Nederlanden naar Madrid. Dat kon alleen in de periode dat de Spanjaard het in ons kikkerlandje voor het zeggen had. In de zeventiende eeuw moest Nederland weinig hebben van Spanjaarden. Dat was toen de onbetwiste vijand. Hoewel de Nederlandse schilderkunst een ongekende bloei doormaakte, kwam er weinig van die kunst terecht in Madrid. Vandaar de magere collectie zeventiende-eeuwse kunst in het Prado. Wel hing er een schilderij van de vrouwelijke schilder Clara Peeters. Ze is befaamd om haar levensechte eten-stillevens. In het Prado in Madrid is op dit moment een tentoonstelling van Clara Peeters lees ik in de Volkskrant. Een fascinerende schilder.

In het Mauritshuis liep ik aan tegen mijn eerste Clara Peeters. Stilleven met kaas, noten en krakelingen. Een onmogelijk precies geschilderd schilderij. Dat was ook de lol van dit soort schilderijen; je moest het gevoel hebben dat je zo een nootje kon pakken en een stukje kaas afsnijden. Ik hou erg van dit soort schilderijen. Het schilderij hangt nu even op de tentoonstelling in het Prado en niet in het Mauritshuis want op de foto die het Prado publiceert staat juist dat schilderij. Die foto heeft de Volkskrant overgenomen in de krant van vandaag. Het toont een soort kaas die mij nogal intrigeert; de groene kaas.

clara-peeters-in-het-prado

Die groene kaas op het schilderij is een schapenkaas. Hij komt aan zijn groene kleur doordat de wrongel gemengd werd met schapenmest. Dat kan je je niet voorstellen, nu, maar het is echt zo. Die kaas was ongekend populair. Ook een succesvol exportproduct, trouwens. Het moet een vrij pittige kaas geweest zijn die vooral gerijpt gegeten werd. Daardoor was hij vrij hard. Dat zie je ook op dit schilderij. Natuurlijk is het nu streng verboden om zo’n kaas te maken. Ik vind dat Jammer want ik ben geïnteresseerd in het verleden. Ook in de smaken van het verleden. Ik zou die kaas graag nog eens een keer maken (tenminste als er nog recepten van zijn) en geloof het of niet: Ik zou hem proeven. Zelfs als ik besef dat ik schapenstront aan het eten ben.

Samen uit samen thuis…

Frans Jozef en Gonnie van der Heijden waren beiden prominente leden van het CDA. Gezamenlijk namen ze het besluit om op hetzelfde moment uit het leven te stappen. Bovendien maakten ze er ook nog een politieke daad van door in hun rouwadvertentie hun politiek beladen afscheidsbrief te plaatsen. Met z’n tweeën uit het leven stappen…ik denk er weleens aan. Op mijn eentje verder na haar dood…lijkt me niet aantrekkelijk. Maar toch…

Als je het besluit neemt om gezamenlijk te gaan, dan denk ik dat je voor grote dilemma’s komt te staan. Je moet namelijk niet alleen een afspraak maken over de dood, maar die ook uitvoeren. Juist een afspraak maken over je eigen dood lijkt mij al een bijna onmogelijke zaak. In mijn ogen kan je wel een voornemen hebben om een eind aan je leven te maken, maar er moet altijd een escape zijn. Je moet altijd op het laatste moment kunnen zeggen ‘toch maar niet’. Volgens mij kán zelfmoord niet anders. Je maakt een afspraak met jezelf en die hoef je niet na te komen. Euthanasie is niet veel anders dan zelfmoord waarbij je je door een ander laat assisteren. Die assistent dient altijd rekening te houden met een op het laatst ‘toch maar niet’. Afspreken om zelfmoord of euthanasie te plegen kan al haast niet…maar hoe zit het dan met gezamenlijk zelfmoord plegen… Verschrikkelijk, lijkt me. Je blokkeert dan voor jezelf de weg terug.

Ik zag een tijdje terug een documentaire over een oud echtpaar waarvan de partners hadden afgesproken om tegelijk een eind aan hun leven te maken. De vrouw was al erg zwak van gezondheid, de man redde het nog best. Maar juist de vrouw leek te twijfelen. Je zag ook ruzietjes waarbij de man terugkwam op ‘hun afspraak’, en dat ‘afspraak afspraak was’.  En dan stemde zij maar weer in. Op het moment suprême verordonneerde de man dat zij als eerste moest gaan, want hij wilde voorkomen dat zij zo erg ging twijfelen dat ze het toch niet deed. En zo ging het. De vrouw overleed en toen de man aan de beurt was, twijfelde hij en liet hij het moment aan zich voorbijgaan. Hij besloot verder te leven. Hij zocht troost bij een oude vriendin en leefde nog eventjes erg gelukkig. Josien en ik waren geschokt.

Het ligt voor de hand om te denken dat het zelfmoord met voorbedachten rade was. Dat hij er welbewust naartoe gewerkt heeft dat zijn ziekelijke vrouw waarvoor zijn liefdesvuur al eeuwen geleden gedoofd was, zelfmoord ging plegen zodat hij nog een laatste stukje levensgeluk kon zoeken. Kan zijn. Maar het kan net zo goed zijn dat hij van ‘goede wil’ was maar op het laatste moment twijfelde. Dat mag dus als zelfmoordenaar. Je mag twijfelen en op je besluit terugkomen. Maar in dat geval heeft hij zijn ex-vrouw wel erg richting haar eigen gekozen dood gemanipuleerd. Ik vrees dat de man uit deze documentaire heel wat uit te leggen had aan de hemelpoort.

Als ik dood ga, dan doe ik het alleen; met of zonder hulp. Dat is wel duidelijk. Niks samen uit samen thuis… Ik maak er geen afspraken over!

Einde van Europa?

Soms besef ik me hoe kort na de oorlog ik geboren ben. Veertien en een half jaar. Dat lijkt lang, maar is verschrikkelijk kort. Het trauma van de oorlog zat er toen nog goed in. Alle volwassenen die op dat moment leefden, hadden de oorlog meegemaakt. De oorlog was nog steeds het gesprek van de dag. Of er werd schreeuwend over gezwegen. Op zondagochtend gingen wij vaak op bezoek bij opa en oma van mijn vaders kant. Het was daar knus en warm. Mijn zachte oma verwende mij met een glaasje kinderbier en een koek. Ik herinner me vooral winterse zondagen. Dan bewonderde ik een berg gloeiende kolen in de kachel. Het rood van de gloed golfde over de kolen heen. Ik hoorde de volwassenen praten. Mijn opa voerde altijd het hoogste woord. Verhalen vertelde hij die zich altijd ‘voor-de-oorlog’ of ‘in-de-oorlog’ afspeelde. Mijn oren waren gespitst want aan de sfeer proefde ik dat mijn opa een oorlogsheld was. Ik begreep weinig van de verhalen. Voor-de-oorlog en in-de-oorlog bleven als zin in mijn hoofd hangen.

Ook op school werd er veel over de oorlog gesproken. Vooral over hoe we zo’n oorlog in de toekomst zouden kunnen voorkomen. Samenwerken en gezamenlijke belangen was toen het antwoord. Daarom, zo werd ons geleerd, richtte verschillende landen allerhande samenwerkingsverbanden op. Eén van die samenwerkingsverbanden groeide uit tot het Europa van nu. Een duurzaam samenwerkingsverband dat een einde moest maken aan rampzalige oorlogen die de eerste helft van de twintigste eeuw teisterden. Succesvol, want oorlogen binnen dat verenigde Europa hielden op. Bovendien legde Europa ons geen windeieren. Het bleek zeer lucratief om samen te werken. Europa werd schatrijk.

Maar de oorlog werd langzamerhand geschiedenis. Op dit moment is er nauwelijks nog iemand in leven die echt de oorlog heeft meegemaakt. De laatste oorlogshelden zijn dood of stervende. Het is niet anders. Daarmee verdwijnt ook de idealistische kant van een samenwerkend Europa. Het gevolg is dat alleen de economische argumenten overblijven. Dat is te weinig naar nu blijkt. Als er geen goede idealistische redenen zijn om bij elkaar te blijven, waarom zou je dan niet weer apart gaan? Het sentiment voedt nu vooral het idee dat we weer ‘zeggenschap over onszelf’ willen hebben. Daartegen kunnen de voorstanders van een verenigd Europa alleen maar economische voordelen inbrengen. Maar die argumenten maken niemand warm. Dat soort argumenten zijn ingewikkeld en ondoorzichtig en schijn bedriegt. Brengen we bijvoorbeeld bergen geld naar de Grieken? Of brengen we bergen geld naar de Grieken zodat de Grieken onze banken kunnen betalen. De banken weer rijk worden en ons werk geven waardoor we met zijn allen rijk worden? Complex, allemaal.

De tegenstanders van Europa hebben inmiddels ontdekt dat het vrij gemakkelijk is om Europese verdragen te dwarsbomen. Zelfs als (bijna) alle regeringen het eens zijn over een verdrag, lukt het niet om verdragen te sluiten. Het Oekraïne verdrag bijvoorbeeld. Dat zal niet doorgaan. Het CETA verdrag ook niet. Zelfs als de Waalse regering het goedkeurt, dan zal het toch niet lukken om het ingevoerd te krijgen. Via referenda zal het worden afgewezen. Europa zal nooit meer in staat zijn om een gezamenlijk verdrag af te sluiten. Dat betekent dat Europa langzamerhand aan het afsterven is. Europa gaat dood net als de mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt.

Drammerig, gelijkhebberig en humorloos

Gisteren zaten Josien en ik voor de buis. We keken naar ‘Zondag met Lubach’. Lubach moest wel heel grappig zijn, als je de lachsalvo’s hoorde. Josien vroeg of die Lubach nou voor publiek zijn grappen maakte of dat het een lachmachine was die we hoorden. Ik antwoordde dat het volgens mij publiek was. Echt publiek. Ze rolden daar over de grond van het lachen. Wij niet. We zaten naast elkaar en lieten alles lijdzaam over ons komen. Zelfs geen glimlach.  Lubach dramde over van alles en nog wat. Lubach was heel erg overtuigd van zijn eigen gelijk. Ergerlijk humorloos overtuigd van eigen gelijk. Het maakte ons eerder chagrijnig dan aan het lachen. Maar toch…wat hadden die mensen in de zaal een lol.

Lubach dramde over ouders en het vaccineren van je kinderen. Natuurlijk wil je niet dat je kinderen doodgaan. Je wilt je kinderen ook niet te veel beschermen. Ze moeten nou eenmaal bepaalde zaken doormaken om evenwichtige volwassenen te worden. Als ouders heb je de taak om een evenwicht te zoeken tussen vrijheid en bescherming. Zo stond er afgelopen zaterdag een juichverhaal in de Volkskrant over moeders die hun kinderen twentyfourseven in de gaten hielden met gps-trackers. Dat kan helemaal niet goed zijn. Ik begreep dat gejuich in de Volkrant evenmin als het lachen bij Lubach. Kinderen moeten dingen meemaken en problemen oplossen. Daarvoor is vrijheid nodig. Ze moeten leren risico’s in te schatten. Daarbij kan het soms aardig mis gaan. Maar alle risico’s vermijden helpt echt geen zier. Je moet je kinderen de ruimte gunnen. Ook wat betreft ziektes moeten kinderen zaken doormaken om volwassen te worden. Dat was onze opvatting. Onze opvatting werd door beter-weet Lubach weggehoond. Humorloos weggehoond. Ik heb voldoende relativeringsvermogen om om mijn eigen dommigheid te lachen. Maar Lubach was niet grappig. Lubach was een vervelende gelijkhebberige drammer.

Toen onze kinderen de leeftijd hadden dat ze ingeënt werden, hebben Josien ik afwegingen gemaakt. We hebben ons heel goed laten voorlichten en we hebben informatie gezocht waar we maar konden. Op grond van dat onderzoek kwamen wij tot de conclusie dat we onze kinderen wilde beschermen tegen ziektes waarvan we het risico niet durfde te dragen. Toen bleven er ook wat ziektes over, waarvan we wel vonden dat de risico’s aanvaardbaar waren. Dat waren de ziektes die wij altijd kinderziektes hadden genoemd en waarvan de kans op complicaties erg klein was. Deze keus hebben we na hele zorgvuldige afwegingen gemaakt. Arjan Lubach zet ons weg als van alles en nog wat. En dan ook nog drammerig, gelijkhebberig en humorloos. Hou ik dus helemaal niet van.

Onze jongens hebben de mazelen gehad. Alle drie. Ze waren er dood en doodziek van. Maar daarna werden ze als sterkere mensen herboren. Wij zijn daarvan overtuigd.

De droge humor van Tex de Wit vonden we wel leuk. We hebben hem weleens sterker gezien, maar aanvaardbaar deze keer. Wat mij betreft de laatste keer dat we naar ‘Zondag met Lubach’ keken. Tex de Wit kijk ik dan wel op YouTube.

Mozart, Brahms en Beethoven – Nederlands kamerorkest

Gezien en gehoord op 22 oktober 2016 in het concertgebouw

Het Nederlands Kamerorkest speelde gisteren zonder dirigent. Dat doet dat orkest wel vaker. Maar, aan de andere kant, gebeurt het ook regelmatig dat er wél een dirigent op het verhoginkje staat. Ik had altijd het idee dat er een dirigent ingehuurd werd als de muziek erom vroeg. De muziek vraagt erom zodra de muziek geschreven is in een periode dat het gebruikelijk was dat er een dirigent voor het orkest stond, dacht ik. Zo was het in de barok en classisme ongebruikelijk om een aparte dirigent te hebben. Tenminste een dirigent zoals wij hem nu kennen. Soms was er wel iemand die de maat sloeg, maar die gebruikte dan een stok die er wezen mocht. Een echte. De componist Lully verbrijzelde zijn teen met zo’n stok en overleed vervolgens aan koudvuur. Probeer dat maar eens met zo’n moderne baton… Langzamerhand, zo rond Beethoven, kwam de moderne dirigent op. Met als eerste hoogtepunt Richard Wagner. Over zijn uitvoering van de negende van Beethoven zijn boeken volgeschreven. Hij schijnt de eerste te zijn die hele melodielijnen in de lucht tekende. Hij zwaaide het orkest, volgens de overlevering, naar grote hoogte. Vanaf toen stond er eigenlijk altijd een dirigent voor een orkest, ook als er, bijvoorbeeld, muziek uit de barok gespeeld werd.

Het Nederlands Kamerorkest lijkt weer terug te gaan in de tijd en de dirigeertraditie over te nemen van de periode waarin de muziek die zij spelen, ontstond. Vanuit dat standpunt zou je verwachten dat het Nederlands Kamerorkest zich laat dirigeren vanaf de muziek van Beethoven. Dat was gisterenavond niet zo. Gordan Nicolić, als concertmeester en als solist, leidde het orkest terwijl ze Beethoven en Brahms speelde. Zonder baton maar met zijn viool. En met zijn lichaam. Is een dirigent dan eigenlijk helemaal niet nodig?

Het concert opende met de Ouverture van Don Giovanni van Mozart. Juist die Ouverture kwam bij mij vaak wat rommelig over terwijl een aparte dirigent in Mozarts tijd niet altijd gebruikelijk was. Maar hoe dan ook, wat een fantastische muziek. Dreigend en humoristisch tegelijkertijd. Met kleine verwijzinkjes naar de muziek die komen gaat. Ondanks die rommelige indruk een mooie binnenkomer.

Daarna Brahms. Ik lees het programmaboekje altijd met veel plezier. Kees Wisse vertelt een anekdote over de ontstaansgeschiedenis van het dubbelconcert. Violist en innige vriend Joseph Joachim, voor wie hij zijn vioolconcert geschreven had, lag in echtscheiding. Met de beste bedoelingen ging Brahms ‘helpen’. Gevolg was een breuk tussen componist en violist. Jaren later lukte het Brahms de vriendschap te herstellen met het dubbelconcert. De opdracht: ‘Aan hem voor wie het werd geschreven’ zal voor Joseph Joachim voldoende duidelijk zijn geweest, want vanaf dat moment waren ze weer vrienden. Gordan Nicolić dirigeerde dit dubbelconcert als een ouderwetse Stehgeiger. Mario Brunello nam de cello partij voor zijn rekening.

Het concert begint met twee maten orkest gevolgd door de cadans van de cello. Lijkt me uitermate moeilijk. Je krijgt geen gelegenheid om de zaal aan te voelen, je geluid te voelen vibreren in een ruimte met zoveel mensen en met zo’n akoestiek. Je moet er meteen staan. Helder en duidelijk. Dat mislukte, vond ik. Brunello had tijd nodig die hij niet had. Zijn eerste cadens voelde niet goed, alsof hij zichzelf en zijn klanken nog moest vinden. De rust om alles uit te strijken en met sonore klanken zijn instrument te laten zingen. Dat lukte gewoon niet in die eerste cadans die er zo snel was. Gelukkig haalde hij later alles weer in, maar het begin stond er gewoon niet. Nicolić daarentegen, stond er wel. Hij was de onbetwiste leider en bracht het geheel naar grote hoogte. Bewonderenswaardig! Hoewel hij regelmatig zijn strijkstok als dirigeerstok gebruikte, kon dat natuurlijk niet op het moment dat hij speelde. Dan gebruikte hij de rest van zijn lichaam om de nuances in het concert te krijgen. De versnellingen en de vertragingen, de timing van de inzetten, het zat er allemaal in en kennelijk reageerde het orkest op het lichaam van Nicolić. Wij begrepen niet hoe, maar het klonk perfect. Kennelijk is een aparte dirigent bij Brahms niet nodig, of… lukte het Nicolić om dat goed te combineren met de solopartij. Knap…razend knap…denk ik.

Na de pauze de tweede symfonie van Beethoven. Ook zonder dirigent. Nicolić als concertmeester. Ook hier veel lichaamstaal. Maar daarvan vraag je je af of iedereen in dat orkest dat lichaam kan zien. Ik betwijfel of de blazers überhaupt Nicolić konden zien. Hoe weten zij dan het tempo? Hoe weten zij wanneer precies in te zetten? Ik weet het niet, maar het klonk fantastisch. Ik heb gewoon zitten genieten. Ik kan niet anders zeggen. Voor mij was Beethovens symfonie het hoogtepunt. Inderdaad, zoals Van Wisse in het programmaboekje schrijft, vol van verlangen, vol van levenslust, niks woeste kop maar een nog lachende Beethoven. De Beethoven die weliswaar door de demon van zijn beschonken vader achtervolgd werd, maar nog betoverd kon worden door de geluiden om hem heen. De nog horende Beethoven.

Het laatste deel vind ik iets heel speciaals hebben. Aan de het hoofdthema gaat iedere keer een soort oprisping vooraf. Het voelt merkwaardig maar brengt de muziek wel in evenwicht. Mooi, erg mooi.

Tenslotte dan de vraag: Is een dirigent dan eigenlijk helemaal niet nodig? Geen idee, als je het mij vraagt. Gisterenavond was het kennelijk niet nodig. Dat kan ik wel concluderen!

Het persmuseum en Sinterklaas

In het persmuseum is een tentoonstelling over Sinterklaas. Er worden foto’s getoond van intochten van Sinterklaas door de jaren heen. Ik heb het van horen zeggen en van de tv. Zelf ben ik nog niet in dit museum geweest. Wat ik wel tegenkwam is een foto van de intocht van Sinterklaas in 1965 in Amsterdam. Het is een foto die ze op het journaal lieten zien en die mij erg aan het hart gaat. Ik sta op die foto. Nee, niet echt, maar die Sinterklaas en die hoofdpieten en die schimmel heb ik langs zien komen. Ik kijk naar mijn eigen onschuld als ik naar die foto kijk. Voor mij waren het geen blanken verkleed als zwarten, geen blackfaces, geen karikaturen van negers en ook geen lijdende slaven. Helemaal niets van dat alles. De zwart gekleurde mensen waren zwarte Pieten en de ongekleurde mensen waren witte pieten. Niets meer en niets minder. Beiden soorten pieten verwezen naar niets anders in de werkelijkheid dan naar zichzelf. Een soort priem-entiteiten. Pieten hoorden bij Sinterklaas. Sinterklaas was onbereikbaar en de Pieten waren zijn vertegenwoordigers op Aarde. Zij luisterden naar onze mooie liedjes, zij stopten lekkers in onze schoen en zij geven een standje als je stout was. Daarom hadden we ontzag voor Zwarte Piet.

Intocht van Sinterklaas in 1965 op het Rokin in Amsterdam
Intocht van Sinterklaas in 1965 op het Rokin in Amsterdam

De foto waarop Sinterklaas op zijn paard langs de – lang geleden overleden – hamburgertent Wimpy geleid wordt op het Rokin, brengt mij terug naar mijn onschuldigste tijd ooit. Het gevoel dat niets mis kon gaan, dat iedereen van je hield, dat er geen problemen waren en dat je helemaal nergens aan hoefde te denken want dat deden anderen voor je. Sinterklaas was belangrijk. De volwassenen wilden alleen maar dat je gelukkig was; daar hoefde je verder niets aan te doen. Sinterklaas heeft veel minder met kinderen te maken dan we nu beweren. Sinterklaas heeft bij uitstek met volwassenen te maken. Met de herinneringen van volwassen mensen. En met de wens van volwassenen om hun kinderen diezelfde warme herinneringen te geven. Ieder jaar als Sinterklaas terugkomt worden velen weer eventjes de peuters die ze toen waren. Dat zit dan ook heel diep. Het doet mensen bijna fysiek pijn als de warme herinneringen aan een periode, waarin je zo onschuldig was, bezoedeld worden. Zeggen dat Zwarte Piet racistisch is, is misschien vanuit een rationeel oogpunt wel juist, maar het bezoedelt meteen wel die warme herinneringen. Dat maakt de discussie elk jaar zo complex en explosief.

Ik heb het hele interview van 18 november met Gloria Wekker in de Volkskrant gelezen. Haar politieke keuze is fout; haar beweringen over Nederland en racisme zijn gebaseerd op drijfzand; haar ideeën over etnische quota op universiteiten is gek, haar analyse van Zwarte Piet is kolder, maar toch zegt ze iets verstandigs. Dat is best wel fijn als je jarenlang hoogleraar bent geweest. Ze vindt dat we op een niet bedreigende en niet beledigende manier moeten praten. (Open deur? Jazeker, maar desalniettemin een erg verstandige open deur!) Laten we Sinterklaas en Zwarte Piet als onderwerp nemen. Dat betekent dus geen acties bij de intocht; dat is zeer bedreigend en heel erg beledigend! Maar wel over een verandering van Zwarte Piet praten. Als volwassenen onder elkaar. En dan proberen om elkaars gevoeligheden te begrijpen. Moet toch kunnen?

Metamorfose

We stonden op het pleintje bij ons huis. Mijn moeder tilde mijn zusje in het stoeltje achter op haar fiets. Ik had mijn eigen fiets. Toen we wilden wegfietsen, kwam de auto van mijn vader de hoek om. Mijn moeder was duidelijk geërgerd; wil je net opstappen, komt hij weer langs. Ik was wél blij, want sinds hij niet meer thuis woonde, miste ik hem verschrikkelijk. Mijn vader stapte uit. Het gesprek tussen mijn ouders ontaardde al snel in heftige ruzie. Midden op straat. Ik vond het niet fijn dat mijn ouders, voor iedereen zichtbaar, stonden ruzie te maken. Bovendien vervulde me dat met angstige voorgevoelens. De laatste ruzie binnenshuis was rottig afgelopen. Mijn moeder had een fikse klap in haar gezicht gekregen. Omdat ze daarna de politie wilde bellen, sleepte mijn vader mijn moeder aan haar haren van de telefoon weg. Huilend en krijsend. Dat beeld verdween maar niet van mijn netvlies. Ik heb geen idee waar die ruzie midden op straat over ging, maar de ruzie eindigde ermee dat mijn vader de huissleutel uit zijn zak haalde en triomfantelijk in de lucht hield: ‘Ik kom en ga wanneer ik wil, begrijp je dat?’

Daarna stapte hij in zijn auto en reed woest weg. Op dat moment onderging mijn vader een metamorfose. Hij veranderde van geliefde vader in een ware bedreiging. Een gevaar. Hét gevaar. Er was niets ergers meer dan mijn vader die het huis binnen zou dringen. De gebeurtenissen volgden elkaar snel op. Mijn moeder kocht grote schroefogen en hangsloten. De buurman werd er met zijn boormachine bijgehaald om de huisdeur met schroefogen en de hangsloten te beveiligen. Mijn moeder bibberde van angst. Eén nacht brachten we zo door. Met een hele bange moeder. Bang voor de gewelddadige krachten van mijn vader. Toen gingen we met het hele gezin naar opa en oma. De stretchers in mijn opa’s studeerkamer werden voorlopig onze slaapplek. Ik moest naar de buurtschool in Westzaan. Tussen allemaal vreemde kinderen. Boerenkinderen. Veel slimmer dan de kinderen in mijn eigen klas, dacht ik, want er werden dingen in die klas behandeld waar ik nog nooit van gehoord had. Ik moest erg goed opletten want de meester die ik kreeg was niet erg blij met mij. Dat voelde ik wel. Ik deed mijn uiterste best. Ik kreeg zelfs een beetje verkering in die klas, maar daarover later misschien meer.

Na veertien dagen gingen we terug naar huis. Opa bracht ons naar huis. Mijn opa had zware schuiven gekocht die hij voor ons op de deur bevestigde. Die vervingen de hangsloten. En toen voelde mijn moeder zich veilig genoeg. Voor het slapengaan werden de schuiven op de deur geschoven en nog eens extra gecontroleerd.

Ik had ooit een vader waar ik gek op was. Die vader was zomaar veranderd in een gewelddadig monster waartegen we beschermd moesten worden. Dat was een ommezwaai waar je best een lenige geest voor nodig hebt. Een heel lenige geest. Die had ik niet. Teruggekomen op school verviel ik in apathie. Ik deed mijn best om van dat monster dat mijn vader was geworden niet te houden. Maar dat ging vanzelf fout. Want ik dacht aan voetballen samen. Ik dacht aan stoeien en zijn stevige handen die me vastpakte. Ik dacht aan muziek luisteren bij hem op schoot. Ik was gek op die kerel waar we zo verschrikkelijk bang voor waren. Daarover dacht ik de hele dag na en verder deed ik niets. Helemaal niets. Zeker niet op school.

 

Griep

Ik heb dus griep. Daar wordt ik niet vrolijk van. Ik vul de dagen met niets. Ik internet een boel, maar het dringt nauwelijks tot me door. Voel me er eigenlijk erg vervelend onder. Al het nieuws van de dag heb ik van links naar rechts en van rechts naar links gelezen. Het boeit me niet en ik kan me er maar moeilijk op concentreren. Vervelend, heel vervelend. Vannacht was het laatste debat tussen Hilary Clinton en Donald Trump. Donald Trump trekt, in het geval hij verliest, de eerlijkheid van de verkiezingen meteen in twijfel, heeft hij gezegd. Dat dat een bom legt onder het democratische systeem van Amerika kan hem weinig schelen. Hij ziet vooral zichzelf. Als de voortekenen juist zijn, dan gaat Clinton winnen en ik denk dat de wereld daar ietsje veiliger van wordt. Maar echt boeien doet dat me niet.

Ik wou dat ik van die vervelende griep af was en dat alles weer gewoon wordt. Ik wil mijn leven terug.

Gisteren heb ik de hele dag over mijn stukje gedaan. Uiteindelijk ben ik wel tevreden, maar wat kostte dat een moeite.

Vandaag hou ik het kort. Er zijn wel tienduizend dingen waar ik over wil schrijven. Een greep:

  • Interview met Gloria Wekker van eergisteren in de Volkskrant
  • De verspreiding van een anti homo foldertje afkomstig van een leipe turkse goeroe
  • De partij Denk
  • Het debat tussen Trump en Clinton
  • Van Agt en de geexecuteerde Molukkers (vervolg)
  • Van Agt moet voor het gerecht gebracht

 

Echt waar, inspiratie genoeg, maar puf te weinig. Morgen beter.