Pleur op!

Het is nog maar kortgeleden dat er elke ochtend een meisje of vier, strak in het gelid, opgesteld stond op de brug over de Egelantiersgracht naar het Amstelveld. Vier, soms drie en soms vijf meiden; ongeveer op dezelfde manier aangekleed. Met in ieder geval eenzelfde kleur jurk aan en een t-shirt met iets erop. Letters. Ik heb niet gelezen wat er over hun boezem stond geschreven op dat shirtje; ik wilde er zo min mogelijk aandacht aan geven. Ze keken vreemd onderdanig naar enkele andere meiden. Niet in de clubkleuren. Gewoon aangekleed. Deze meiden deelden de lakens uit. Ik zag toekomstige leden van het studentencorps in het gelid staan, schatte ik zo in. Om bij zo’n club te kunnen moet je eerst diep door het stof.  Moet je je onderwerpen aan de psychopathische luimen van medestudenten. Moet je soms onnadenkend en stom gedrag over je heen laten komen van mensen die eigenlijk te dom zijn om straks in de maatschappij iets te kunnen betekenen.

De Kerkstraat in Amsterdam heeft een hoog studentenvereniging gehalte. Want fiets je even door, dan zie je daar de jochies met colbertjes en stropdasjes lamlendig tegen elkaar hangen. Niet ’s ochtends, maar vooral als ik weer huiswaarts keer. Jiskefet en hun lullo’s in het echt, maar dan stukken jonger. Als ik er langs fiets kan ik het niet laten…”Zeg kerel, nog geneukt?” Ik hoor het ze zeggen. (Maar ik weet ook het antwoord: Nee!) Met zo’n hete aardappel in hun keel. Zijn die jongens erg, die meiden op de brug vind ik erger. Misschien omdat ik er minder mee vertrouwd ben, met meiden die dit soort idiote riten moeten ondergaan. Ook wellicht, omdat er een ridder in mij huist. Die ridder ziet het niet graag dat mooie, slimme en intelligente meiden worden vernederd. Jongens, wat heb ik ervoor gebeden dat mijn zonen geen corpsballen werden! Godzijdank werden mijn gebeden verhoord.

In het landelijke Groningen lijkt de meest dramatische studentenvereniging te zitten. Bevolkt door zwakbegaafden. Dat zegt ook wat over de kwaliteit van de universiteit, lijkt mij. Is dat niet die universiteit waar ze W.F. Hermans hebben ontslagen? Jazeker! Één van de groten der natie. Een auteur met een enorme impact op naoorlogse generaties schrijvers…en intellectuelen. In Groningen weet men kennelijk weinig op waarde te schatten.

De plaatselijke studentenvereniging zette een lijst online met meiden. Inclusief hun contactgegevens. Inclusief een (verzonnen?) ranking voor hun seksuele prestaties. Online. Een generatie die precies weet wat dat betekent. Online = vogelvrij. Voor altijd want: één keer online = altijd online. Voor iedereen toegankelijk. Voor iedereen…  Ze hadden moeten weten dat ze het zo’n meisje op zo’n lijst erg moeilijk maken… Nu  ook nog een verhaal van een jongen met hersenletsel na een ‘uit de hand gelopen’ ontgroening. Groningen en studenten…

Laat ik dit zeggen: Die vloggers in Zaandam vallen best mee als je ze vergelijkt met dit geteisem in Groningen. Als je hier als student (en lid van een gezelligheidsclub voor studenten) niet eens normaal kunt nadenken; niets begrijpt van oorzaak en gevolg: Pleur dan op!

 

Snel Internet

Wat heeft Internet nou te maken met het schrijven van een stukje? Bij mij: Een heleboel. Internet levert mij alle informatie die ik wil hebben. Als die informatie er niet is en ik heb er wel op gerekend, dan stokt het. Vandaag is internet niet vooruit te branden. Knarsetandend probeer ik van alles. Ik type een zoekterm in op Google en vervolgens is het wachten geblazen. En nog eens wachten geblazen. En dan, heel langzaam, komt de lijst van sites tevoorschijn. Maar dat is nog geen informatie. Daarvoor moet je een site bezoeken. Wachten, wachten en nog eens wachten. Mijn maag komt ertegen in opstand. Ik voel mijn bloeddruk stijgen. Ik reset internet ik reset mijn computer. Maar het haalt niets uit. Ik word er helemaal gek van. Ligt het soms aan mijn pc. Even kijken op mijn iPad. Daar dezelfde zoekterm op Internet. Wachten en nog eens wachten en na lang wachten een antwoord. Ook daar beroerd internet. Mijn handen verkrampen een beetje. Hoe nu verder. Waarom heb ik zulk slecht en traag internet. Wie doet mij dat aan? Ik zie het misprijzende gezicht van een van mijn zoons voor me terwijl hij naar het modem kijkt dat ik van UPC heb gekregen. UPC dat tegenwoordig ZIGGO is geworden. En mijn zoon kijkt laatdunkend naar het modem. ‘Je internet is wel goed, maar dat modem is crap.’ Oké, daar ligt het dus aan. Maar meestal heb ik geen klachten. Meestal type ik ‘ramp kerncentrale’ en spoelen alle nucleaire rampen met kerncentrales zijn over me heen. Als de laatste Tsunami die de kerncentrales in Japan verwoestte. Zo snel dus.

Vandaag niet. Vandaag raak ik gefrustreerder en gefrustreerder. Ik voel me compleet gestrest. Ik wil snel Internet! Ik wil kunnen zien wat ik zoek. Ik wil informatie die ik wil. Alles! Zoals ik gewend ben. Anders geen stukjes. Zet ik helemaal niets op papier! Mensen, wat word ik daar gek van.

Goed, dan maar uit mijn hoofd. Jezus dat valt niet mee. Zonder adequate informatie bij de hand. Met een klein beetje informatie…

Nee, ik kap ermee. Vandaag schrijf ik niet veel. Zonder Internet ben ik nergens. Zonder Internet ben ik tegenwoordig alleen nog maar bezig om weer mét Internet te zijn. Met snel Internet, want ik wil ook niet wachten. Mensen die geen verandering willen, begrijp ik wel, maar het is onzin. Elke dag, elke seconde verandert de wereld. Ja kan het niet tegenhouden. Mijn kinderen zijn geboren in een tijd dat Internet er alleen nog maar was voor ingewijden. Met behulp van UNIX-commando’s kon je een heel klein beetje communiceren met een handjevol andere fanatici. Nu is Internet nergens meer weg te denken. Dat mensen weer hun straat van vroeger terug willen met een etnisch eenvormige bevolking is net zo idioot als een leven zonder Internet. Het gaat niet meer en het kan niet meer. Tegen beter weten in blijf je altijd verlangen naar die periode dat een ander voor je zorgde en alle problemen van je vandaan hield. Naar vroeger toen alles zoveel beter leek. Waarom beseffen mensen dat niet? Waarom gaan ze in zee met onbetrouwbare politici die uitsluitend op dat gevoel inspelen? Waarom?

Ik wou dat ik weer lekker snel Internet had; word ik ook een heel stuk minder chagrijnig van.

Kooloog

Tweeëndertig jaar geleden schreef ik mijn laatste gedicht. Ik schrijf geen gedichten meer, omdat ik het niet goed genoeg kan. Tweeëndertig jaar geleden dacht ik dat ik het wel kon. Misschien was dat gedicht wel heel erg goed. Dat weet ik niet, want ik heb het niet bewaard. Gisterenavond zocht ik ernaar. Maar nee, nergens. Niet zo gek, want het gedicht schreef ik in het pre-digitale tijdperk. Op de computer zoeken is dus zinloos. Het gedicht zoals ik het geschreven heb, ben ik kwijt, maar de strekking is me bijgebleven. Nu tweeëndertig jaar later had mijn laatste gedicht iets profetisch.

Tweeëndertig jaar geleden waren Josien en ik net volwassen geworden samen. Vanaf het moment dat je de verantwoordelijkheid hebt gekregen over een kind, ben je volwassen, hoe oud of jong je ook bent. Wij waren nog jong, maar volwassen. En…ongegeneerd gelukkig. We waren, ondanks een heleboel kleinere of grotere problemen, ongehoord gelukkig met ons tweeën en die derde, ons kind, was zo welkom als iemand maar kan zijn. Al onze probleempjes van toen waren naar de achtergrond geschoven. Die hadden nauwelijks betekenis. Dat ik niet meer wist hoe ik verder moest met mijn studie, dat Josien ook de draad kwijt was van haar studie. Dat we feitelijk geen inkomen hadden. Dat we ook geen woning hadden en het met een tochtig krot moesten doen; het was allemaal onbelangrijk. We lagen samen in bed met de baby tussen ons in. Alleen maar genieten. We vergaten de rest. Wij met z’n drieën in een cocon van geluk.

We werden, net als elk zuigelingen gezinnetje, geleefd door de voedingen. En zo zat ik op een nachtelijk tijdstip in de huiskamer. Moe maar gelukkig. En ik wilde schrijver worden, maar had ook juist in die dagen het besluit genomen dat niemand ooit onder mijn schrijverschap zou lijden. Ik keek daarbij naar geliefde en zoon. Omdat de schrijver die dat besloot (ik, dus), vrijwel geen zin op papier zette, was het besluit om niemand ooit te laten lijden onder het schrijverschap ook meteen het einde van dat schrijverschap; deze jongen ging niet gekweld lopen doen over een writersblock ofzo. Maar als het kwam, dan kwam het. En in die nacht op dat onmogelijke uur, kwam het. Een gedicht. Ik schreef een gedicht over een kooloog. Een jongen met diepzwarte ogen. Mijn babyjongetje had een kastanjebruine kuif en diepzwarte ogen. Kooloog is een lekker woord. Allemaal o’s. Rond en warm.

In het gedicht vergeleek ik mijn moeizame zoektocht naar mijn liefste met zijn zoektocht in de toekomst. En ik zag toen in die nacht, dat er een verschil zou zijn tussen zijn binnen- en buitenwereld. In de buitenwereld zou er een rijzige, mooie, donkerogige man zijn. Sterk en slim. Intelligent en atletisch. Geliefd bij vrouwen. Maar zijn binnenwereld was gevuld met onzekerheid over eigen kunnen. Een binnenwereld die kansen niet kon herkennen. Een binnenwereld die hem in de toekomst erg zou  beperken. Mijn gedicht probeerde zijn toekomstige persoon te helpen: ‘treedt naar buiten want ze smachten naar je, ze willen je!’

Maar ik heb het gedicht niet meer en het heeft die baby van toen ook niet veel geholpen, trouwens. Zijn strijd tussen binnen- en buitenwereld is heftig, heel erg heftig. Ik weet niet meer hoe ik hem kan helpen…

Ik schrijf geen gedichten meer. Soms probeer ik het nog weleens…maar nee. Kooloog…

Hoogtevrees

Toen Josien en ik 5 jaar getrouwd waren, kregen wij van onze beider families een reisje naar Parijs aangeboden. Dat wil zeggen, onze ouders wilden wel op onze kinderen passen. Die waren toen nog heel erg klein. Ik denk dat die reis naar Parijs ons eerste uitje met z’n tweeën is geweest, sinds we pappa en mamma waren geworden. Dat is dus heel lang geleden. In Parijs gingen we naar museum Gare d’Orsay. Dat was nog niet zolang voordien geopend. Een sensatie was het toen. Nu nog steeds, trouwens, vind ik. We genoten in dat museum met volle teugen van elkaar en onze vrijheid en de schilderijen. Ik keek naar de enorme stationsklok. Wat prachtig! Ik zag op dezelfde hoogte als de klok; mensen lopen. Kennelijk was daarachter een verdieping waar je kon lopen daar hoog in dat station. Josien en ik bezochten de ene verdieping na de andere. Overal de mooiste schilderijen. Totdat we op een hoge verdieping waren. We liepen een gang door en op het moment dat ik daar liep besefte ik dat dat die hoge brug moest zijn. Achter de klok, waar ik op de benedenvloer naar had staan kijken. Zo verschrikkelijk hoog! Het zweet brak mij uit. Ik werd duizelig en had moeite om me voort te bewegen. Josien vroeg wat er aan de hand was, maar ik kon alleen maar piepen. Van de ene op de andere dag had ik hoogtevrees gekregen. Jarenlang hield die vrees mij tegen om leuke spannende dingen te doen.

Na verloop van tijd besloot ik dat het afgelopen moest zijn. Veel leuke dingen ontglipten me omdat ik een bangeschijtert was. Dat wilde ik gewoon niet. Daarom begon ik een campagne om mijn angst te overwinnen. Nou ja…zo bewust ging dat niet. Josien en ik waren op vakantie in Letland. We hadden onze tent opgezet op een camping bij een heel klein plaatsje. Cultuur troffen we daar nauwelijks aan. Er viel gewoon helemaal niets te beleven. Behalve een kerkje dan. Daarom besloten wij het kerkje te bezoeken. Binnen was het kerkje niet veel meer dan een holle ruimte met een kruis. Achter een tafeltje zat een vriendelijk uitziende dame. Communicatie was best moeilijk, daar in Letland. Maar…we begrepen dat we voor iets moesten betalen. Wij dachten dat het om toegang tot het kerkje ging. We vonden dat wel veel gevraagd voor zo’n kerkje van niets, maar omdat het om een bedrag ging dat nauwelijks in euro’s uit te drukken was, betaalden wij netjes. Met een vriendelijk doch dwingend gebaar wees het dametje op een deur. Dat bleek toegang te geven tot trappen waarmee je de toren kon beklimmen. Gammele trappen; dat zag ik zo; heel erg gammel. Goede raad was duur…wat zou ik doen: Teruggaan of doorgaan. Josien had inmiddels de eerste trap al beklommen en riep vrolijk naar beneden dat de trap steviger was dan hij eruitzag. Jaja… En toen nam ik het besluit dat mijn leven veranderde…en beklom de trappen. Bovenin hadden we een fantastisch uitzicht over eindeloze bossen en een kasteeltje in de verte. Ik had met trillende knieën een eerste overwinning behaald!

Sindsdien laat ik mij niet meer ringeloren door hoogtevrees. Gisteren gingen we appels plukken. En geloof het of niet: Daar stond deze moedigerd, wiebelend op een laddertje de hoogste appels te plukken. Mooie appels. Het is een uitzonderlijk appeljaar. Knoeperds plukte ik. In een uurtje hadden we vier kisten vol geplukt. Een overdaad aan appels voor deze ex-schijtert!

Gloria Wekker laat van zich horen!

Ik ben iemand die opkijkt tegen mensen die bij de universiteit werken. Ik heb een paar jaar gestudeerd aan de universiteit, maar nooit afgestudeerd. Ik ben een HBO’er. Een matig trotse HBO’er. In mijn beleving is hoogleraar het hoogste wat je kunt bereiken. Daar zit ook wat oneerlijks in. Geef ik toe. Iemand die je op een voetstuk zet, kan hard vallen. Sinds ik stukjes schrijf, ben ik regelmatig op hoogleraren gestuit die onzin verkondigden.  Zo beweerde een hoogleraar dat tachtig procent van de bevolking aseksueel is. Hoe komt hij eraan? Ik ben een hoogleraar tegengekomen die beweerde dat niet-religieuze mensen oppervlakkige mensen zijn. Sjonge… En ik heb een hoogleraar klinkklare racistische taal horen uitbraken: Als je velletje blank is, dan deug je niet. Gloria Wekker! Racist onder de antiracisten. Ik kan gerust stellen dat het hoogleraarschap in mijn brein onder druk staat, om het maar eens lelijk uit te drukken. Hoogleraren zijn me tegengevallen.

Gepensioneerd hoogleraar Gloria Wekker heeft opnieuw van zich laten horen. Sebastiaan Valkenberg schrijft daar een alarmerend artikel over in de Volkskrant. Volgens Gloria Wekker zouden mensen die werken en studeren aan een universiteit een afspiegeling moeten zijn van de samenleving. Ze wil etnische quota gaan aanleggen. Dat lijkt een nobel streven, maar is dat niet. Je gaat dan namelijk mensen discrimineren op grond van etnische achtergrond en huidskleur. Weliswaar positieve discriminatie, maar discriminatie. Etnische achtergrond of huidskleur gaat dan een rol spelen bij het benoemen van bijvoorbeeld een hoogleraar. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ongeacht de etnische achtergrond en ongeacht de huidskleur wil je de slimste en beste en innovatiefste en meest out-of-the-box denkende hoogleraren. Dat willen we, en niets anders; het moet ons niks kunnen schelen of een hoogleraar een gele, zwarte of een groene huidskleur heeft.

Ik denk niet alleen dat Gloria Wekker het helemaal bij het verkeerde eind heeft, met haar etnische quota, ik ben ook bang voor haar. Bang voor wat ze teweeg kan brengen. Gloria Wekker gelooft namelijk in collectieve schuld. Zij vindt dat iedereen met een blanke huid schuldig is. Vooral in Nederland. Want Nederland is vierhonderd jaar een koloniale mogendheid geweest. Daardoor beschouwen Nederlanders andere volkeren als minderwaardig. Bovendien waren onze blanke voorvaderen beruchte slavenhandelaren en slavendrijvers. Dat verleden is, volgens Wekker, in de blanke genen gaan zitten. Nu, in het postkoloniale tijdperk, willen wij, witjes, niet meer discrimineren, maar dat gaat niet; we zijn en blijven racisten in het diepst van ons wezen. Wij zijn schuldig!

Ik ben gedeeltelijk van joodse komaf. Ik doe er niets aan. Maar toch vrees ik antisemitisme. Ik weet dat de Surinaamse plantage-eigenaren en slavendrijvers niet zomaar Nederlanders waren. Dat waren vooral joodse Nederlanders. Joodse mensen behandelden in Suriname andere mensen als ‘hun negers’. Dat is geen bladzijde in de geschiedenis waar de mensheid trots op is. Maar ik zeg: Geschiedenis. Nare geschiedenis, maar geschiedenis.

Hoe lang duurt het nog voordat Gloria Wekker zegt dat slavendrijven en racisme in het joodse bloed zit. Dat de joden collectief schuldig zijn aan wat daar in Suriname enkele eeuwenlang is gebeurd? Hoe lang nog? Ik ben er bang voor. Heel bang.

Wie zonder zonden is…

Ik heb één keer een hetze meegemaakt die ons heftig raakte. Mijn geliefde vooral. In een golf die langzaam maar onstuitbaar op gang kwam en daarna in volle hevigheid over ons heen spoelde werd Josien van een geliefd persoon, iemand die zwaar gehaat werd. Vogelvrij. Iedereen mocht zomaar ineens roepen wat hij wou over haar. Er werd gejuicht als er iets negatiefs over mijn liefde en mijn leven werd gezegd. Bewijs of onderbouwing voor al het lelijks waarvan zij beschuldigd werd, was niet meer nodig. Voor een groep mensen was mijn liefde de slechtheid in persoon, een soort duivel. Ze kreeg haatmails, ze werd ontslagen en iedereen juichte het toe. En ik was machteloos; ik kon niets voor haar doen om alles te stoppen. Ja, ik kon haar troosten en haar de leuke kanten van het leven laten zien. Troosten…ach, dat ging soms nog wel, maar die leuke kanten van het leven…het was onbegonnen werk. Toegegeven, ze had een fout gemaakt. Ze had het team niet meegenomen in het besluit om het contract van een leerkracht niet te verlengen. Maar die leraar was een gevaar voor de school. Een overduidelijke pedo die zijn handen niet van de meisjes kon afhouden. De bewijzen daarvoor stapelden zich op. Maar bewijs maar eens dat hij meisjes tijdens het troosten zat te bepotelen. Dat soort mensen maakt zich uitermate geliefd bij iedereen; winnen het vertrouwen.  Niemand kon zich voorstellen dat zo’n leuke en aardige man je prinsesje van nog geen tien betast. Hoe moest mijn geliefde laveren tussen wat ze zag en wilde voorkomen en het vertrouwen dat de klootzak had weten te winnen? Een onbegonnen zaak. En daarna die hetze. Mijn liefste!

Dat is één van de redenen waarom ik tegen hetzes ben. Het vervelende van een hetze is, dat ze vaak zo terecht lijken. Maar jij en de publieke opinie kunnen het ook zo verschrikkelijk fout hebben. Neem mijn geliefde, neem Nurten Albayrak. Ik ben heus niet beter dan de rest. Ik heb ook emoties. Ik loop regelmatig achter de meute aan. Ik vind net ze goed dat de persoon in kwestie aangepakt moet worden. Maar als het op een hetze begint te lijken, dan probeer ik mezelf te corrigeren. Altijd. Niemand heeft een hetze verdiend.

Ik vind die Ismail Ilgun een enorme etterbak. Laat ik daar duidelijk over zijn. Ik heb hele nare dingen over hem geschreven. Hij heeft me zo kwaad gemaakt! Mensen bedreigen, politie treiteren. En dat deed hij met zoveel trots. En er dan ook nog eens geld mee verdienen! Ik wenste hem het ergste toe. Vanuit mijn emotie was de zwaarste straf nog niet zwaar genoeg. Maar tegelijkertijd corrigeerde ik mezelf. Ik geloof in de rechtstaat en niet in de emotie van het moment. Ik ben geen rechter. Ik laat het aan de politiek over om wetten te bedenken die mensen beschermen en daders aanpakken en ik laat het aan de rechters over om die wetten toe te passen. Aan het bedenken van wetten wil ik best, op mijn manier, een steentje bijdragen; daarom hou ik van politiek.

Nu is er een ware hetze losgebarsten tegen dat joch. Ismail Ilgun kan niet meer over straat. Niet alleen de politiek en de pers is bovenop hem gedoken. Hij is vogelvrijverklaard. Hij wordt achtervolgd. Uitgescholden. Geslagen. Daar hou ik niet van. We moeten wel beseffen dat het een jochie van nog maar negentien is. Heus, dat pleit hem niet vrij, maar hij heeft wel het recht om een fout te maken. Want wie zijn wij? Wie zonder zonden is werpe de eerste steen…

Diederik Stapel was de katalysator; meer niet.

Er woedt een klein wetenschappelijk oorlogje onder sociaalpsychologen. Wat onderzoeken we? Waarom onderzoeken we? Hoe onderzoeken we? Hoe trekken we conclusie? Dat zijn de vragen die gesteld worden. In de sociale psychologie valt op dit moment veel te beleven. Op zich zijn het de vragen die in elke tak van de wetenschap worden gesteld, maar bij de sociale psychologie is alles erg beladen geworden. Dat komt door Diederik Stapel. Met zijn fraude viel niet alleen zijn eigen wetenschappelijke werk om, maar ook dat van vele onderzoekers die met hem hadden samengewerkt. In zijn val sleepte hij velen mee. Zij bleken hun onderzoek te baseren op bij elkaar gelogen onderzoeksresultaten.

Dat begon allemaal bij Roos Vonk en haar hypothese dat vleeseters agressiever zijn dan vegetariërs. Hot bij mij thuis; ik, carnivoor bij uitstek, en mijn geliefde, vegetarisch vanaf haar geboorte… Tuurlijk bleek de hypothese van Roos Vonk ondersteund door ‘wetenschappelijke’ onderzoeksresultaten. Maar wat bleek…er waren geen onderzoeksresultaten. Diederik Stapel had de vragenlijsten allemaal zelf ingevuld en daarbij had hij ervoor gezorgd dat de hypothese ondersteund werd. Wetenschappelijke fraude, dus. Goed, Diederik Stapel viel. Somberheid troef. De sociale psychologie had onder Diederik Stapel enorme vooruitgang geboekt, en dat viel nu weg. Moeilijk, want de sociale psychologie is een wetenschap die uitermate populair is; wie wil nou niet weten welk gedrag ons drijft. Wie wil nou niet het onaangename gedrag van de ander verklaren of…veranderen. En…wie wil nou niet de mogelijkheden onderzoeken om andermans gedrag en gedachten te manipuleren…

Maar de discussie verdiepte zich. Veel onderzoeken werden sinds de val van Diederik Stapel opnieuw bekeken. Hoewel bij het oorspronkelijke onderzoek zelf niet persé fraude werd geconstateerd, bleken de onderzoeken niet herhaalbaar. Zo hadden onderzoekers ‘bewezen’ dat als je glimlacht, het hele leven meteen beter en fijner is. In een ander onderzoek bleek daar helemaal niets van. Moeilijk…

Het bracht Karst Tjoelker ertoe om afgelopen maandag op zíjn tak van wetenschap te reflecteren; Wat weten we eigenlijk zeker? Hoe hebben we het onderzocht en hoe hebben we daar conclusies uit getrokken? Hij komt tot de conclusie dat de onderzoeksmethodiek die de sociale psychologie doorgaans gebruikt, volkomen onbetrouwbaar is.  De sociale psychologie gebruikt de vragenlijst, en niet veel meer dan dat. Vervolgens worden op de resultaten van die onbetrouwbare vragenlijsten allerhande wiskundige statistische berekeningen losgelaten waaruit dan de conclusies worden getrokken. Dat kan niet goed gaan. Tjoelker stelt voor om na te denken over andere manieren om onderzoek te doen.

Vandaag reageert Danny van der Roest… Samengevat: We wisten allang dat vragenlijsten niet deugden maar we gebruiken ook andere onderzoeksmethoden (welke wordt niet gezegd). Wat heb je tegen een wiskundige benadering om de onderzoeken uit vragenlijsten te onderzoeken? Danny van der Roest heeft er kortom niets van begrepen: De sociale psychologie is op sterven na dood; Diederik Stapel was slechts de katalysator.

Schipholganzen en stront aan de knikker

Slager is een vak. Echt een vak. Het gaat niet alleen om het doden en in stukken snijden van dieren. Er komt echt meer bij kijken. Dat zeg ik als enthousiast amateurslager. Niet alleen omdat ik een morbide inslag heb kijk ik graag naar slagers aan het werk, ook vanwege hun vakmanschap. Ik vind het knap als je een dier kunt doden zonder dat het daar weet van heeft. Dat je de moed hebt om een keel door te snijden en het daarna leeg te laten bloeden. Om vervolgens de buikwand te openen en de ingewanden te verwijderen. Ik heb daar bewondering voor. Ik ben niet de enige met die fascinatie. Marijn Frank maakte er een documentaire over. In ‘Vleesverlangen’ grensde het slagerijbedrijf ineens bijna aan de erotische scene, met Marijn in een verleidelijke hoofdrol..

Vooral het leeghalen van de buik van het dier vergt vakmanschap. Ik weet daar alles van. Nou ja, alles…een beetje in ieder geval wel. Ik had via via twee Schipholganzen gekregen. Ze werden me in een vuilniszak overhandigd. Ze waren alleen maar dood, kon ik constateren toen ik ze bekeek: Alles zat er nog op en aan. Mooie dieren. Grauwe ganzen zoals je ze bij honderden in weilanden ziet grazen. Ze schijnen zo’n weiland helemaal kaal te vreten en helemaal onder te poepen. Op het aanrecht moest het gebeuren. Ik ontdeed de dieren van kop en flippers. Zit er een kop op dan hou je het gevoel dat ze ieder moment gakkend en sissend kunnen opstaan. Maar zonder kop en flippers verdween al snel elke emotionele lading. Ik vilde het beest omdat plukken bij een gans nauwelijks een optie is. Toen dat klaar was lag het gestripte dier op mijn aanrecht. Klaar voor de laatste slag. De buik moest open en alles wat in de buik zat, moest eruit. Maar…wat zat er allemaal in die buik. Onder anderen de darmen en de darmen zitten vol stront. Dat beest was niet eerst even lekker gaan poepen voordat het met een lading hagel naar de andere wereld werd geholpen. Poep op je vlees is niet goed. Voorzichtig sneed ik de buikwand open. Aan díé geur moet je even wennen… Voorzichtig probeerde ik de dikke darm los te snijden…en toen ik hem aanraakte spoot er poep uit. Mislukt. Zo snel mogelijk haalde ik het beest leeg sneed de besmette stukjes eraf en spoelde het vlees met water in het besef dat het niet meer schoon werd. Met poepbacteriën vervuild vlees….

Ik had niet veel last van die bacteriën want mijn gans was zo taai dat het slechts na lang stoven eetbaar werd. En dat overleeft zelfs die poepbacterie niet.

Vandaag lees ik dat bij de Jumbo in het vlees de E. colibacterie is aangetroffen. Dat betekent dat het mis is gegaan in de slagerij: Dat ze daar beunhazen aan het werk hebben gezet. Dat maakt meteen ál het vlees van zo’n supermarktketen verdacht. Ze zijn in zee gegaan met dubieuze slagers. Dat soort slagers gaan uitsluitend voor winstbejag. Dat soort slagers plukken snijgraage mensen van de straat om het klusje lekker goedkoop te klaren. En…het verwijderen van de darmen is een klus waar je verstand van moet hebben; dat weet elke slager. E. colibacterie is stront aan de knikker… en aan het vlees.

Niet meer kopen bij de Jumbo, dus. Koop bij een echte slager; een vakman!

Jan Weissenbruch in het Teylers museum

Ik heb romantiek altijd geassocieerd met iets moois tussen twee mensen. Weliswaar een kunststroming. Maar een kunststroming waarbinnen dat moois tussen mensen tot ongekende proporties wordt opgeblazen. De afgelopen tijd heb ik twee tentoonstellingen bezocht van Nederlandse romantische schilders. Eén van hun overeenkomsten was dat ze nooit getrouwd zijn geweest. Eerder bezocht ik in het Joods Historisch museum de tentoonstelling over de broers Verveer. Alle drie ongetrouwd gebleven. Afgelopen zondag zijn we naar Haarlem gefietst en daar bezochten we in het Teylers museum de tentoonstelling over Jan Weissenbruch. Net zo goed ongetrouwd gebleven. Leed de Nederlandse romantiek aan een testosteron gebrek? Ik weet het niet, maar wat wel opvalt op de schilderijen van Weissenbruch is dat er weinig passie uit spreekt, weinig emotie. Emotie suggereert beweging, woeling. Het tegenovergestelde zie je op zijn schilderijen. Stilstand en harmonie is veel meer van toepassing.

Weissenbruch wordt wel de Vermeer van de negentiende eeuw genoemd. Op zich hou ik daar niet van omdat elke schilder op zichzelf staat. Maar toch…in het geval Weissenbruch voel ik wel wat voor deze vergelijking. Op de tentoonstelling wordt de verwantschap tussen Vermeer en Weissenbruch vooral gezocht in de weergave van het licht en zijn realistische stijl. Ik ben het daar niet mee eens. Een ander aspect bindt Weissenbruch aan Vermeer.

Wat mij betreft (en wie niet) kent de zeventiende eeuw twee giganten in de schilderkunst die tegengestelde schilderijen creëerden: Rembrandt en Vermeer. Realisme en licht zijn bij beiden belangrijke componenten. Maar wat beide schilders scheidt is hun benadering van de beweging. Waar Rembrandt de beweging neemt als uitgangspunt zoekt vermeer naar het stilzetten van de beweging. Waar Rembrandt de emotie schildert, geeft Vermeer de verstilde emotie weer. Beiden doen dat trouwens weergaloos. In het portret van Jan Six zie je de goede man al het huis uitlopen op weg naar een belangrijke vergadering. Dat kan alleen maar van Rembrandt zijn. De melk die uit het kannetje van het melkmeisje stroomt, is tot verstilling gekomen. Harmonie en stilstand; mooier kan het haast niet zijn. Dat is dus Vermeer.

Ik zie in het werk van Weissenbruch dezelfde verstilling en de zoektocht naar harmonie als in het werk van Johannes Vermeer. In die zin geloof ik in de verwantschap tussen Weissenbruch en Vermeer. Dat is ook het prettige van het werk van Weissenbruch: Als je voor zijn schilderijen staat voel je de rust in je hoofd neerdalen. De wereld zit mooi in elkaar; ellende en verdriet bestaan niet. De wereld is fantastisch zoals die is, verandering is niet nodig…en dan staat het stil… Zo zie ik zijn schilderijen. Zelfs de mensen die op zijn schilderijen zijn afgebeeld en die dingen doen, lijken bevroren in hun beweging. Bevroren in de harmonie die de schilder met hun aanwezigheid heeft gecomponeerd. Neem zijn schilderij ‘De Delftsekade en Peperbus te Leidschendam’. Er worden zo’n vijftien personen afgebeeld. In beweging. Aan het werk. In de namiddagzon. Het water van de gracht is spiegelglad. De wereld is bevroren. Hoewel de mensen de trap aflopen, staan ze stil. Verstild. In harmonie. Zelfs het hondje heeft zijn verstilde plek op het schilderij gevonden.

De Delftsekade en Peperbus te Leidschendam
De Delftsekade en Peperbus te Leidschendam

Weissenbruch lijkt steeds de vroege ochtendzon of de namiddagzon op te zoeken. Het geeft een ongewone glans en lange schaduwen. Dat zie ik niet terug in het werk van Vermeer. Neem mijn favoriete schilderij ‘Zicht op Delft’. Volgens mij een schilderij van midden op de dag. Kleine schaduwen en een subtiel lichtspel. Heel anders bij Weissenbruch; bij hem zijn het de lange schaduwen die het hem doen. Wel fraai overigens. En…realisme? Ja, wat Weissenbruch schilderde ziet er realistisch uit. Maar het blijkt een aangepaste realiteit te zijn. Weissenbruch veranderde de werkelijkheid naar eigen inzicht om zo zijn perfecte compositie te krijgen. De kerk Saint Denis in Luik bijvoorbeeld stond in een te smal straatje. Daarom veranderde Weissenbruch het stadsbeeld door de straat wat te verbreden. Ook in dit schilderij weer de lange en grote schaduwen.

Op de tentoonstelling ook schetsboekjes van Weissenbruch. Schetsboekjes met de voorstudies van zijn schilderijen naast het uiteindelijke werk. Dat had ik nog nooit gezien, maar is echt leuk om te zien. In die schetsboekjes zie je wat de kunstenaar van belang achtte of wat hij niet wilde vergeten.

Wat mij niet duidelijk was, en dan kom ik eigenlijk weer terug op mijn beginzinnen, is wat er romantisch is aan de schilderijen van Weissenbruch. Dat zie ik dus niet. Ik zie erg fraaie schilderijen, ontstaan in een periode in de geschiedenis waarin de romantiek haar hoogtepunt had, maar van die stroming lijkt Weissenbruch geen deel uit te maken. Leg de schilderijen van Jan Weissenbruch naast de schilderijen van romanticus Turner die ik in de Fundatie heb gezien, dan zijn ze toch wel heel anders. Onvergelijkbaar. De verstilde beelden van Weissenbruch tegenover de verzuipende, hozende, in doodsnood verkerende zeelieden op de zinkende schepen in volle storm van Turner. Ik zie dus helemaal niets van de romantiek terug in de schilderijen van Weissenbruch. Misschien dat iemand mij dat nog eens kan uitleggen.

Al met al is de Weissenbruchtentoonstelling een aanrader. Het Teylers Museum is sowieso een aanrader. Wat een heerlijk museum. Zelfs als je je geen klap interesseert voor fossielen en mineralen en natuurkundige instrumenten…zelfs dan is het museum nog meer dan de moeite waard. De fietstocht waard! Zelfs met stevige wind tegen op de terugweg!

Vloggers en volgers en Bibi Fadlalla.

Ik ben boos. Echt boos. Boos op Bibi Fadlalla. Toen ik nog secretaris was van onze PvdA afdeling Westerpark, meldde Bibi zich aan als medebestuurder. Dat vonden we fijn want we moesten, zoals in menig vrijwilligersorganisatie, veel met weinigen doen. Bibi kwam op een bestuursvergadering. Ze belde daags daarna op, dat ze het toch te druk had, of geen zin; geen idee. Maar omdat ik een goed geheugen heb voor knappe vrouwen met een exotische naam, wist ik meteen wie ze was toen ik haar videoboodschap zag op NRC.nl. Dat was dus Bibi. Geen misverstand mogelijk.

In haar videoboodschap heeft ze het over de treitervlogger in Zaandam. Over Ismail Ilgun. Bibi steunt die vlogger. Eigenlijk vindt ze het wel mooi wat die vlogger doet. Want volgens Bibi vlogt deze vlogger zijn leefwereld. Waaruit bestaat die leefwereld van Ilgun? Uit niets, zegt Bibi. Een beetje hangen. Een beetje kattenkwaad uithalen. Een rondje om de zaanse kerk scheuren in je autootje. Een vlogje hier en een vlogje daar maken. Ilgun leidt, volgens Bibi een leeg bestaan en Bibi vindt dat Ilgun dat goed in beeld brengt. Hij zet zijn medeslachtoffers en hemzelf goed op de kaart, vindt Bibi. Want volgens Bibi zijn ze slachtoffers. Slachtoffers van ongeremd en openlijk racisme. Het zijn Turkse jongeren. Islamitische jongeren. Evident dat ze aan alle kanten worden gediscrimineerd.

Vervolgens prijst Bibi de enorme slimme en geweldige manier waarop Ilgun zich in de kijker gespeeld heeft. Fantastisch! Er was een andere interessante vlogger. Die noemde zichzelf ‘Boef’. Treitert net zo hard de politie als Ilgun. Organiseert kloppartijen met andere groepen jongens. Zo iemand dus. Ilgun daagde ‘Boef’ uit en dat leverde hem ontzettend veel volgers op. En adverteerders. Zo verwierf Ilgun dus inkomen. Maar het kantelde…massaal viel de pers over hem heen. En…betoogt Bibi, kijk eens naar andere vloggers. Blanke vloggers. Komen die ook zo negatief in het nieuws? Alleen omdat die jongens in Zaandam van Turkse komaf zijn, springen de media er bovenop.

Ilgun intimideert en dreigt journalisten ‘zijn’ wijk uit. Behalve dat die journalisten dat filmden en op de tv lieten zien, filmde hij het zelf net zo hard en zette het op Internet. Ilgun wil in ‘zijn’ wijk bepalen wie of wat op welke manier in het nieuws komt. Om dat te bereiken haalt hij alles uit de kast geen middel gaat hem te ver. In persvrijheid gelooft Ilgun niet. Geweldig jongen toch, Bibi?

Ook in Zaandam wordt politiek bedreven. Bibi weet hoe dat werkt. Mensen stemmen op een kandidaat en als die kandidaat genoeg stemmen heeft, dan mag hij mensen vertegenwoordigen. Daar gelooft Ilgun helemaal niet in, in dat systeem. Hij wéét wat de mensen willen en hij bepáált wat mensen willen, anders zal je wat beleven als ongehoorzame burger…. Hij bedreigt en intimideert een gekozen vertegenwoordiger met zijn kompanen tot in haar huis! Ze bedreigen iemand die de geplaagde bewoners van de wijk een hart onder de riem wil steken. Bibi lijkt hier niet van gediend. Laat die Ilgun zijn geweldige gang gaan, betoogt Bibi.

Bibi, als mijn partij jouw standpunt deelt, dan zit ik bij de verkeerde partij. Maar eigenlijk denk Ik dat jij bij de verkeerde partij zit. Ik vind dan ook niet dat je als vertegenwoordiger voor mijn partij op kan treden. Zeker niet op stadsdeelniveau.