De smaak, dat is waar het om gaat. En…de lol!

Mijn pa is in zijn veelzijdige carrière ook bakker geweest. Zijn carrière omvatte zo’n beetje het volledige spectrum aan beroepen waarvoor je niet meer opleiding nodig had dan lagere school. Voor bakker had je destijds geen enkele opleiding nodig. Je moest kunnen fietsen met een bakfiets en je moest iets van rekenen met geld afweten. Verder waren enthousiasme en werklust van belang. Bakkers van toen (en dan heb ik over de eind jaren zestig van de vorige eeuw), gingen op hun eigen fiets naar de broodfabriek. Daar namen ze hun brood-bakfiets die de ‘bakkers’ zelf vulden met fabrieksbrood en -koekjes en daarna fietsten ze met hun bakkerskar  naar hun wijk. Als ‘bakker’ bakten ze eigenlijk niet. Ze verkochten deur aan deur hun Tarvo brood. Het brood met het logo van een dikkig mannetje met hoed en een tarwehalm in zijn mond. De fabriek bestaat nog steeds.

logo_small

Ook door de deze fabriek werd mijn vader de laan uitgestuurd. Die bakkerijproducten interesseerde hem geen moer. Zijn baas ontdekte een hele lading oude en gebroken koekjes in zijn kar. Die had hij natuurlijk moeten ruilen voor verse, hele koekjes. Maar dat vond hij te veel moeite, die pa van mij. Zo raakte hij zijn baantje kwijt en kreeg hij zijn lading oude koek mee als ontslagvergoeding. Daar hebben we nog weken plezier van gehad!

Met mijn vader verdween langzamerhand ook de bakker uit het straatbeeld. Mijn moeder (en vele andere moeders) vond dat brood van de fabriek maar niets. ‘Watten met een korstje’, zei ze. Wij aten helemaal geen fabrieksbrood meer. De warme bakker kwam in trek. De warme bakker kwam niet langs de deur. De warme bakker heeft een bakkerij en een winkel en daar koop je je brood. Geen wollig wattig witbrood meer, maar volkoren. Mijn moeder ontdekte bakker Hartog in de Amsterdamse Ruyschstraat en sindsdien sloten we ons op zaterdagmorgen aan in de rij en werd er voor een week brood gekocht en in de vriezer gelegd.

Maar ook de ouderwetse Nederlandse bakker verdwijnt langzaam. Het beroep bakker is een zwaar beroep. Je moet ’s nachts werken om ’s ochtends verse producten in je winkel te hebben. Wie wil dat nog. Erg rijk wordt je er ook niet van en de supermarkt wint, ten opzichte van de bakker, terrein. Mensen hebben het idee dat ze ook in de supermarkt versgebakken brood kunnen kopen. In de supermarkt brood kopen, is efficiënt want dan hoef je voor al je boodschappen naar maar één winkel.

Dat supermarktbrood wordt als ‘deegdelen’ door de fabriek aangeleverd. In de supermarkt schuiven ze die deegdelen in de oven en geurt de winkel naar versgebakken brood. Slim. Dat schijnt de algehele kooplust op te wekken. Vandaag lees ik in de Volkskrant dat al die deegdelen uit een gigantische fabriek komen en dat die gigantische fabriek gefuseerd is met een andere gigantische fabriek zodat er nu een enorme gigantische fabriek is ontstaan. ‘Liefde en passie’…zo noemen ze hun luxebrood. Afgebakken bij AH. Kleurloos lopendebandwerk. Kraak nog smaak… De geur van brood, maar de smaak van niets.

Ik wil dus geen fabrieksbrood. Ik bak zelf. Eén keer per week. ’s Avonds maak ik deeg met desem. De ‘deegdelen’ krijgen de hele nacht de tijd om te rijzen. De volgende ochtend bak ik ze af. Mijn eigen deegdelen. Ik doe het voor de smaak en de lol, want mijn brood smaakt echt heel goed. Echt waar! Wat dat betreft heb ik kapsones.

De smaak, dat is waar het om gaat. En…de lol!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code