Slavernij

In veel Nederlandse discussies komt men al snel terug op de slavernij. In het verre verleden heeft Nederland veel geld verdiend aan de handel in mensen. Dat ging volgens de regels van de handel; bij de producent werden de mensen voor een prikkie gekocht, en elders in de wereld voor duur geld verkocht. Handel is handel, dacht men toen. De geur van geld prikkelde toen nog heel aangenaam de neus. Zo zat dat. De moraal van toen stond dat volledig toe. Er was wereldwijd nog nooit iemand met enig gezag geweest die slavernij inhumaan had gevonden. Of onethisch; het was zoals het was. Als je iets of iemand kocht (en het dus te koop werd aangeboden) en jij betaalde ervoor, dan was het je eigendom. Klaar!

In de loop van de negentiende eeuw zijn we daar heel anders over gaan denken in West-Europa. Men ging mensen als individuen zien en men bepaalde dat een mens nooit eigendom kon zijn van een ander mens. Sindsdien is dat principe het kompas waar we op varen wat de slavernij betreft. In de negentiende eeuw hebben de Europeanen als eerste in de wereldgeschiedenis bepaald dat slavernij inhumaan is en dat het met wortel en tak moet worden uitgeroeid. Daarmee heeft de mensheid een grote stap gezet. Ook een moedige stap, want het stuitte op veel verzet. Mensen raakten een deel van hun rijkdom kwijt en daar houden mensen niet van…

De Surinaamse en Antilliaanse bevolking heeft voor een groot deel slaven als voorouders. Een groot deel van de mensen die in Suriname en de Nederlandse Antillen leefden in de geschiedenis, werden in Afrika op boten geladen en onder onmenselijke omstandigheden naar de Nederlandse plantages gebracht. Men spreekt van een zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis. Ik ook. Tegelijkertijd moeten we erkennen dat mensen van toen op geen enkele manier het idee hadden dat ze iets fout deden. Nu, terugkijkend op die periode, voelen we het alsof alles fout was wat ze toen deden.

Van alle (ex-)slaven leeft niemand meer. Van alle slavenhouders is iedereen ook inmiddels dood. Niemand hoeft zich daarom meer schuldig te voelen en niemand is meer slachtoffer; we zijn mensen naast elkaar. Maar helaas, zo zit de wereld niet in elkaar: Zodra er iets is met huidskleur dan komen de sentimenten bovendrijven. Nazaten van slaven voelen zich (onterecht) slachtoffer en nakomelingen van slavenhouders voelen zich (onterecht) schuldig. Sylvana Simons en Sunny Bergman zijn uitstekende vertegenwoordigers van beide zijden.

Vandaag is de slavernij index uitgekomen. Deze index geeft de stand van zaken weer van hoe het op dit moment zit met de slavernij. Wat meteen opvalt is dat het in de negentiende eeuw ontstane morele kader, in West-Europa nog steeds onherroepelijk van toepassing is. Er zijn nauwelijks slaven en bovendien neemt de overheid veel maatregelen tegen de (illegale) slavenhouders. Dat in tegenstelling tot veel delen in de rest van de Wereld. Als we landen zouden moeten mijden waar slavernij nog heel gewoon is, dan kunnen we ons met goed fatsoen niet meer in India, Pakistan en Bangladesh vertonen. India staat vierde op de lijst van landen met de meeste slavernij. Alleen Noord-Korea, Turkmenistan en Cambodja zijn erger.

Kijk zelf maar hoe slaaf-vrij je vakantieland is

Wonen in de Amsterdamse school

Dit weekend was het heerlijk weer. Ik heb lekker op het balkon zitten lezen. De zon was nog niet om het huizenblok. Er was geen wind en de temperatuur aangenaam. Beneden de tuinen van mijn buren. Onbegrijpelijk dat daar zelden iemand in zit, vind ik. Voor onze verhuizing naar de wisselwoning waar we nu in wonen, leefden we in de tuin. Zeker op de warmere dagen zoals vandaag.

Gisteren wilde ik naar de tentoonstelling Wonen in de Amsterdamse school in het Stedelijk. Deze tentoonstelling is zwaar van toepassing op mij en ons. We woonden in het absolute architectonische Amsterdamse schoolse hoogtepunt. Maar ook onze wisselwoning is ontworpen door deze invloedrijke architectuurstroming.

Voordat ik koers zette naar het Stedelijk, reed ik even langs onze ‘echte’ woning. De sloop van het interieur bleek begonnen. Ondanks dat dit een stap in de richting van onze terugkeer is, brak mijn hart. Wat een puinhoop in het huis dat ons zoveel gebracht heeft. De plafonds waren eruit, het toilet was weg en de tussenliggende muren ook. Onze woning lag erbij als een gewond dier en ik kon er niets aan veranderen. Wat een akelig gezicht! Ineens herinnerde er weinig meer aan ons jarenlange verblijf in de woning. Ja toch…De zuil midden in de kamer. Die had ik onbeholpen en lelijk behangen. Het behang rafelde nog steeds op dezelfde manier; Frits was here!

Zo kwam ik met opgeschudde gevoelens op de tentoonstelling Wonen in de Amsterdamse school terecht. Deze keer ging het eens niet om het uiterlijk van de gebouwen, maar om het ontwerp van het interieur. Dan vooral het ontwerp van meubels. Was het zo dat de Amsterdamse School architecten met hun architectuur iets wilden betekenen voor de arbeidersklasse, met hun meubels en interieurs zochten ze aansluiting bij de kapitalist. Dat was het meest verrassende van de tentoonstelling. Hoewel de architecten enorm begaan waren met de arbeidersklasse en ze hun huizen voor een groot deel ontworpen voor de socialistische woningbouwcorporaties, waren de meubelen die ze ontworpen duur. In ieder geval onbetaalbaar voor de arbeidersklasse. Terecht staan er in de museumwoning in Het Schip ook geen Amsterdamse schoolmeubelen; die waren onbetaalbaar en zullen waarschijnlijk nooit in een Eigen Haard woning hebben gestaan.

Juist bij de meubelen viel het op hoezeer de stroming aanzit tegen grote Europese kunststromingen. Art Deco, bijvoorbeeld. Op de een of andere manier zie ik dat niet in de huizen terug, maar wel in de interieurontwerpen. Een mooi voorbeeld vond ik De Bijenkorf in Den Haag. Was ik nooit geweest, maar is nu een must geworden. De kleurige lampen deden me wel een beetje denken aan Tuschinsky. Verder viel me de hoeveelheid klokken op. Het Stedelijk had er een hele zaal mee gevuld, maar ook elders in de tentoonstelling kwam ik nog veel klokken tegen. Veel pendule achtige klokken voor op de schoorsteenmantel. Je kon zelfs je eigen Amsterdamse Schoolklok maken! Het affiche van de tentoonstelling is wat dat betreft al een opwarmertje; als klokkenliefhebber, wat ik niet perse ben, kom je hier goed aan je trekken.

Een leuke tentoonstelling. Maar toch moet het van mijn hart, dat ik de architectuur hoger waardeer dan hun meubelontwerp.

Nooit een zwart-wit mening

In de krant van gisteren een interview met Annabel Nanninga (1977). (Geen idee wat de relevantie is van ‘1977’, maar omdat de Volkskrant dit jaartal erbij zet, doe ik het ook maar.) Nanninga is van dik hout zaagt men planken. Hoewel ik haar niet persoonlijk ken, denk ik niet dat ik haar graag zou mogen. Op haar foto en in het interview komt ze naar voren als iemand die altijd gelijk heeft. Het valt niet mee om te leven met mensen die altijd gelijk hebben. Dat zijn doorgaans weinig nieuwsgierige en tolerante mensen; ze weten alles al dus waarom zouden ze luisteren naar iets nieuws of…een ander? Ik hou daar niet van.

Mensen die altijd gelijk hebben, kunnen niet veel met mensen die er anders over denken. Ze hebben daar ook weinig respect voor. Mensen die altijd gelijk hebben zijn bijvoorbeeld islamisten of gereformeerden of Wakker Dier Extremisten maar ook veel managers. Vergeten wordt dat ook Geert Wilders en Annabel Nanninga behoren tot de club der gelijkhebbers. Ook zij hebben altijd gelijk. Mensen die altijd gelijk hebben willen de vrijheid van anderen inperken.

Wat mij betreft wordt de kwaliteit van de maatschappij bepaald door het midden. Hoe groter het midden, des te meer kwaliteit heeft de maatschappij. Het midden doet zijn zegje, maar luistert ook naar de ander. Het midden heeft een duidelijke mening maar wil die toetsen in een open discussie. Voor het midden is het mogelijk om een aanvankelijk ingenomen standpunt te wijzigen. Het midden heeft duidelijke opvattingen over waar het heen moet met het land, maar staat altijd open voor een discussie met anderen.  Het compromis is helemaal geen vies woord.

Vroeger werd er denigrerend gesproken over grijze eenheidsworst en achterkamertjespolitiek. Maar ik hou ervan. Ik hou van de open mens. Ik hou van overleg. Ik hou van compromissen. Ik hou van rekening houden met een minderheid. Ik hou van rekening houden met de gevoelens van anderen. Maar ik vind ook dat je alles mag zeggen. En inderdaad, als je alles bij elkaar gooit en lekker roert, dan heb je een grijze worst. Wellicht zit er kraak nog smaak aan, maar het mondgevoel is prima en het valt prima te verteren…om even in de etenswaar-sfeer te blijven.

Het grappige is dat ik het niet eens zo heel erg oneens ben met de opvattingen van Nanninga, als ik ze zo lees. Maar haar gelijkhebberige houding bevalt me niet. Bovendien misgunt ze anderen hun vrijheid. Ik kan haar echt niet zien als een ‘vrijheidsfundamentalist’. Ook Geert Wilders niet. Hij streeft meer naar onvrijheid dan naar vrijheid. Geert Wilders zal dat worst wezen; hij wil vooral macht; wat de prijs ook is. Nanninga en ook Wilders zie Ik niet als personen die andermans vrijheid verdedigen; het gaat meer om hun eigen vrijheid.

De poëtische reactie op Erdogan Van Annabel Nanninga (1977) vond ik overigens erg geslaagd. Scherp geformuleerd en prikkelend waar nodig! Je ziet het: Nooit een zwart-wit mening.

De welwillenden -Toneelhuis/Toneelgroep Amsterdam

Gezien op 27 mei 2016 in de Stadsschouwburg van Amsterdam

Over een maandje gaan wij op vakantie. Dat is eigenlijk de enige tijd van het jaar dat we voldoende aan lezen toekomen. Inmiddels wacht een hele stapel boeken op me. Nou ja…stapel; een hoop bits en bytes tegenwoordig. Ik heb er een duizend pagina tellende roman bijgestopt. Bovenop de digi-berg; De welwillenden van Jonathan Littell. Gisteren zag ik de toneelbewerking van de roman en ik ben diep onder de indruk. Het stuk heeft me als een mokerslag geraakt. Vorm en inhoud waren perfect in balans en het werd subliem vertolkt. Twee rollen die me extra opvielen waren (uiteraard) Hans Kesting die de hoofdrol speelde. Weergaloos! Maar ook Bart Siegers in zijn rol van dr. Mandelbrod. Huiveringwekkend. Een manipulator die je ongewild tot het allerslechtste aanzet en zelf schone handen houdt. Bert Siegers zet hem fantastisch neer; de bron van het kwaad in de wereld; de boze genius.

De welwillenden vertelt het verhaal van Obersturmführer Max Aue. In het begin van het stuk is SS-er Max Aue gelegerd in Oekraine. We maken als toeschouwer zijn ontwikkeling mee van soldaat naar massamoordenaar. Daarbij wordt afgerekend met het beeld van sadistische gekken die de poorten van de hel bemannen. In De welwillenden zijn het mannen van vlees en bloed. Mannen met gevoelens. Mannen met heftige gevoelens. Het zijn die mannen die de genocide uitvoeren. Mannen die het helemaal niet lekker zit dat ze vrouwen en kinderen moeten vermoorden. Mannen die worstelen met hun geweten. Die er zelf doodziek van zijn dat ze deze rol in de geschiedenis moeten vervullen. Mannen die er in zekere zin ook aan onderdoor gaan. Dat geldt zeker voor Max Aue.

Voor de toneelbewerking kozen Guy Cassiers en Erwin Jans voor een betrekkelijk klassieke benadering. Max Aue vervulde daarbij de omgekeerde rol van het klassieke koor. Voorafgaand aan een deel, zo leek het, becommentarieerde hij wat er ging komen. Vanuit zijn emoties. Bij deze koor-achtige ontboezemingen werden alle mogelijke middelen ingezet. Het gaf daardoor een inkijk in de emotionele ontsporing die zich in het brein van Max Aue voltrok. Wat er op het toneel gebeurde was intimiderend en schokkend en daarom voelde je Max Aue’s emoties tot op het bot in de zaal. Het maakte het onrealistische in het verhaal realistisch. Zijn hersenspinsels werden de onze.

Plichtsbesef en de eed dat het woord van de führer wet is, leiden de mannen naar hun morele ondergang. Maar ook hun persoonlijkheid speelt een belangrijke rol. Ze zijn op een bepaald tijdstip om een bepaalde plaats. Dat ze verantwoordelijk zijn voor wat ze doen, blijft voor mij als een paal boven water staan. De figuur van Eichmann speelt een niet onbelangrijke rol in het stuk. Door Katelijne Dame (een vrouw, dus) overtuigend neergezet als de aan smetvrees lijdende bureaucraat. Mannen, vrouwen, kinderen en bejaarden spelen bij hem geen rol. Hem gaat het om cijfers en niet meer dan cijfers want aan de cijfers kun je afmeten hoe succesvol de bureaucraat Eichmann is. Eichmann leent ook woorden uit de grote Lanzmann documentaire Shoah. De woorden van de spoorwegbeambte die vertelt dat voor elke vervoerde jood betaald moest worden. Dat kinderen onder de vier gratis mochten en kinderen boven de vier voor half geld. En Eichmanns trots dat het hem lukte om de joden voor hun eigen vervoer naar de vernietiging te laten betalen. Je kan het haast niet zelf verzinnen. Had ik Shoah niet gezien, dan had ik het treinkaartjes verhaal ongeloofwaardig gevonden.

Dr. Mandelbrod is voor mij, de verpersoonlijking van het kwaad. Het personage werd zo formidabel neergezet door Bart Siegers, dat de rillingen over mijn rug liepen. Een manipulator eerste klas, die anderen het verderf instuurt en zelf schone handen houdt. Een verschrikkelijk mens. Ik ken managers die daar sterk op lijken. Daarmee raakte het me bijzonder diep.

Ook de rol van Abke Haring speelde een cruciale rol. Beperkter, maar cruciaal. Zij stond als Hélène model voor het thuisfront. Voor de mensen die zich geen enkel beeld konden vormen over wat zich daar in het verre oosten zich afspeelde. Het is dan ook onmogelijk om je dat voor de gest te halen. Natuurlijk had ze treinen vol mensen zien vertrekken, maar een aanwijzing dat die mensen vermoord zouden worden had ze niet. De wereld was toen nog een stuk naiever.

Al met al heb ik een fantastische avond gehad waarbij ik op een haast intimiderend manier nadenkstof kreeg aangereikt. En…een roman. Wellicht een leesverslag na de vakantie!

Libris literatuurprijs 2016

Ik lees de boeken op de shortlist van de Libris literatuurprijs. Ik wil ze allemaal lezen ondanks dat de prijs al uitgereikt is aan Connie Palmen. Het zouden de beste boeken moeten zijn die kortgeleden zijn uitgekomen. Daar ga ik van uit. Een deel heb ik inmiddels gelezen. Ik las ‘De onderwaterzwemmer’ van Thomése. Een adembenemende roman. Zeker het begin. Later zakt de roman wat in, maar het begin mag er heel erg zeker zijn. Ik las ‘De onervarenen’ van Van Leeuwen. Niet alleen het begin van de roman spettert van kracht en macht, maar de hele roman. Prachtig taalgebruik en een fantastisch verhaal. Onbegrijpelijk dat ze niet gewonnen heeft.

Vervolgens heb ik ‘Als de winter voorbij is’ van Thomas Verbogt gelezen. Geen idee waar die roman over gaat. Over ditjes en datjes. Ook hier een veelbelovend begin. Hij schrijft over zijn pleegzus Becky. Rebecca eigenlijk. Ze landt in het gezin als pleegkind. Een oorlogswees en de ideale grote zus voor de verteller. Al snel in het boek komt ze om. Met Becky sterft ook de roman. Dan zijn we nog maar op pagina 30 terwijl we er nog zo’n 150 moeten. Echt een drama. De verteller sleept zich van de ene dame naar de andere. In het verleden of het heden…maakt niet uit. Een beetje quasifilosofisch geneuzel en een meisje dat wat langer blijft hangen. Ik koop er als lezer weinig voor. Zonde van mijn tijd om het te lezen.

Ik weet zeker dat deze roman over een jaartje vergeten is. Ik begrijp daarom niet waarom een professionele jury dit boek op de shortlist zet. Je zou denken dat ik iets niet zie, wat zij wel zien. Ik heb het allemaal overwogen, maar ik kan het niet vinden. ’Als de winter voorbij is’ kan je beter niet lezen dan wel. Het boek verrijkt je niet, het gaat nergens over en irriteert je aan het eind omdat je er toch tijd aan besteed hebt. Ik weet het zeker, dit boek hoort niet thuis op een shortlist voor een serieuze literatuurprijs.

Nu ben ik ‘Muidhond’ van Inge Schilperoord aan het lezen. Ik ben al op bladzijde 30. (wat heb ik toch met bladzijde 30?) Goed…bladzijde 30. Het verhaal lijkt wel oké, zal ik maar zeggen. De afgelopen tien jaar heb ik zelden een roman gelezen met zulk onbeholpen taalgebruik. Iemand die literatuur schrijft moet minstens de taal goed beheersen. Ik strompel van het ene taalkundige dieptepunt naar het volgende. Als de hoofdpersoon gespannen is dan ‘…trilt zijn hart in zijn keel’. Het hart klopt in zijn keel, mag ik aannemen. Een voorbeeld in een oneindige reeks van onbeholpen taaluitingen. Nauwelijks fijn om te lezen. Ik moet ook regelmatig een alinea teruggaan om te begrijpen waar ze het precies over heeft. Iets als een taalcoach zou haar boek hebben kunnen opvijzelen. Desalniettemin staat haar roman wel op de shortlist van de Libris literatuurprijs. Dat begrijp ik dus niet. Inge Schilperoord beheerst de taal niet voldoende om een goede roman te schrijven.

Toch ga ik haar boek helemaal uitlezen. Ik wil alle boeken van de shortlist gelezen hebben. Ik ben zo benieuwd of ik tot dezelfde conclusie kom als de jury! Wie er volgens mij had moeten winnen, lijkt me wel duidelijk, maar ik heb nog niet alles gelezen…

 

Armageddon in Syrië

De wereld lijkt nogal boos op dit moment. Ik kan me haast voorstellen dat Islamitische jongeren met een wat smalle geest, massaal denken dat de Armageddon begonnen is. De grote strijd van de rechtvaardigen tegen de onrechtvaardigen. Aanslagen in Parijs en Brussel, Amerikaanse moordaanslagen met drones op Taliban- en IS leiders in Pakistan en Afghanistan. Ik kan me voorstellen dat die jongeren dat allemaal interpreteren als onderdeel van de laatste strijd. Als je dat eenmaal denkt, dat past er van alles in dat straatje. De simultane opkomst van bewegingen als IS, Al Shabab of Al Qaida. De oorlog in Libië, Yemen, Syrië, Irak en ga zo maar door. Als je gelooft in die laatste strijd, dan is het best logisch dat je je wilt aansluiten bij zo’n groep. De toekomst zal je even helemaal niets zeggen. De toekomst is immers de hemel na de overwinning van de rechtvaardigen. Jij bent een rechtvaardige!

Nederland en Europa houden niet van deze jongeren. Nederland en Europa geloven absoluut niet dat er een laatste slag bezig is. Helemaal juist niet. Ze zien ook geen rechtvaardigen en ook geen onrechtvaardigen. Nederlandse en Europese leiders zien een bedreiging van de rechtsorde en een gevoel van onveiligheid. Een aanslag hakt er bijzonder hard in bij de bevolking. Voor jongeren die zich bij IS hebben aangesloten en gehard zijn in de strijd en dan weer in het verwende Europa terugkomen is een aanslagje plegen peanuts, zo redeneert men hier. En hoewel het aantal terreuraanslagen in West-Europa heus niet het aantal aanslagen in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw overtreft, zit de angst er goed in. Parijs en Brussel heeft iedereen behoorlijk zenuwachtig gemaakt.

Harde maatregelen doen het goed bij het zenuwachtige electoraat. Nederland komt met nieuwe wetten. Nu is er een wet aangenomen die een jongere met de Nederlandse nationaliteit maar die ook een andere nationaliteit heeft, het Nederlanderschap ontneemt als hij zich bij een groep als IS aansluit. Bovendien wordt hij meteen tot persona non grata verklaard. Kortom, officieel komt hij Nederland niet meer in. Je zou zeggen; opgeruimd staat netjes. We verkleinen het risico op een aanslag en bovendien zijn we een lastig persoon kwijt…

Maar toch denk ik er genuanceerder over. Ik ben namelijk ook vader. Jongeren die naar Syrie vertrekken zijn doorgaans pubers. Jongens en meisjes rond de twintig. Dat is een leeftijd waarop je wel de trekker kunt overhalen, maar nog niet kunt beredeneren wat voor gevolgen dat heeft. Een gevaarlijke periode in je leven. Een periode in je leven waarin je in staat bent om onherstelbare schade aan te richten.

Maar, zoals gezegd, ik ben ook vader. Hun zonen en dochters zijn een beetje ook mijn zonen en dochters. Ik zie daarom mijn kinderen naar Syrië vertrekken. Ik wil dat niet. Ik denk dat ik ze nog moet beschermen. Dat moet ik ook want hun oordeel is nog troebel. Eigenlijk kunnen ze nog niet zelfstandig hun weg vinden. Maar ik kan ze niet tegenhouden om af te reizen. Mijn enige hoop is dat ze snel, ongeschonden, weer thuiskomen. Dat maakt de regering onmogelijk. De nieuwe wet van de Nederlandse regering treft de ouders het hardst.

 

Liefde laat zich niet dwingen

Ik heb verzaakt om aan mijn oma te vragen waarom ze, als joodse vrouw, voor een joodse man koos. Ik kan het haar nu niet meer vragen. Maar het is een interessant vraag. Mijn oma was voor de oorlog actief in de AJC. De AJC was haar leven. Ze geloofde in een betere wereld. Een wereld waarin het kapitalisme had plaatsgemaakt voor een klasseloze maatschappij. Oma ging om met grote socialistische voortrekkers. Koos Vorrink was een goede kennis van haar. Godsdienst was volgens hun opium voor het volk. Toen ik haar uitnodigde voor de doop van onze oudste, haalde ze hautain haar mopsneusje op; zij in een kerk, aan-haar-nooit-niet. Maar toch koos ze voor een joodse man. Niet één keer, maar twee keer. De vader van mijn moeder was joods maar ook mijn ‘echte’ opa waarmee ze na de oorlog trouwde, was joods. Merkwaardig. Waarom? Ik had het haar moeten vragen.

Als mijn oma gekozen had voor een niet-joodse man, dan waren haar problemen in de oorlog lang niet zo groot geweest. Hoewel ik van mening ben dat je de liefde niet kan dwingen, is het wel opvallend dat ze in een jongerenorganisatie waar men niets van godsdienst moest hebben, juist koos voor een joodse man. Stilletjes denk ik…of vraag ik me voorzichtig af…is dat ook niet een racistische stap? Ik durf het haast niet hardop te zeggen. Maar heeft zij haar partnerkeuze wellicht laten leiden door het idee dat joden beter zijn dan anderen? Hoe zit dat precies? Haar zus, mijn tante Marie, was absoluut niet bezig met het verheffen van de arbeidersklasse. Politiek zei haar niet veel. Het jodendom trouwens ook niet. Ze trouwde met een niet-joodse man. Haar problemen tijdens de oorlog met het extreem racistische regime waren groot, maar stonden in geen verhouding met de problemen die mijn oma met het regime had. Mijn oma, mijn moeder en mijn biologische opa wilden ze dood. Tante Marie had wat dat betreft niet veel prio…voor dat regime.

In de jaren dertig van de vorige eeuw deed mijn oma moeite om de ‘arbeiders aller lande’ te verenigen in de strijd tegen het kapitaal, maar in haar partnerkeus beperkte ze haar blik, zo lijkt het. Ik had het haar moeten vragen vijftien jaar geleden.

Ik heb er al eerder over geschreven, maar racisme voorkom je door eerst zelf een stap te zetten. Racisme bestaat bij de gratie van onderscheid. Joden, Marokkanen, Surinamers, Russen, Oekraïners. Zolang die groepen bij elkaar leven, kunnen ze elkaar op grond van hun ‘wil’, tolereren en rekening met elkaar houden. Integreren, dus. Maar wil je echt van racisme af, dan moet je mengen. Dan moeten joden met Marokkanen kindjes krijgen en Nederlanders met Surinamers en Oekraïners met Indonesiërs en Molukkers met Russen. En hun kinderen moeten ook weer trouwen zonder aanziens des rasses…wat dan ook al veel makkelijker gaat, want over wat hebben we het dan nog precies?

Maar, zoals ik al zei, liefde laat zich niet dwingen. En…vrijheid betekent ook dat je als joodse vrouw mag kiezen voor een joodse man. En…dan mag een Molukse man natuurlijk ook kiezen voor een Molukse vrouw. Of…dat een Marokkaanse man mag kiezen voor een Marokkaanse man (en geen kindjes krijgt). No problem at all… maar het lost het racisme niet op.

Lanzmann in Nederland

Claude Lanzmann is in Nederland. In de Volkskrant van vandaag een interview met hem. De man is negentig jaar oud en mankeert van alles. De Volkskrant interviewt de oude man toch. Daar komt helemaal geen positief beeld uit. Lanzmann blijkt een rancuneuze, mopperige en onbeleefde man. Hij schoffeert een muzikant en bedreigt een criticus. Ik vraag me af of het verstandig van de Volkskrant was om Claude Lanzmann te interviewen. Nu ik het interview gelezen heb, is er een wat morsig beeld ontstaan, dat ik liever glad en schoon hield. Dit morsige beeld verandert niets aan Shoah.

Op dit moment kijk ik dagelijks een half uur naar zijn levenswerk. Shoah. Eén van de belangrijkste documentaires die in de recente geschiedenis gemaakt zijn. Door mensen hun verhaal te laten doen, vertelt Lanzmann de geschiedenis van de vernietiging van het Europese jodendom. Er zitten wat kleine dissonanten in de film, maar over het geheel is het een eerlijk en open verhaal. Ik zie de film inmiddels voor de derde keer. De eerste twee keer heb ik deel voor deel gekeken. Viereneenhalf uur per keer. Nu dus een half uurtje per dag. De film maakt me somber. De mens is tot veel meer slechts in staat dan we ons kunnen voorstellen.

In het interview in de Volkskrant van vandaag komt het stuk met Abraham Bompa in Shoah aan de orde. De documentairemaker Adam Benzine heeft kritiek op de wijze waarop Bompa zijn verhaal doet. Uit de reactie van Lanzmann maak ik op dat Benzine aan de echtheid van Bompa’s verhaal twijfelt. Een zware beschuldiging die hopelijk niet waar is. Op het moment dat dit wel waar zou blijken, zakt de film Shoah in elkaar omdat je dan van niets meer zeker bent of het klopt.

Toevallig heb ik gisteren het verhaal van Bompa gezien. Ik ben overtuigd van de integriteit van Bompa. De man is kapper en vertelt zijn verhaal terwijl hij een klant knipt. Hij werd vanuit Czestochowa gedeporteerd naar Treblinka. Hij werd gespaard voor de onmiddellijke dood en werd ingezet als slaaf. Toen hij zo’n vier weken in Treblinka was, vroegen de beulen om kappers. Daarvoor meldde Bompa zich aan; hij was per slot al jaren kapper en een baan betekende leven. Zijn taak bestond eruit dat hij in de gaskamer de haren van de vrouwen moest knippen. De haren werden verzameld en in balen naar Duitsland gestuurd. Bompa vertelde dat er in de gaskamer banken werden neergezet. Dat vervolgens de vrouwen, compleet naakt de gaskamer in werden gestuurd en dat de kappers dan de opdracht hadden om de vrouwen min of meer een kort kapsel te knippen. Dat ging met grote halen snel thuis; een knip hier, een knip daar en hupsakee, de volgende. De vrouwen kregen daardoor het gevoel, zo filosofeerde Bompa, dat ze verzorgd werden en dachten ze dat ze vervolgens ontluisd zouden worden. Dat in tegenstelling tot wat er echt stond te gebeuren.

Als de kappers klaar waren met hun werk, werd hun verzocht om vijf minuutjes uit de gaskamer te gaan zodat de vrouwen ontluisd konden worden. In die vijf minuten werden de vrouwen vermoord en kon de volgende lading vrouwen worden ‘behandeld’.

De manier waarop Bompa het verhaal vertelt komt op mij uitermate authentiek over. Franz Suchomel, een SS-Unterscharführer die, als voormalig bewaker van Treblinka, precies het ‘proces van mens tot as’ uit de doeken doet, vertelt veel gruwelijks, maar het kaalknippen van de vrouwen zit daar niet bij. Misschien vond hij dat niet belangrijk genoeg.

Een hoop gezeik

De rubriek ‘Gezond’ op maandag van Jeske Hendriks, blijft mateloos interessant. Schijnbaar onbedoeld snijdt het zaken aan die er echt toe doen. Zaken die je echt bezig kunnen houden. Vandaag gaat het over of het beter voor mannen is om zittend te plassen dan staand. Echt een heel erg interessant onderwerp. In haar column komt één belangrijke vraag niet aan bod: Is het beter voor vrouwen als mannen zittend plassen? Veel vrouwen, weet ik, willen graag dat mannen zittend plassen omdat dat een zeker risico verkleind.

Mannen krijgen soms een sproeistraal. Namelijk als de voorhuid ietsje geplakt zit en niet losgetrokken wordt. Dan gaat de straal alle kanten uit. Vrouwen die het makkelijkst zittend plassen, lopen dan het risico dat ze gesproeide urine van een ander aan hun lijf krijgen. Dat is echt goor. Dat is een hele vieze gedachte. Het is één van de onderliggende gedachten om aparte toiletten voor mannen en vrouwen te maken. We willen vrouwen vrijwaren van gesproeide mannelijke pis op de wc-bril. Bovendien vinden wij mannen het niet fijn dat, als we in het urinoir staan te zeiken, dat er een vrouw achter ons langs loopt. Je voelt je als man best kwetsbaar zo met je ding uit je broek.

Grappig dat Jeske Hendriks juist nu over dit onderwerp schrijft. Kortgeleden liepen de plas-emoties hoog op. In Amerika had een plaatselijke overheid verordonneerd dat mensen slechts naar het toilet mochten van het geslacht waarmee ze geboren waren. Dus was je als vrouw geboren, maar je voelde je helemaal man, dan moest je naar het vrouwentoilet en vice versa. Dat ervaarden mensen die in een verkeerd lichaam geboren waren als discriminerend. Zeker als ze zich operatief van geslacht hadden laten veranderen

Nou ken ik iemand die dat heeft laten doen. Die ooit geboren werd als jongetje maar zich de geslachtskenmerken van een vrouw heeft laten aannaaien. Ze functioneert en voelt zich nu vrouw. Maar dat is ze niet. Hoe graag ik het haar ook gun. Ze blijft voor de buitenstaander een nepvrouw. Een omgebouwde man. Met onnatuurlijke vrouw-maniertjes en een lijf dat eerder aan een man doet denken dan een vrouw. De buitenkant van haar fysiek is vrouw maar de wezenlijke kant van haar lichaam is man. Zo voelt het en dat brengt je in verwarring als je haar ziet. Maar na een week ben je eraan gewend, want ook dat moet gezegd.

Eén van de eerste dingen die we ons afvroegen toen we met hem/haar geconfronteerd werden, was…. Waar gaat ze pissen? Neemt ze het mannentoilet of gaat ze toch bij de vrouwen. En eigenlijk wisten we het antwoord al, maar toch…het houdt je bezig. Zelfs toen we ons realiseerden dat ze waarschijnlijk zonder hulpmiddelen niet veel meer kon met een urinoir.

Staand plassen spettert altijd een heel klein beetje. Ik geef het toe. Ik heb dan ook best een beetje te doen met Josien die de enige vrouw was, in ons mannengezin. Maar zittend pissen voelt als castratie. Wat ze er wetenschappelijk ook over zeggen; staand plassen gaat het beste! Als man. Eigenlijk is het allemaal een hoop gezeik!

Ons rest niets anders dan afwachten.

Als je een moestuin hebt, zoals ik, dan wil je er het hele jaar door uit eten. Dat is het leukste. Altijd verse groente. Maar dat gaat natuurlijk niet. In de winter wil er niet veel groeien. Dan heeft de Aarde rust. Maar dat neemt niet weg dat we het hele jaar door verse groente willen. Nu is het lente en in de lente moet je beslissen wat je gaat telen. Om ons verlangen van het-hele-jaar-door-verse-groente-uit-onze-eigen-tuin een stapje dichterbij te brengen, hebben we dit jaar veel gezaaid waarvan we lang kunnen genieten. Nu nog kijken of het ons ook lukt. De natuur is grilliger dan aangegeven staat op het zakje zaad.

Natuurlijk hebben we zaden gekocht van groentes die je de hele winter gewoon in de tuin kunt laten staan en waarvan je de hele winter kunt oogsten. Boerenkool telen we elk jaar. Ik moet ook zeggen dat we daar erg gek op zijn. Vooral met eigengemaakte rookworst. Het eerste zaaisel is mislukt, maar het tweede zaaisel ligt nu in de vochtige grond. Ook het eerste zaaisel van de spruitjes is mislukt. Ook die gisteren nog gezaaid. Met de regen die er vandaag overheen valt, moet het wel goed gaan. Spruitjes heb ik nog nooit gekweekt en ik ben erg benieuwd hoe dit gaat uitpakken. De laatste groente die we de hele winter kunnen laten staan is de winterpostelein. Dan moeten we het niet vergeten om het begin november te zaaien. Dat was vorig jaar misgegaan en daardoor hebben we relatief maar weinig kunnen oogsten.

Dan hebben we de bewaargroenten. Bietjes en worteltjes en pastinaken. Worteltjes geven het op den duur wel op. Dat wordt ons ieder jaar wel duidelijk. Op een gegeven moment vindt je ineens een vloeibaar worteltje en dan weet je het; het is afgelopen. De bietjes worden elke maand ietsje later gaar totdat ze helemaal niet meer gaar te koken zijn. Pastinaken van vorig jaar liggen nog in de koelkast en ze smaken nog prima. Ik hoorde laatst dat je pastinaken ook gerust in de grond kan laten zitten en pas uit de grond halen als je ze wilt eten. Ga ik toch maar niet doen. Ik vind het belangrijk dat we onze bloembedden goed kunnen spitten en als er nog pastinaken in de grond zitten, wordt dat erg moeilijk. Bovendien is pastinaken uit de grond graven nog wel even iets anders dan boerenkool afsnijden. Je krijgt van pastinaak heel erg koude handen als je in de modder zit te wroeten.

Dan heb je de planten die in de winter een nieuw leven beginnen. Dit jaar hebben we behoorlijk wat witlof gezaaid. Nog nooit gedaan en ik ben erg benieuwd of daar wat uit gaat komen. Eerst moeten we in ieder geval de wortels kweken. In de oogsttijd halen we ze uit de grond en snijden we het loof eraf. Vervolgens zetten we ze in wat los zand ion een kist in het donker. Als het goed is, dan gaan er heerlijke struikjes witlof aan de wortels groeien. De theorie ken ik wel, nu nog de praktijk. Maar de zaadjes zitten in de grond, dus nu is het even afwachten.

Tenslotte is er zuurkool. Daarvoor moet je kolen kweken. Omdat ons eerste zaaisel, net als dat van de boerenkool en de spruitjes, mislukt was, heb ik plantjes gekocht. Het koolveld ziet er nu al indrukwekkend uit. Het grootste gevaar dat hen bedreigt – slakken – zijn we agressief te lijf gegaan. We hebben anti slakken bekertjes gemaakt zonder bodem. Die hebben we over de plantjes heengezet. Gisteren hebben we kunnen constateren dat de plantjes groeien als…kool. Ik zit te overwegen wanneer ik zoveel zekerheid heb, dat ik een heuse zuurkoolpot ga kopen…

Maar goed, de zaden zitten in de grond…ons rest niets anders dan afwachten.