Vondelingen; Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam – in het Amsterdamse Stadsarchief.

Eén van mijn favoriete programma’s op de televisie is ‘Spoorloos’. Het programma waar mensen hun uit het zicht geraakte familie proberen te vinden. Vooral de speurtocht trekt mij aan. Het kan mij niet ver en complex genoeg zijn. Op het moment dat de door moedwil en misverstand uit elkaar gedreven moeder of vader met hun verloren gewaande kind worden herenigd, zet ik het geluid zacht en kijk ik eventjes ergens anders naar; ik zit niet te wachten op de sentimenten die zo’n ontmoeting teweeg brengt. Bovendien vind ik diep van binnen dat ik helemaal geen recht heb om getuige te zijn van zo’n intieme ontmoeting. Eén van de mooiste speurtochten werd gedaan door een jonge vrouw naar haar biologische ouders. Met haar amberkleurige huid en prachtige bos zwarte krullen kon je je haast niet voorstellen dat zij haar familie aan het eind niet in haar armen zou sluiten. Maar zo ging het wel, aan het eind was er niets. Dat kwam ook doordat er aan het begin van haar leven eigenlijk ook niets was; er waren nauwelijks aanwijzingen over wie of wat. Ze was als pasgeboren baby in een portiek achtergelaten met eigenlijk niet veel anders dan haar naakte huid. De ontmoeting met de politieagent die haar destijds vond, was indringend want ook hij worstelt sinds hij haar vond met zichzelf. Ze deelden iets dat te maken had met de kern van het leven. Aan het eind van de spoorloos-zoektocht was de familie nog even spoorloos als aan het begin. Ze was teleurgesteld en verdrietig en je gunde dat haar niet. Je wilde zo graag dat het tot een goed einde kwam. Maar nee, helaas.

Wat mij het meeste zal bijblijven aan de tentoonstelling ‘Vondelingen. Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam’ zijn de gevallen waar de moeder juist wel teruggevonden wil worden. Het verhaal dat in deze tentoonstelling verteld wordt, is het verhaal van schrijnende armoe van rond 1800, de Franse tijd. In die periode was de armoede groot. Zo groot dat vele ouders niet meer voor hun kinderen konden zorgen en ze hun kroost te vondeling legden. Dat dit voor heel veel moeders een haast niet te verteren noodgreep was wordt bewezen door de dingen die bij de vondelingetjes werden achtergelaten. Vaak zaten er dingen bij die een latere hereniging tussen ouders en kind mogelijk moesten maken. Hoe kon je, in een tijd waarin men geen idee had van DNA, bewijzen dat je kind je kind was als je het te vondeling had gelegd? Je moest iets in je bezit hebben dat een directe link bewees tussen jou en het kind. Vaak werd er ‘iets’ in tweeën geknipt en één deel bij het kind achtergelaten. Op de tentoonstelling kwam ik in tweeën geknipte bidprentjes tegen, maar ook een briefje waarin met hele grote letters ‘ONGELUKKIG’ was geschreven en het briefje halverwege het woord doorgeknipt was. Mochten ouder en kind elkaar weer vinden dan konden ze, door de twee helften tegen elkaar te passen, bewijzen dat ze echt diegenen waren als waar ze zich voor voordeden. Op de tentoonstelling in het Amsterdamse Stadsarchief ben ik, helaas, geen verhaal tegengekomen van een hereniging.

Op de tentoonstelling wordt getoond wat de weg van de vondelingen was. Als er een kind werd gevonden dan werd het ‘ingenomen’ in het Aalmoezeniersweeshuis. Bij dat innemen kreeg het kind een naam. In veel gevallen werd de naam overgenomen door briefjes die bij de vondeling werd gevonden: ‘Mijn kind heet Willem Kraan en hij moet nog geriffermeert gedoopt worden.’ (zelfverzonnen voorbeeld) Maar vaak was er helemaal geen briefje en dan werd er een naam verzonnen die al of niet ergens op sloeg: Jacob Weetniet, Claartje Zonderbericht. Er was een meisje dat de achternaam ‘Mout’ kreeg omdat ze, waar ze was gevonden, het erg naar mout rook. Zodra het kind een naam had werd er een min gezocht. Ook een uit armoede ontstaan beroep want tegen een geringe vergoeding legde een vrouw naast haar eigen kind ook een vondeling aan de borst. De vergoeding voor de min hield na vijf jaar op en dan werd het kind opgenomen in het Aalmoezeniersweeshuis alwaar er via tucht en orde en een opleiding, een nuttig mens van werd gemaakt. Jongens kregen bij het verlaten van het weeshuis als start het gereedschap mee waar ze mee hadden leren werken. In de wat vroegere periode in de geschiedenis eindigden de jongens na het weeshuis in de legers van Napoleon of werden ze als bemanning op de schepen van de VOC en de WIC gezet. Ik kreeg de indruk dat men met meisjes voorzichtiger omsprong. Vooraf had ik gedacht dat dat soort beschadigde meisjes al snel in de prostitutie terecht kwamen, maar daar wordt op de tentoonstelling niets over gezegd.

Een aantal vondelingenlevens wordt door de archieven heen gevolgd. Dat levert hele bijzondere verhalen op. Zoals de vrouw die als min een jongetje te verzorgen krijgt. Het jochie blijft tot aan zijn negende bij haar (geen plaats in het weeshuis, toen hij vijf was? Het wordt niet verteld). Daarna wordt hij naar een weeshuis in de arme sloebers kolonie Veenhuizen gestuurd in het verre Drenthe. Het breekt het hart van de min en ze beweegt hemel en aarde om haar ‘lieveling’ terug te krijgen. En dat lukt haar ook. Maar helaas, de ongemeen harde tijd in Veenhuizen heeft het joch veranderd; haar lieveling is niet meer het kind waarvan ze afscheid nam. Na een half jaar lukt het niet meer om hem bij haar te houden en keert hij terug naar het weeshuis.

Het weekmenu van het weeshuis

Dat het in het weeshuis niet direct gezond was, laat wel het menu zien. Zoals ik het begreep was er een vast weekmenu. Hou je dat menu tegen de tegenwoordige schijf van vijf, dan vraag je je af hoe kinderen het überhaupt overleefd hebben. Aan de andere kant weet ik wel dat er voor veel armen er niet veel anders op zat dan dagelijks het gevecht aan te gaan om de dagelijkse ongezonde maaltijd. In die zin werd er best aardig voor de vondelingen en weesjes gezorgd. Ik wil ook absoluut niet in de val trappen dat ik denk dat het mededogen en de wil om te zorgen voor de onfortuinlijke medemens veel veranderd is in de tijd. Ik denk wel dat we nu als geheel oneindig veel rijker zijn en dat daardoor de zorg voor onze kinderen die om wat voor reden dan ook niet bij hun ouders kunnen opgroeien, beter is. Maar laten we ons niet op de borst kloppen want zodra het een beetje tegenzit, bezuinigen we als eerste op de die zorg terwijl we de sterkste schouders relatief de minste lasten laten dragen.

Ik moet zeggen dat ik de tentoonstelling in het Amsterdamse stadsarchief een aanrader vind. Schrijnend, vertederend, leerzaam en zeker een aanrader!

Thomas Rueb – Laura H.; Boeiend, maar of we er wijzer van worden…

Ik heb het boek Laura H. van Thomas Rueb uit. Indrukwekkend. De korte samenvatting: Een meisje dat onbeschermd in het leven staat en daardoor een prooi is voor misbruik, hult zich in een fout harnas maar komt er uiteindelijk toch sterker uit. Dit alles wordt in het boek minutieus uit de doeken gedaan. Ondanks de uitweiding in details is het een verschrikkelijk boeiend boek en dat roept tegelijkertijd weer vragen op want brengt het ons verder als we alle details weten van het leven van een twintigjarige vrouw? Wat schiet de maatschappij ermee op dat we precies weten hoe de vork in de steel zat voor Laura H.? Wat is precies de bedoeling van het boek? Op de een of andere manier worstel ik erg met deze vragen. Waarom verdiep ik me in het intieme leven van een puber? Voor de lezer wordt het duidelijk dat Laura weliswaar naar de islamitische heilstaat getrokken is en kennelijk van plan was om te helpen dat bij voorbaat mislukte land op te bouwen. Ze was er niet met het idee om de westerse samenleving te schaden maar om er zelf wellicht gelukkig te worden. Ik laat deze bedenkingen even voor wat ze zijn. Het boek vertelt het levensverhaal van een jonge vrouw die negatief in het nieuws is gekomen en een geruchtmakende strafzaak heeft gehad. Een vrouw waarover velen een mening hadden – inclusief ikzelf – zonder dat ze – we – het complete verhaal kenden.

Laura groeit op in een gezin dat volledig in beslag genomen werd door de ziekte van Laura d’r broertje Digmar. Hij heeft slecht functionerende nieren. Het gezin, en daarmee Laura, komt voor het eerst in de openbaarheid als Laura een jaar of tien is. Broertje Digmar vertelt in het programma ‘Klokhuis’ hoe het is om nierpatiënt te zijn. Ook de ouders vertellen wat het voor hun gezin betekent en ondertussen zien we Laura als jong meisje op de bank zitten. Ze zit onbelangrijk te wezen in een gezin vol leed. We zien haar ook omgaan met Digmar. De televisiebeelden die niet moeilijk op Internet te vinden zijn, ondersteunen wat er in het boek wordt beschreven; alles draait om de zorgen en de ziekte van het kleine broertje. Ook het huwelijk van de ouders blijkt niet bestand tegen deze zorgen. Laura gaat na de scheiding bij haar moeder wonen in een flatwijk in Zoetermeer. Inmiddels is Laura in de pre-pubertijd terechtgekomen en is ze jongens op een andere manier gaan zien dan als louter speelkameraadjes. In de flatwijk wonen veel Marokkaanse gezinnen en Laura wordt verliefd op een Marokkaanse jongen. Om een lang verhaal kort te maken, binnen no-time gaat ze van jongenshand tot jongenshand (en bij ‘hand’ bleef het niet) en heeft ze als dertien- veertienjarige met meer verschillende jongens seks op een dag dan menige uitbaatster van zichzelf op de Wallen. Ze is seksueel vogelvrij. Moslim worden, is haar tactiek om zichzelf te beschermen.

Ze maakt de jongens in de buurt wijs dat ze van Marokkaanse afkomst is en geeft zichzelf een meer Marokkaanse naam en gaat (soms) een hoofddoek dragen. Dat ook dit niet vanzelf gaat spreekt haast vanzelf. Ze loopt weg en komt voor de tweede keer landelijk op de tv; als wegloper. Via moslim datingsites gaat ze op zoek naar een moslim echtgenoot. Die vindt ze en van hem krijgt ze op d’r zestiende haar eerste kind. Dit huwelijk loopt op de klippen. Via dezelfde datingsite komt ze aan echtgenoot Ibrahim. De man blijkt depressief en psychotisch en mishandeld haar. Ze krijgen samen een zoontje. Ibrahim denkt dat alle mishandelingen en hun huwelijksproblemen voorbij zijn als ze naar IS vertrekken. Aldus geschied. Maar daar valt alles verschrikkelijk tegen. Ibrahim zet er qua mishandelen nog een tandje bij.

Vader Eugene gaat, op aanraden van de Nederlandse staat, in zee met een Duitse man Köhler omdat hij ervaring zou hebben met ontsnappingen uit IS-gebied. Ze maken samen een plan en stellen Laura op de hoogte. Zij weet Ibrahim zover te krijgen dat ook hij wil vertrekken. Door een wonder weten ze tot aan de grens te komen. Als Ibrahim door een granaat geraakt wordt, ziet Laura haar kans en holt ze, met haar kinderen, voor haar leven richting de Koerden. Daar weet ze levend aan te komen. Ze wordt aan de wereldpers voorgesteld en vertelt dat ze uit Sweet Lake City komt. Ze wordt overgebracht naar Nederland en meteen in de gevangenis gestopt. Haar kinderen worden ondergebracht. Hoewel de schrijver niet duidelijk is over waar, lijkt het bij haar vader te zijn. Haar islamitische harnas legt ze af zodra ze in Nederland is. Er volgt een proces waarbij ze ook door het Pieter Baancentrum wordt onderzocht. De overheid en het Openbaar Ministerie blijven lang op de lijn zitten dat Laura met een geheime IS terreur-missie naar Nederland is gestuurd. Uiteindelijk komt ze met een jaar gevangenis – die ze dan al heeft uitgezeten – en een jaar voorwaardelijk en met de schrik vrij. Door het Pieter Baancentrum wordt ze als bovengemiddeld intelligent gekenschetst. Dat ziet ze als een stimulans om school af te maken en te gaan studeren. Ik vraag me af of een bovengemiddeld intelligent mens tegen haar wil in IS land kan komen, maar kennelijk toch wel.

Zoals ik al zei is het een boeiend boek. Het door de schrijver vertelde verhaal van Laura wordt afgewisseld met interviews die de schrijver had met verschillende betrokkenen. Ook authentieke chatgesprekken zijn opgenomen in het boek. Die afwisseling maken het geheel zeer boeiend en lezenswaardig.

Natuurlijk is Laura H. door wat ze gedaan heeft een publiek figuur geworden. Toch was ze een weerloze meid die eigenlijk recht heeft op haar eigen leven. Ik hoop voor Laura H. dat ze, als ze echt tot rust is gekomen, diep over zichzelf gaat nadenken. Er zijn zoveel onbeantwoorde vragen. Geen vragen die belangrijk zijn voor Nederland. Vragen die haarzelf aangaan. Wat ging ze zoeken bij al die jongens van Marokkaanse komaf? Waarom zocht ze jongens uit die haar misbruikten? Waarom stond ze toe dat ze van hand tot hand ging? Wat zocht ze in de islam? Waarom bleef ze volharden in de moslim datingsite terwijl ze na haar IS-tijd de islam uitdeed als een oude jas? Waarom liet ze zich mishandelen?

Door het boek van Thomas Rueb heb ik Laura H. leren kennen. Interessant om haar verhaal en beweegredenen te leren kennen. Ze heeft onrust veroorzaakt in het niet zo heel erg rimpelloze Nederland. Of we er ook wijzer van worden….Ik weet het niet.

Ik heb buikpijn, verschrikkelijke buikpijn!

Door al dat racisme gedoe word ik zomaar een rechtse hoek in gedrukt. De hoek waar ik, linkse jongen, niet graag in zit. Ik krijg buikpijn. Ik heb buikpijn. Ik voel me in de hoek gezet waar de klappen vallen terwijl ik aan mijn ‘witte ’ zijn niets kan veranderen. De schuld van de geschiedenis wordt zomaar pardoes op mijn schouders gelegd en mijn politieke vrienden slikken dat voor zoete koek. Ik voel geen bescherming van de kant die mij dierbaar is maar wel van mijn tegenstanders. Dat is toch zuur? Heel erg zuur. Dus begon ik me af te vragen of ik verkeerde dingen denk; of ik misschien zomaar verrechtst ben. Je ziet het, er woedt een strijd in mij. Ik wil niet bij gekkies als Baudet en Wilders horen. Echt niet. Maar juist bij dat racismegedoe hebben ze echt een punt. In Nederland valt juist de hang naar gelijkheid op en dat wordt bewezen door de maatschappelijke onrust die ontstaat als er wordt vastgesteld dat mensen met een verschillende achtergrond verschillend worden behandeld. Voor de overheid moet iedereen gelijk zijn. Daar zijn we in Nederland bijna unaniem over eens en gaat er een dienst over de schreef, dan wordt het al snel een item dat het journaal voor weken beheerst. Neem de kindertoeslagaffaire bij de belastingdienst; het land is te klein. Mensen werden er op grond van hun etnische achtergrond of niet-Nederlandse achternaam uitgepikt. Er wordt zelfs gevraagd om ambtenaren persoonlijk te straffen.

Dat het met racisme wel meevalt, mag ik dus niet zeggen. Ook mag ik niet zeggen dat als je slavernij in historisch perspectief zet, Nederland het, als land, nog niet zo heel erg slecht gedaan heeft. Ook mag ik niet zeggen dat de gemiddelde zeventiende-, achttiende- en negentiende eeuwer in Nederland part nog deel had aan de slavernij en dat zij het druk genoeg hadden om zelf te overleven. Ook lijkt het me uit den boze om te stellen dat een erfschuld niet bestaat; dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar handelen. Ook mag ik geen vraagtekens zetten bij wat nou precies ‘zwarte’ en ‘witte’ mensen zijn. Ben ik wit? Maar ik heb een joodse moeder; moet je eens kijken hoe joden de afgelopen honderd jaar door niet-joden zijn behandeld? Ja, maar de joden waren goed vertegenwoordigd als plantage-eigenaren in Suriname. De kinderen van mijn zusje zijn een slag donkerder dan mijn kinderen; zijn mijn kinderen daders en de kinderen van mijn zus slachtoffers? Het houdt mij verschrikkelijk bezig en het gedoe brengt ons allen geen stap dichterbij elkaar. En ik voel me in een hoek gedrukt waar ik helemaal niet wil zijn. Waarom is zeggen dat witte mensen per definitie uitbuiters zijn, niet racistisch en beweren dat zwarte mensen lui zijn, wel racistisch? Zie jij het verschil?

Iemand drong bij mij voor in de rij voor de kassa. Vond ik niet leuk. Ik zei gepikeerd: ‘Als jij zo’n haast hebt, ga dan maar voor’. Tuurlijk had ik beter mijn bek gehouden, maar soms lukt dat gewoon niet. De man schold me uit en vond dat ik een ‘vuile racist’ was. Ik weet het, ik weet het; één voorbeeld van agressief en uitgebuit slachtofferschap bewijst helemaal niets…

Maar ik heb er echt buikpijn van, geloof mij maar! Ik voel me een oude mopperaar. Je hoort mensen mij me mijn vermeende slavernijverleden verwijten die, mind you, recent uit Afrika gevlucht zijn en hier liefdevol in de gemeenschap zijn opgenomen. Niet alleen hebben ze hier gratis geld gekregen en een dak boven hun hoofd. Ook hebben ze een gratis opleiding gekregen terwijl niemand in hun stamboom tot in de verste verste geschiedenis ooit een bijdrage heeft geleverd aan onze vermeende rijkdom. En slavernij? Kunnen zij last hebben gehad van slavernij. Zeker! Interne Afrikaanse slavernij van Afrikanen onder elkaar. Nergens in de wereld is dat probleem groter. Nu. Op dit moment.

Racisme in Nederland

Met lede ogen zie ik hoe populisten het in Nederland steeds meer voor het zeggen krijgen. Ze hebben de wind mee. Ze presenteren makkelijke oplossingen voor ingewikkelde problemen die na bestudering eigenlijk ook helemaal geen oplossing zijn. Populisten houden van zondebokken zodat ze de schuld van alles wat er mis gaat af kunnen schuiven op groepen die het doorgaans toch al moeilijk hebben. Daarbij lijken lessen uit het verleden helemaal niet te werken. Nu hebben Marokkanen het vooral gedaan. Elke beschuldiging aan het adres van een groep is sowieso fout. Elk individu is alleen verantwoordelijk voor de dingen die hij of zij zelf doet. Erfzonde bestaat niet. Als iemand vraagt aan een tegen Marokkanen opgehitst publiek: Willen jullie meer of minder Marokkanen?  Dan hoef je het woord ‘Marokkanen’ maar te vervangen door het woord ‘Joden’ om een les uit het verleden te kunnen trekken. Maar gek genoeg is het evident dat dat niet werkt. Op de één of andere manier ziet het publiek dat zich tegen Marokkanen laat ophitsen niet de overeenkomst met het nazisme in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. Belangrijk is dat het niet om Marokkanen of Joden of Turken of Afrikanen of Chinezen of witten gaat. Dat zijn groepen mensen die kwaad noch goed doen. De individuen waaruit de groep is samengesteld moet je verantwoordelijk houden.

Dat is denk ik de reden waarom ik zo verschrikkelijk boos wordt op mensen die mij voor van alles uitmaken en me van alles in de schoenen schuiven alleen maar omdat ik een bepaalde huidskleur heb. Je kan me daar helemaal mee over de zeik krijgen. Om mezelf tegen dergelijke woedeaanvallen te beschermen heb ik me voorgenomen om mensen die mij om mijn huidskleur veroordelen, compleet niet serieus te nemen. Gloria Wekker, bijvoorbeeld. Ze heeft een racisme-kathedraal gebouwd op een verrot racistisch fundament maar weet het te brengen alsof haar analyse bloot legt wat er mis is. Daarbij heeft ze zich op geen enkele manier gebogen over de basisvragen; de definitie van datgene wat ze zegt te onderzoeken. Ook heeft ze alles genegeerd wat haar hypothese onderuit zou kunnen halen. Een doodzonde in de wetenschap. Maar ze is wel hoogleraar geworden…Dat geeft te denken.

Toch breng ik het op om steeds weer geduldig te lezen wat er nu weer op me afkomt. De Volkskrant van vandaag laat mensen aan het woord die om één of andere manier het idee hebben dat ze in Nederland door witte mensen (mij dus) worden gediscrimineerd. Een jongen bijvoorbeeld die als student iedere keer in zijn rode sportauto werd aangehouden als hij naar zijn studentenflat reed. Het lijkt me logisch dat niet zijn huidskleur of de kleur van zijn sportauto verdacht waren, maar de combinatie student, studentenflat enerzijds en rode sportauto anderszijds; dat matched niet.

De moed zakt me helemaal in de schoenen bij het lezen van het verhaal van de uit Eritrea gevluchte Dominica Ghidei Biidu Widya. Ik voel me racistisch door haar bejegend. Ze legt de slavernijgeschiedenis op mijn schouders en, sorry, ik heb daar niets mee te maken. In de laatste groep mensen die uit Nederland in slavernij werden weggevoerd zat in 1943 mijn oma. Hoeveel mensen heeft Dominica Ghidei Biidu Widya gekend die uit Nederland weggevoerd zijn als slaaf? In Eritrea is slavernij daarentegen een groot probleem alleen zijn witte mensen daar niet schuldig aan…maar Eritreeërs zelf! Misschien moet Dominica Ghidei Biidu Widya zich wat meer op de problemen in Eritrea gaan richten…

Sander Heijne en Hendrik Noten – Fantoomgroei; het opent je ogen.

In 2008 stortte de bank in waar ik tussen 1998 tot 2001 gedetacheerd heb gewerkt. De bank kon in 2008 alleen maar gered worden door de staat: de bank werd genationaliseerd. Er werd, zo gezegd, cowboytje gespeeld op de effectenbeurzen. Er werd belegd in allerhande derivaten. Producten die geen mens meer begreep. Niet wat voor waarde zo’n derivaat had, maar ook niet waar het toe diende. Uiteindelijk ontstond er een steeds grotere zeepbel met producten waaraan theoretische waarde werd toegekend, maar die in feite niets waard bleken. In 2008 zei de zeepbel…plop… Net voordat Rijkman Groenink daar de hoogste baas werd werkte ik bij die bank. Die man werd later de grote graaier genoemd en heus, ik pleit hem niet vrij want onder zijn leiding werd op het onverantwoordelijk graaien nog een schepje extra gedaan, maar ook in die pre-Rijkman Groenink tijd was het graaien bij de bank al behoorlijk heftig.

Ik werkte daar aan software die de beurstransacties moest matchen met de bankoverschrijvingen. Omdat in dat programmaatje dat ik schreef zowel de hoeveelheid opties, futures – of hoe die producten ook allemaal mochten heten – het aankoopbedrag en de dagelijkse koersen stonden, was heel goed te berekenen hoeveel de winst en verlies precies was in die dagen. Laat ik dit zeggen, het ging alleen om winst. Astronomische winsten. Die beurskoersen stegen dag na dag en week na week. Met mijn collega – die van oorsprong beeldhouwer was en net als ik omgeschoold tot computerprogrammeur –  beredeneerden we dat als ‘wij, de bank’ zoveel geld verdiende, iemand anders dan evenveel verlies moest maken. Je hebt, zo dachten wij, één grote zak geld en als de bank een groot deel weg graait, dan moet een ander wel met te weinig genoegen nemen. Maar zo werkt het niet legde een economisch geschoolde collega uit; de waarde ‘groeit’. Dat gaat vanzelf en we worden er allemaal beter van want onze ingekochte producten worden meer waard zonder dat het iemand anders geld kost. Maar in 2002 spatte de eerste zeepbel uiteen…en ik werd ontslagen. De economische groei in 2002 was 0% terwijl de groei In 2001 nog 4% was maar dreef op een gigantische zeepbel van niet verdiende waardevermeerdering van nutteloze producten.

Over het bovenstaande fenomeen en nog veel meer rare bubbels in de economie gaat het boekje ‘Fantoomgroei’ van Sander Heijne en Hendrik Noten. De titel Fantoomgroei gaat over het verschil tussen enerzijds de groei van de economie die gemeten wordt aan de hand van het Bruto Binnenlands Product en anderzijds de groei van de lonen. In de afgelopen twintig jaar is het BBP zo’n slordige 30% gegroeid terwijl de lonen nauwelijks gestegen zijn. Waar is die groei dan precies naartoe gegaan? Wie hebben ervan geprofiteerd? Waarom doet de regering er, met algemene middelen die door de burgers opgebracht zijn, zoveel moeite voor om de economische groei te bevorderen terwijl die groei nauwelijks gunstige gevolgen heeft voor de burger. Het feit dat de economische groei boven nul is geeft ons een fijn gevoel want ‘het’ lijkt goed te gaan met ons, maar in hoeverre is dat gevoel terecht? Als het dan zo goed met ons gaat, waarom is er dan zoveel ontevredenheid en trekt men zo makkelijk naar populisten die eigenlijk alleen maar problemen verschuiven en antwoorden hebben die geen enkel probleem oplossen? Voor iedereen die niet al te veel verstand van de economie heeft maar er wel in geïnteresseerd is en die zich, net als ik afvraagt hoe het kan dat waarde stijgt zonder dat de gemiddelde patser daar iets voor hoeft te doen en die zich afvraagt of economische groei alleen zaligmakend is, raad ik dit boek aan.

Niet alleen vertellen de auteurs wat er verkeerd gaat in de maatschappij als je de groei van het BBP als uitgangspunt neemt, maar ze bieden ook – goed gedocumenteerd en beargumenteerd – hoe het beter kan. Zo kwamen ze met het idee, dat schijnbaar in Nieuw Zeeland al gebruikt wordt, om de groei van de welvaart niet meer te meten met het BBP, maar die af te meten aan verschillende ijkpunten. Dat is veel ingewikkelder en moeilijke te begrijpen dan één zo’n mooi getal, maar het geeft wel een adequater beeld van de staat van het land. Je zou beter kunnen kijken naar de mate van geluk en welzijn van de burger en de duurzame ontwikkelingen. Ze schrijven: “Te veel mensen werken tegenwoordig voor het bbp, in plaats van andersom. En de trends zijn negatief. De kloof tussen arm en rijk neemt toe, en de samenleving ontwikkelt zich steeds verder in een richting waarin het voor individuele burgers eten of gegeten worden is. En net als voor de verdeling van de welvaart die we creëren, moet het bbp het antwoord schuldig blijven op de problemen waarvoor klimaatverandering ons stelt.”

Erg leuk vond ik het om te lezen hoe opvattingen en de maatschappelijke ontwikkelingen invloed hadden op een bedrijf als Philips. De auteurs schrijven hoe de eerste meneer Philips zijn bedrijf opzette in een klein stadje (Eindhoven, dus) met een groot potentieel aan goedkope arbeidskrachten. Dat hij revolutie en opstand buiten de deur hield door een grote rol te gaan spelen in de welvaart en het welzijn van zijn arbeiders en dus de stad. Hij liet huizen bouwen, richtte verenigingen op, gaf de arbeiders scholingsmogelijkheden, gaf ze een behoorlijk loon, gaf hun kinderen de kans om te studeren. De fabrikant als weldoener, maar die de winstgedachte zeker niet uit het oog verloor. Maar dit alles ging vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw verloren. Onder invloed van de steeds kleiner wordende aardbol waardoor fabricaten over de hele wereld gingen kijken waar de goedkoopste onderdelen konden worden geproduceerd en ingekocht zodat de winsten, en daarmee de aandelen, konden stijgen. Ook onder invloed van neoliberale opvattingen die onder Wim Kok tot bloei kwamen en tot aan de huidige coronacrisis heilig zijn verklaard. Met de schrijvers hoop ik dat met de coronacrisis in die opvattingen verandering komt.

Ik vond het een zeer lezenswaardig boekje dat mijn ogen geopend heeft. Je weet wel dat economische groei niet alles is, maar probeer er maar eens argumenten tegenin te brengen! Dat leert dit boekje! Een aanrader.

Laura H. en de Yezidische seksslavin

Laura H. Ik heb al eens meer over haar geschreven. Toen ze zomaar ineens uit IS-land via onze tv de huiskamer in kwam lopen en vertelde dat ze woonde in Sweet-Lake-City, herinnerde ik me een opsporingsbericht van een paar jaar eerder. Na wat Googelen vond ik de foto van destijds. Ik schreef er een stukje over op deze site. Over de twee gezichten van Laura H. Thomas Rueb schreef een dik boek over Laura en omdat ik erg nieuwsgierig ben, heb ik dat boek gekocht en ben ik het nu aan het lezen. Fascinerend. Laura H. bleek al veel eerder op de televisie te zijn geweest, zag ik. Bij het programma ‘Klokhuis’. Maar daar was zij niet de hoofdpersoon, toen was het nog haar broertje. Het is niet onwaarschijnlijk dat dat broertje uiteindelijk geleid heeft tot haar latere bekendheid tegen wil en dank. Broertje was namelijk erg ziek en kreeg van Laura d’r ouders alle aandacht. Aandacht had ze zelf ook hard nodig en die zocht ze bij onbetrouwbare jongens. Dat kan je, als meisje, aardig in de problemen helpen.

Maar al lezende en tegelijkertijd googelend, kwam ik op filmpjes van tegenstanders van Laura H. Mensen die haar een lang en afgrijselijk leven toewensten. En die vrouwen, want het zijn voornamelijk vrouwen hebben wel een punt, moet ik zeggen. Ik zag interviews met jonge Yezidi-vrouwen. IS, en alles en iedereen die daarbij betrokken was, is voor hen de vijand. En…begrijpelijk. Ik stuitte op een filmpje waarin jonge Arabische IS mannetjes zich verheugen op een slavin. Eentje schept zelfs op dat hij er twee gekocht heeft. Die gekochte slavinnen waren jonge Yezidi-vrouwen en ze dienden voor helemaal niets anders dan…SEKS. Je kan je toch niet voorstellen dat anno de eenentwintigste eeuw mensen als slaaf verkocht worden. Dat je zo weinig om de lichamelijke integriteit van een ander geeft, dat je denkt dat je alles met een gekocht mens kunt uitspoken. Daar kan zelfs ik, als witte, heteroseksuele, goedverdienende, oudere man met een slavernijverleden niet bij.

Slavin…hmmm…hoe proeft dat woord. Hoe tintelt het woord op mijn tong. Best sexy. Een geile fantasie, misschien? Een jonge vrouw die alles moet doen wat je verlustigde, geile geest je ingeeft. Die al je hitsige fantasieën waar maakt? Hoe zou dat zijn? Hoe zou ik zijn als IS-crimineel. Hoe ga ik om met iemand die helemaal aan mijn opgewonden lusten overgeleverd is. Een jonge vrouw…Zou ik me meteen willen ontladen in dat jonge lichaam? Nee, denk het niet. Ik zou de schoonheid van haar blote lichaam willen zien. De onschuld. De donshaartjes in het kuiltje net boven haar jonge zachte stevige meisjesbillen zou ik willen strelen. Over haar rug naar boven naar dat prachtige krullerige zwarte haar. Ik zou een lok tussen mijn vingers willen voelen en dan naar haar oor. D’r oorlelletje.  En dan over d’r frêle schouders aan de andere kant weer naar beneden. Haar borst in mijn hand. Het tepeltje piept in mijn handpalm. Over haar buik. Ik voel haar sidderen. Kijk in haar angstige ogen. Van mij heb je niets te vrezen.

‘Maar je zit wel aan mijn lichaam’, fluistert ze.

‘Als je dat niet wilt, dan draai ik mijn fantasie terug. Ik wil niet dat je bang voor me bent of dat jij vindt dat ik me iets toe-eigen dat niet van mij is.’

‘Ik wil naar huis, naar mijn moeder en mijn vader en mijn zusjes en mijn broer.’

 Ik geloof niet dat ik geschikt ben voor het hebben van een seksslavin. Van nature ben ik veel meer een ridder, denk ik, een held die de mensheid niets dan goeds wil brengen. Laat ik het daar maar op houden…

Racisme in cijfers?

Ik hou echt van cijfers. Helemaal van cijfers die iets aan moeten tonen. In de Volkskrant van vandaag het aantal mensen dat omgekomen is door politiegeweld in de Verenigde Staten. Dat zijn er 858. Dat is heel erg veel. Helemaal als je weet dat in datzelfde jaar in Nederland 4 mensen zijn omgekomen door politiegeweld. Zelfs als je de Nederlandse en de Amerikaanse doden omrekent naar doden per miljoen inwoners. Zonder meer kan je stellen dat de Amerikaanse politie veel gewelddadiger is dan de Nederlandse. In het staatje dat de Volkskrant overgenomen heeft van de Washington Post is het totaal aantal doden natuurlijk ondergeschikt aan de verdeling van het aantal doden over de verschillende huidskleuren zwart, wit, Latin en overig. Zwart ‘scoort’ 249 doden, wit 405, Latin 163 en  overig 41. Omgerekend naar aantal doden per miljoen inwoners kom je dan voor zwart op 6,2 voor wit op 2,10 voor Latin op 2,7 en voor overig op 0,9.

Doden door politiegeweld in de VS in 2019 verdeeld over huidskleur. Volkskrant 13-06-2020

Met deze cijfers kan je vele kanten uit. Wat nu vooral het verhaal is, is dat het aantal doden met een zwarte huidskleur relatief drie keer hoger ligt dan het aantal witte slachtoffers. Dat politiegeweld dus vooral racistisch geweld is tegen mensen met een zwarte huidskleur. Kan je die conclusie trekken? De eerste vraag: Wat betekent precies ‘overig’ in dit staatje? Aziaten, lijkt me, want die zijn niet wit, zwart of Latin. Overig, lees Aziaten (?), komen het minst om door politiegeweld. Volgens dezelfde redenering die verklaart dat er meer zwarte mensen omkomen dan witte, zou je dus kunnen lezen dat overig (Aziaten?) profiteren van het ‘racistische’ politiegeweld. Hoeveel zeggen deze cijfers over mogelijk racisme onder de Amerikaanse politie? Eigenlijk helemaal niet zoveel.

Een ander aspect zijn de poppetjes in het staatje met een uitroepteken. Dat zijn de mensen die ongewapend bleken. Laten we zeggen, mensen die onschuldig stierven want ze waren ongewapend. Dan kom je tot weer heel andere conclusies. 6,02% van de mensen met een zwarte huidskleur bleek onschuldig, 8,64% van de witte, 8,59% van de Latin en maar liefst 17,07% van de overige (Aziaten?) bleek onschuldig te zijn doodgeschoten. ( Laat dit duidelijk zijn: Ook in Nederland heb je een kans om door politiekogels om het leven te komen als je een bedreiging bent voor de politieagenten doordat je een wapen draagt of ermee dreigt.) Op grond van het percentage onschuldig omgekomen mensen van een bepaalde huidskleur, komt nu juist de groep overig (Aziaat?) er het slechtst vanaf en de groep met de zwarte huidskleur het best. Voor hetzelfde geld zou je aan de hand van bovenstaande gegevens kunnen beweren dat er 30% meer onschuldige witte doden zijn gevallen dan zwarte…

Dan zou je het natuurlijk op etnisch profileren kunnen  gooien; mensen met een zwarte huidskleur worden vaker aangehouden dan mensen met een andere huidskleur. Maar goed, wat zeggen deze cijfers dan nog? Deze cijfers zeggen kortom niet zo heel veel behalve dat er erg veel wapengeweld is in de Verenigde Staten en dat de zwarte bevolking veel door dat geweld om het leven komt. Of dat racistisch geweld is, dat blijkt niet uit deze cijfers.

Op dit moment is er een beeldenstorm aan de gang tegen racisten uit het verleden: Ik ben tegen een beeldenstorm. Niet de domste en de gewelddadigste mensen onder ons moeten bepalen welke beelden er waar staan.

Fré Cohen en ik.

Fré Cohen en ik. Hoe zit dat precies? Enkele jaren geleden werd mijn  moeder benaderd door een zekere meneer Van Dam die bezig was om van zijn familie een stamboom te maken. Kennelijk was hij met zijn genealogisch onderzoek bij mijn moeder uitgekomen. Hij vroeg haar om de namen van haar kinderen en kleinkinderen en partners met geboortedata en -plaatsen en huwelijksdata naar hem op te sturen en zo kwam ik met geliefde J. en onze drie zonen in deze stamboom terecht. Mijn moeder kreeg een pdf bestand waarin onze hele stamboom stond en die stuurde ze ons toe. Ik heb zitten smullen van die stamboom want hij gaat ver terug, en deze jongen houdt van ver terug. Ik werd destijds zo enthousiast dat ik zelf ook dacht om een stamboom te maken, maar helaas, dat strandde al snel. Een stamboom maken kost heel veel tijd omdat je heel veel moet uitzoeken en dus gaf ik er al snel de brui aan.

Kortgeleden was ik op zoek naar Schoontje Boas-Sarlie (wie was zij?). Deze vrouw stond volgens het joodsmonument.nl ingeschreven op het adres waar ook Fré Cohen ingeschreven stond: Tweede Oosterparkstraat 11 I, terwijl we wisten dat Fré in de Karel du Jardinstraat 11 II woonde. Gek, en dus een onderzoekje waard. Google is nog steeds mijn grote vraagbaak en via één van haar antwoorden kwam ik in dezelfde stamboom, maar dan on-line, terecht als waar ook ik in sta. Schoontje Boas-Sarlie bleek de tante van Fré. Fré Cohen en ik in dezelfde stamboom? Dat maakte mij natuurlijk heel erg nieuwsgierig. Op die betreffende stamboomsite  kan je verwantschap berekenen. Aldus voerde ik mijn naam in en de naam van Fré Cohen en liet de website rekenen. Met resultaat!

Elias Salomon van Cleef is onze stamvader. De man overleed in 1808 in Amstelveen en oefende aldaar het beroep van doodgraver uit. Zijn zoon, slager Abraham Elias van Kleef, overleefde zijn vader maar een paar jaar maar was wel de vader van Salomon Abraham van Kleef die de slagerszaak van zijn vader overnam. Tien kinderen kreeg hij waarvan drie de kleutertijd niet overleefden. Eén van de overlevers was Mozes van Kleef. Nou ja, overlever…Hij oefende het beroep van schijvenschuurder uit en werd nog geen veertig. Schijvenschuurder was niet direct een gezond beroep. Zijn vrouw Lea Gobets heeft hun drie kinderen alleen moeten opvoeden. Alle drie haar kinderen werden in 1943 vermoord. Zij zelf ook. Oudste zoon Salomon van Kleef, die sigarenmaker was, werd, voordat hij vermoord werd, de vader van mijn grootvader Hijman en Hijman heeft nooit de kans gekregen om mijn opa te worden want ook Hijman werd – in 1943 – vermoord en oma hertrouwde later met mijn opa. Zo gaat dat. Hijman kreeg nog net op tijd een dochter, mijn moeder en…mijn moeder is dus mijn moeder en ik haar oudste zoon.

Voor Fré Cohen keren we terug naar onze stamvader Elias Salomon van Cleef. Hij had namelijk, naast zoon Abraham, ook nog een zoon Philip die ook al zijn heil had gezocht in de vleessector. Zijn dochter Sara Philip van Cleef trouwde met broodventer Joel Abraham Cohen Bromet. Hun zoon Abraham Joel Bromet trouwde met Schoontje Lucas Sarlie wiens vroege dood en vermoorde dochter er in dit verhaal niet meer toe doen. Schoontje had namelijk een broer, Hartog Sarlie, die de opa van Fré Cohen was. Uit zijn huwelijk met Vrouwtje Hen (wie heeft die namen verzonnen?) werd de moeder van Fré, Esther Sarlie, geboren en dus ook tante Schoontje Sarlie waarbij Fré, volgens officiële bronnen, inwoonde.

Kortom: Een DNA-onderzoeker zal geen verwantschap tussen mij en Fré Cohen kunnen vaststellen, maar onze verwantschap past wel op een A4-tje. Ben ik even trots op mijn familie!

Prijsuitreiking: de Frits L. literatuurprijs 2020

Nu ervaar ik voor het eerst hoe ingewikkeld jureren is. De afgelopen jaren liep ik achter de feiten aan en was mijn jurering slechts kritiek op wat al gedaan was. Maar dit jaar, door dat afgrijselijke virus dat iedereen in z’n greep houdt, is de prijsuitreiking van de Libris Literatuurprijs uitgesteld en is het me gelukt om de boeken uit te lezen voordat de ‘echte’ jury haar oordeel uitspreekt. En echt, het valt niet mee. De verantwoordelijkheid drukt zwaar op me. Ik ga een oordeel geven over boeken die anderen op een lijstje hebben gezet. Hoe ga ik te werk? Daar begint het al…hoe ga ik te werk? Geen idee, dus. Als beste stuurman op de wal las ik gewoon de boeken en dat was dat; de meest boeiende bovenaan en de minst aansprekende onderaan. Dat was makkelijk! Laat ik voor mezelf beschrijven hoe ik de boeken ga beoordelen:

Ik vind dat de winnende roman met vakmanschap geschreven moet zijn. Bij romans is dat taalbeheersing. De zinnen moeten vlotjes lopen. De taal moet helder zijn. Aan de andere kant…enkele jaren geleden vond ik een roman van Connie Palmen best goed (niet mijn winnaar) en daar was de taal helemaal niet helder; het woordenboek hield ik tijdens het lezen bij de hand. Beoordelingscriteria zijn kortom nooit absoluut. Aan de andere kant vind ik wel dat er originaliteit moet zitten in het taalgebruik. Als clichés me gaan opvallen dan zakt de roman door zijn hoeven. De winnende roman moet mijn blikveld verruimen; de roman moet mijn kijk op de wereld veranderen of verbreden. Wat ik ook belangrijk vind is dat ik de innerlijke roerselen van de personages kan volgen of me ermee kan identificeren. Er moeten spanningsbogen in zitten die het me haast onmogelijk maakt om niet verder te lezen. Het moet een lekker boek zijn om te lezen. Erg objectief is het allemaal niet, geef ik toe en absoluut – voor zover dat al mogelijk zou kunnen zijn – zijn de criteria ook niet. Maar, denk je dat het bij de ‘echte’ jury anders zit? Ik denk dat dus niet… Het lijstje boeken waar het om gaat:

Nachtouders van Saskia de Coster.
De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo.
Zwarte schuur van Oek de Jong.
Uit het leven van een hond van Sander Kollaard.
Liefde, als dat het is van Marijke Schermer.
Vallen is als vliegen van Manon Uphoff.

De laatste plaats is wat mij betreft het makkelijkst. Dat is Nachtouders van Saskia de Coster. Ik begrijp al niet hoe dit boek op de shortlist terecht is gekomen. Niet altijd lekkere zinnen. Dat kan natuurlijk aan het Vlaams liggen, maar dat denk ik dus niet; ik heb genoeg Vlaamse boeken gelezen waar de zinnen vlotjes naar binnen vloeiden. Een autobiografisch boek geschreven door een mannenhaatster. Wat voor beeld moet zoonlief krijgen van zichzelf als man, als hij leest dat zijn pa zich in het bezemhok van het ziekenhuis heeft moeten aftrekken om hem te verwekken… Dat maakt het voor mij – man – dus onverteerbaar om te lezen.

De op één na laatste plaats is ook nog makkelijk: De Hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo. Heus, een knap geschreven roman, daar wil ik niets aan af doen. Maar wat is de hoofdpersoon een verschrikkelijk persoon. Arrogant, denigrerend, beter-wetend, een lege huls. En het blijft maar doorgaan in die roman. Na bladzijde vijftig wil je de hoofdpersoon al voor zijn bek slaan en op pagina honderd heb je het helemaal met hem gehad. Maar dat boek gaat vijfhonderd pagina’s door! Geliefde J. smeekte me om de roman terzijde te leggen, ik werd er zwaar chagrijnig van… Heb ik uiteraard niet gedaan; ik heb de beker tot de laatste bittere druppel leeg gedronken.

Dan blijven er vier romans over en eerlijk gezegd heb ik echt moeite om daarin een volgorde aan te brengen. Alle vier hebben ze me veel gebracht. De volgorde zegt niets over de kwaliteit. Het gaat om nuances. In mijn recensies op deze site scoorden ze alle vier heel erg hoog.

Toch zet ik op de vierde plaats Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. De taal in de roman is ronduit vernieuwend. Ze benadert incest en seksueel misbruik op een manier die je laat voelen hoe het is: Overkomt het de hoofdpersoon wel of niet? Duidelijk is dat het de hoofdpersoon wel overkomt maar het zou ook niet zo kunnen zijn. Dat maakt de roman waanzinnig sterk. Ook de gevolgen van misbruik worden zichtbaar. De vernieuwende sterke kant van de roman maakt het ook wat taaier om te lezen. Daarom op mijn vierde plek.

Op de derde plaats zet ik Zwarte Schuur van Oek de Jong. Een indringende roman over een immer aanwezig maar weggedrukt verleden. Spannend hoe dat verleden naar boven komt. Uitermate boeiend geschreven; ik heb het in één ruk uitgelezen. De mogelijkheid om je te Identificeren en in te leven in de hoofdpersoon ging als vanzelf en was heel sterk. Misschien één zwakker puntje; de hoofdpersoon zet zich neer als een onweerstaanbare vrouwenverleider. En voor dat verleiden hoeft hij geen enkele moeite te doen; vrouwen komen als vliegen op de stroop (de hoofdpersoon, dus) af. Wellicht dat mijn jaloezie Oek de Jong de eerste prijs ontzegt…

Op mijn tweede plaats komt Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Een fantastische roman die je weer leert wat het leven aan liefde herbergt. Iedereen wordt met liefde en respect benadert, op een enkele uitzondering na. Wat ik in mijn recensie vergeten ben te vertellen, maar hier dus nog even rechtzet, is zijn bezoek aan dementerende ex-collega Maaike met wie hij een seksuele relatie heeft gehad. Met zoveel liefde en respect beschreven dat je er ontroerd van raakt. Helaas moet ik kiezen en daarom is dit pareltje op de tweede plaats gekomen en niet op de eerste.

And the winner is…. Liefde, als dat het is van Marijke Schermer. Een fantastische analyse van de liefde in al haar verschijningsvormen. Een roman die regelmatig pijn doet aan je ziel en daarmee de complexiteit van gevoelens blootlegt. De roman stelt wel vragen maar geeft niet altijd antwoorden, want dat kan niet als het om gevoelens gaat. Waarom gaat de vrouw een sado- masochistische relatie aan? Geen idee. Het beste zal me de consternatie bijblijven van de puberdochter die per ongeluk de appjes leest die moeder en minnaar naar elkaar sturen. De volkomen ontreddering. Echt een terechte winnaar. Als ik toch nog wat kritiek zou mogen uiten: De titel, die had wel wat beter en origineler gemogen.

Mijn definitieve lijst:

1) Liefde, als dat het is van Marijke Schermer.
2) Uit het leven van een hond van Sander Kollaard.
3) Zwarte schuur van Oek de Jong.
4) Vallen is als vliegen van Manon Uphoff.
5) De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo.
6) Nachtouders van Saskia de Coster.

En nu maar afwachten wat de ‘echte’ jury vindt!

Sander Kollaard – Uit het leven van een hond; Een schitterend briljantje.

De laatste tijd heb ik regelmatig een boek gelezen dat veel te dik was; het had best wat korter gekund. Uit het leven van een hond van Sander Kollaard daarentegen is veel te dun. Een heerlijk boekje om te lezen en daarom had ik wel gewild dat het wat langer doorging, maar na amper honderd bladzijde is het gedaan. Hoe kan een meanderend boek over een alledaagse man met alledaagse problemen zo een prachtige roman worden? Je vraagt het je af… Het verraad groot schrijverschap, denk ik.

De IC-verpleegkundige Henk woont samen met zijn hond Schurk op en flatje in Weesp. Hij ziet dat zijn hondje het moeilijk heeft, en daarom gaat hij  met hem, op een bloedhete dag, naar de dierenarts. Schurk heeft hartfalen door ouderdom. De dood is onvermijdelijk, maar met medicatie gaat hij het nog een korte tijd volhouden. Vervolgens doet Henk wat boodschappen. Omdat hij ’s avonds een barbecue heeft bij zijn jongere broer Freek koopt hij een fles wijn en voor zijn zeventienjarige nichtje Rosa – waar hij helemaal gek op is – het boek Kees de jongen; hij heeft het boek gelezen toen hij net zo oud was als Rosa nu is en hij was van die roman diep onder de indruk. Na de boodschappen laat hij Schurk uit. Onderweg loopt hij een vrouw tegen het lijf die ‘iets’ bij hem wakker roept. Dan stapt hij met boek en wijn op de bus om naar de barbecue te gaan. In de bus ontmoet hij diezelfde vrouw. Ze gaat naar een concert, vertelt ze, en ze heet Mia. Bij zijn broer Freek is nichtje Rosa het lichtpuntje. Hij wordt behoorlijk dronken. Tegen zijn nichtje flapt hij eruit dat hij verliefd is op Mia. Als hij weer op de bus stapt, komt hij Mia opnieuw tegen en bekend hij zijn liefde. Dat blijkt wederzijds. Aldus het verhaal in een notendop.

Een verhaal waarvoor je niet direct het boek gaat lezen. Het verhaal is dan ook de ruwe diamant die Sander Kollaard tot een absolute briljant weet te slijpen. Een paar van de facetten die de roman zo’n onweerstaanbare schittering geven: De karaktertekening van hoofpersoon Henk. Henk is een man waar je je als man graag in herkend. Een lieve, zorgzame en zeer intelligente man die mild denkt over iedereen om zich heen. Die zelfs mild denkt over zijn ex-vrouw Lydia die hij met een ander betrapte. Iemand die het leven neemt zoals het is., maar het desalniettemin omarmt en er met volle teugen van geniet. Nog zo’n briljant facet is Kollaards taal. Een roman is per definitie taal. Kollaards taal is kraakhelder. Puntig waar nodig en meanderend waar dat kan. Tijdens het lezen heb ik me geen enkel moment afgevraagd wat de schrijver probeerde te vertellen; het staat er zoals het er staat. Ook die ene keer als hij wat dieper ingaat op het werk als IC-verpleegkundige is alles helder. Nog een facet: Zijn nichtje Rosa. Kollaard schrijft dat Henk gek op haar is en als je de roman uit hebt, ben je als lezer ook gek op Rosa en Rosa heeft daar helemaal niets bijzonders voor moeten doen. Zelden zo’n tastbare beschrijving gelezen. En zelden zo liefdevol. Ik kan nog een eind doorgaan, maar dat doe ik niet; er zitten zoveel schitterende facetten in deze roman! Oké, nog één dan: Kollaard zet zijn personage in een situatie waardoor wij als lezer het ergste vrezen maar omdat de hoofdpersoon vervolgens handelt zoals ik dat als lezer ook zou hebben gedaan, komt alles goed. Dat geeft een heel speciale spanning. Het laat je ook nadenken over ontwikkelingen die je in de maatschappij ziet ten opzichte van dingen die eigenlijk heel normaal zijn en waar je niet zo overspannen op zou moeten reageren. Een voorbeeld van zo’n situatie ga ik niet geven want dan geef ik té veel weg van de roman; ik raad je aan om de roman zelf te lezen want het is echt de moeite waard.

Hoewel Henk in de loop van de roman over van alles en nog wat zo zijn gedachtes heeft en er flink op los filosofeert, komt hij regelmatig uit op de verhouding tussen lichaam en geest. De roman begint er mee. Henk is enigszins ontdaan over een gesprek dat hij gehad heeft met een collega. De mens is, volgens die collega, alleen maar spul. Materie. Dat ‘spul’ komt regelmatig terug in Henks mijmeringen; hij lijkt de discussie met die collega door de hele roman voort te zetten: ”Poëzie: het wonderlijke vermogen van spul om verliefd te worden. Laten we daar even bij stilstaan: spul dat verliefd wordt… Dat is nog maar één transformatie. Met hetzelfde gemak wordt dat spul schoonheid, genot, eer…” Filosoferen over lichaam en geest, wie kan dat beter dan een IC-verpleegkundige die dagelijks geconfronteerd wordt met lichamen waaruit de geest vaak volledig is verdwenen en waarvoor terugkeer van die geest wordt gestreden?

Ook in metaforen die de schrijver gebruikt, komt Henks beroep soms terug. Zo komt Henk tijdens de barbecue de huisvriendin van broer Freek tegen: keramiste Julia. Met haar had hij ooit een gesprek:” …dat verliep als een terminale ziekte…” Maar ook andere metaforen vind ik erg mooi. Zo zitten twee mensen elkaar in de bus aan te kijken en zich af te vragen waar ze elkaar van kennen, met: “…gezichten leeg als een mededelingenbord bij stroomuitval…” Ik herken het beeld meteen.

Kortom: Een schitterende roman die eigenlijk maar één minpuntje heeft: Hij is te dun. Aan de andere kant: Alles staat er in. Het boek staat op de shortlist voor de Librisliteratuurprijs 2020 en dat is wat mij betreft helemaal terecht. Het boek is een absolute aanrader!

Blog van Frits de Klerk