Mijn grootvader en Hollandia Kattenburg deel I

Het is stil geweest op deze site. Dat komt omdat ik nogal bezig was met iets anders. Ik ben druk geweest met Fré Cohen. Ik heb van alles over haar uitgezocht en volgens mij een interessant hoofdstuk geschreven voor de catalogus. In de marge van mijn onderzoek naar Fré heb ik ook wat dingetjes gevonden over mijn eigen komaf. Zoals ik al wel vaker beweerd heb, had ik een grootvader die nooit mijn opa werd en een zeer geliefde opa die eigenlijk mijn grootvader niet was. Mijn Grootvader staat in mijn stamboom maar zegt mij feitelijk net zoveel als mijn betovergrootmoeder; ze heeft bestaan want anders was ik er nooit gekomen, maar verder zegt ze me helemaal niks. Oké, die grootvader zegt me ietsjes meer omdat mijn omaatje wat wazig in de verte keek als ze het over hem had. Soms. Heel soms. Ik logeerde bij oma en opa en oma wilde mij de foto’s van mijn moeder als kind laten zien; een heel klein bloot zwartkrullerig meisje in een wastobbe, kraaiend van plezier. En toen kwam ook hij langs, Hijman, die zo verschrikkelijk veel van dat kleine donkere meisje gehouden had. Ik proefde zijn naam op mijn tong. Een gekke, rare naam. Niet een naam die je dagelijks tegenkomt.

Eigenlijk was het nog niet eens zo moeilijk om zijn kaart van de Joodse Raad te vinden. Op die kaart staat niet zoveel als je hem oppervlakkig leest, maar lees je hem goed, dan ontvouwt er zich een drama van ongekende ellende. Ik ben van plan om het tot op de bodem te gaan uitzoeken, maar zelfs met wat ik nu weet is het al erg genoeg.

Deze zomer ben ik naar Amsterdam-Noord gefietst. Ik wilde zien en voelen waar het drama zich afgespeeld heeft; waar mijn oma en moeder samen met Hijman woonde toen ze zich op 11 november 1942 afvroegen waar hij bleef en later besefte dat het helemaal mis was. De Nigellestraat nummer 85 huis. Zo ver weg bleek het niet te zijn. Ik fietste door de verstilde straten van Amsterdam noord in een heerlijk lentezonnetje en vond in de Nigellestraat een stukje Amsterdams paradijs. Een klein plantsoen voor de deur, waarin nu een speelplaatsje gemaakt is; een ideale plek om je kinderen te laten opgroeien. Daar woonden ze dus destijds. Hét huisnummer bleek samengevoegd, denk ik, want nummer 85 bestaat niet meer. Wat moeten ze gelukkig zijn geweest toen ze er op 12 november 1939 introkken met hun bijna één jaar oude baby.

Fascinerend op het kaartje van de Joodse Raad is het nummer. 654/2. Nu ik toch aan het graven was, heb ik uiteraard ook het kaartje van oma en mijn moeder gevonden, respectievelijk 654/3 en 654/4. Wie was dan nummer 1? Wie had nummer 654/1?

Vaag de stempel 14 juli 1942 onder aan het kaartje. Voor zover ik nu begrepen heb, is dat de datum waarop de Joodse Raad besloot hem op te roepen voor deportatie. Maar op die datum hoefde hij en zijn gezin niet te komen opdraven, want ze hadden een Sperr. Dat had te maken met het eerste woord op de onderste regel: ’Kattenburg’. Hijman werkte bij Hollandia Kattenburg, een grote textiel fabriek in Amsterdam Noord. Daar werd ook kleding gemaakt voor het Duitse leger en daarom belangrijk voor de Duitse oorlogsindustrie en dus was iedereen die daar werkte, theoretisch, vrijgesteld van deportatie. Dat leek een tijdje goed te gaan, tot 11 november 1942.

Arnon Grunberg – Bezette gebieden; een fantastisch vervolg!

Net nu ik bijna dagelijks bezig ben met de jodenvervolging en de tweede wereldoorlog vanwege Fré Cohen, lees ik ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg en of het toeval is, ik weet het niet, maar deze roman gaat net zo goed over de holocaust. Grunberg bouwt een roman rondom een steeds geïsoleerder rakende groep joodse mensen die met het idee leeft dat de wereld – nu zijn het Palestijnen in plaats van Duitse nazi’s – de joden wil uitroeien en dat de joden alles op alles moeten zetten om de ‘soort’ te behouden door zoveel mogelijk kinderen te krijgen. Kinderen krijgen als obsessie. En dan heb ik nog niet eens zo heel lang geleden de Netflix serie ‘Orthodox’ gezien en jawel, ook daar een hele kleine steeds geïsoleerder rakende groep joden met een obsessie voor het maken van kinderen en een erfangst voor uitroeiing. Hoewel de Netflix serie best aardig was, is de roman ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg een meesterwerk. In Grunbergs werk vind je bijna altijd de jodenvervolging terug en de angsten en de obsessies, maar wel helemaal op zijn eigen originele wijze. Dan weer realistisch, dan weer ironisch en hilarisch en heel vaak absurdistisch. Wat betreft lezen ben ik nog steeds een bofferd, want ook ‘Bezette gebieden’ van Arnon Grunberg is een heerlijk boek waar ik met volle teugen van genoten heb, en dat na al die prachtige boeken die ik de afgelopen tijd gelezen heb! Het boek daagt je uit om naar je eigen grenzen te kijken; moreel, maar ook intellectueel.

Eigenlijk is ‘Bezette Gebieden’ ‘Moedervlekken’ deel twee. Het verhaal gaat in ‘Bezette Gebieden’ door waar ‘Moedervlekken’ geëindigd is. Hoofdpersoon is weer psychiater Kadoke (de laatste lettergreep uitspreken met klemtoon en met een lange ‘e’), die zijn oude moeder moet verzorgen. Zijn oude moeder is eigenlijk zijn oude vader, maar toen moeder overleed was vader zo diep in de rouw dat dat alleen maar kon worden opgelost door de volledige overname van de moeder door de vader. Vader wordt moeder. Moeder heeft dus een piemel. Kadoke is gespecialiseerd in het voorkomen van zelfmoord. Voor één patiënt waarbij alle therapieën niet kunnen voorkomen dat ze zichzelf snijdt en dat ze bleekwater drinkt, verzint hij een alternatieve therapie; als ze voor iemand anders zou moeten zorgen, dan heeft ze wellicht geen tijd meer voor haar suïcidepogingen en omdat Kadoke juist op dat moment niemand heeft om voor zijn moeder te zorgen, laat hij de suïcidale Michette voor zijn moeder zorgen als alternatieve therapie. Daar eindigde ‘Moedervlekken’.

Dat is dus het beginpunt van ‘Bezette Gebieden’. Maar dan heeft Michette een vriend gekregen. Een schrijver. (Herkennen we Arnon Grunberg in de schrijver?) Hij gebruikt Michettes verhaal in een roman. ‘Alternatieve therapie’ wordt in deze roman ‘misbruik’. Michette dikt ondertussen het ‘misbruik’ nog wat sterker aan; maakt er ook nog seksueel misbruik van en lijkt te genieten van de aandacht. De roman wordt een daverend succes en Kadoke wordt herkent als de dader. Langzaam verliest Kadoke alle grip op de gebeurtenissen en lijkt de race naar de afgrond onafwendbaar.

Op het moment dat het helemaal misgaat, transformeert zijn moeder weer naar zijn vader en staat ineens zijn onbekende achternicht Anat voor de deur. Anat komt uit Israël en is lid van een vrome geloofsgemeenschap onder leiding van een in New York levende in coma verkerende rabbijn. Ze heeft net een mislukt – want kinderloos – huwelijk achter de rug en studeert wiskunde en is bezig met haar promotieonderzoek naar de rol van het toeval. Kadoke wordt verliefd op Anat terwijl de wereld voor hem instort. Hij komt voor de tuchtraad en mag het beroep van psychiater nooit meer uitoefenen.

Samen met zijn vader reist Kadoke naar Israël. Anat blijkt te wonen in een illegale nederzetting op de westelijke Jordaanoever. Kadoke wordt als een verloren zoon opgenomen in de gemeenschap en krijgt samen met zijn vader een caravan. In eerste instantie wil Anat niet veel met hem te maken hebben op liefdesgebied, maar dan verbreekt Kadoke de patstelling door rond te bazuinen dat hij de verloofde van Anat is. Het blijkt dat de hele gemeenschap al tijden bidt voor een nieuwe echtgenoot voor Anat. Van een gevallen psychiater verandert Kadoke voor de gemeenschap in ‘Het Wonder’. Op dat moment kan Anat ook niet meer terug. Maar voordat Anat en hij gaan trouwen krijgt de moeder van Anat (die veel gelijkenis vertoond met de spreekwoordelijke schoonmoeder) in haar droom van de New Yorkse rabbi door dat Kadoke getest moet worden. Schoonmoeder moet testen of de nieuwe echtgenoot van haar dochter niet opnieuw zo’n ‘impotente jood’ is. Eén van de meest absurdistische en gênantste scenes die ik de afgelopen jaren gelezen hebt, ontvouwd zich voor je lezersoog.

Maar ook nadat Anat en Kadoke getrouwd zijn is het – uiteraard – nog lang niet op. Tijdens hun wekelijkse paring, dient Kadoke een SS-pet op te zetten. Anat smeekt dan of ‘dit kleine jodinnetje alsjeblieft nog een nachtje mag blijven leven als ze heel lief is voor meneer Oberstürmbahnführer’. Ondertussen hebben in werkelijkheid volgens Anat de Palestijnen de rol van de nazi’s overgenomen. Als Kadoke als dramadocent gaat werken in Jeruzalem in een gemengde school, weet Anat het zeker; Kadoke gaat verraad plegen en samenspannen met de mensen die de joden willen uitroeien…

Het lijkt alsof de orginaliteit en de fantasie van Arnon Grunberg geen grenzen kent; elke roman getuigt van zoveel originaliteit en er lijkt geen einde aan te komen. Ondertussen blijft zijn hele oeuvre drijven op een zeer serieuze onderstroom en dat is zonder meer de holocaust.

Samenvattend: ‘Bezette Gebieden’ en ‘Moedervlekken’ zijn twee fantastische boeken die je afzonderlijk kunt lezen, maar dan ben je een domoor want je hebt dubbel plezier als je ze alle twee leest.

Op vakantie in Putten

Monument 2 october 1942 in Putten

Als je in Putten op vakantie bent – en dat zijn wij – dan bezoek je het monument. Het monument bestaat uit een beeld van Marie Andriessen en stelt een rouwende vrouw in Puttense klederdracht voor wiens mannelijke familieleden werden weggevoerd naar ellende en dood. Ze staat er sober en helder in een klein herdenkingsparkje en het schrijnende verdriet druipt van haar af. Ik vind het een mooi beeld en een gepast monument ter nagedachtenis aan de meedogenloze terreurdaad die door de nazi’s in de laatste periode van de tweede wereldoorlog werd begaan. In het nabijgelegen bezoekerscentrum wordt het verhaal van de razzia van 2 oktober 1944 verteld. Zeker een indrukwekkend verhaal.

Rond de tijd van de mislukte slag om ‘The bridge too far’ in Arnhem, waren de relatief ongeorganiseerde Nederlandse verzetslieden door koningin Wilhelmina op afstand gevormd tot een ware gevechtseenheid onder leiding van prins Bernhard. Een van de verzetsgroepen had de opdracht gekregen om een auto met Duitse hoge officieren op te wachten en alle inzittenden te doden. Na gedane arbeid had de auto, inclusief lijken, verdonkeremaand moeten worden zodat niemand te weten zou komen hoe of waar. Maar helaas, de aanslag liep niet zoals voorbereid en drie van de vier inzittenden van de auto in kwestie, wisten te ontsnappen. Verdonkeremanen van auto en lijk had daardoor weinig zin en de verzetsgroep maakte dat ze weg kwam en dus bleef de doorzeefde auto op de weg vlakbij Putten staan. Dit had best grote gevolgen…

Het dorp Putten werd omsingeld. Alle mensen werden uit hun huizen gehaald. Alle mannen tussen de zeventien en vijftig – een slordige zeshonderdvijftig mannen – werden overgedragen aan de SS die hen verder transporteerde naar noord Duitsland waar ze in het concentratiekamp Neuengamme werden opgesloten. Daar werden ze gedwongen om zich onder erbarmelijke omstandigheden dood te werken. De vrouwen en kinderen en ouderen werd gesommeerd het dorp te verlaten. Putten werd platgebrand. Terecht wordt hier heel veel aandacht aan geschonken. In het plaatselijke museumpje ‘Tien malen’ dat wij bezochten, worden brieven tentoongesteld van koningin Wilhelmina die de rouwende weduwen, zussen en moeders enige troost moesten bieden. Indrukwekkend!

Maar toch…Ik kan het niet laten…(kan je leed vergelijken?)…

Op 11 november 1942 werd de confectiefabriek Hollandia-Kattenburg omsingeld. Alle joodse werknemers werden gearresteerd; ongeveer de helft van de mensen die daar werkten. Ondertussen waren de gezinnen van de gevangengenomen werknemers ook opgehaald. Samen werden ze naar Westerbork vervoerd en vandaar naar de dood in Polen. Dat waren een slordige achthonderdvijftig mensen. Maar joden, dus. Anders dan Puttenaren, denk ik. Een van de werknemers was mijn grootvader (die dus nooit mijn opa is geworden). Oma en mijn moeder waren niet thuis toen de joden-ophaaldienst aanbelde…Enige troost van koninklijke zijde kwam afgelopen 5 mei; een slordige tachtig jaar na dato…treurende weduwe-oma was toen al achttien jaar overleden.

Brief van koningin Wilhelmina ter ondersteuning van een Puttense weduwe.

Tussen Otterlo en Harskamp.

Als je van Otterlo naar Harskamp fietst, krijg je ongeveer halverwege te maken met een varkensbedrijf die je in een klap duidelijk maakt wat er mis is in de vleessector. De stank is adembenemend. Dat is geen gezonde boerenlucht meer, dit is de reinste luchtvervuiling. Je denkt dat je een bos nadert, maar nog voor je de loods tussen die rijen bomen ontdekt, slaat de stank al op je keel. Zelfs als het flink doorwaait. En wij staan op gepaste afstand van die stal en relatief gezien hebben we een slecht ontwikkeld reukorgaan. Vergelijk dat eens met een varken; het beest ruikt een truffel onder de grond op meters afstand. Hoe moet het voor een varken met zo’n gevoelige neus zijn om in de ondragelijke ammoniak- en strontgeur te bivakkeren? Nee, niet voor die twee minuten die het mij kost om erlangs te fietsen, maar zijn hele verrotte leven lang. Denk daar eens aan! Ja, Frits, denk daar eens aan als je weer eens een lekkere sappige varkenshaas staat te bakken… Het maakt duidelijk dat het dus heel anders moet. Die ene varkensmesterij halverwege Otterlo en Harskamp maakt het duidelijk dat er heel wat mis is in de Nederlandse landbouw.

Ik ben een stadse jongen en weet te weinig van het boerenbedrijf om de weg te kunnen wijzen, maar dat we een verkeerde kant op zijn gegroeid, dat is mij wel duidelijk. Helemaal als je bedenkt dat er in de omgeving van Harskamp slechts enkele van deze vleesproducerende bedrijven staan terwijl het er in Brabant helemaal mee volstaat. Dat is gewoon verkeerd, fout en niet goed. Men kan mij van alles wijsmaken over de moderne boerderij, maar ik weet zeker dat we niet op deze manier door kunnen gaan. Bij het kweken van ons voedsel, moeten we met meer respect omgaan met de natuur. We zijn afhankelijk van de natuur en dus moeten we de natuur koesteren. Dat is nu niet het geval.

Mijn trots dat ik in Spanje, Italië, Duitsland, Tsjechië en eigenlijk overal in Europa, bijna uitsluitend Nederlandse tomaten kan kopen, is omgeslagen in zorgen. Als dat voor tomaten geldt, dan zou het best zo kunnen zijn dat Nederland ook een groot deel van het varkensvlees van Europa produceert. En het rundvlees. En het kippenvlees. De vraag is: Moet een klein dichtbevolkt land voedsel produceren voor heel Europa? Hebben wij daar wel de ruimte voor? Gaat dat niet ten koste van heel veel plaatselijke vervuiling? Veroorzaakt dit niet onevenredig veel dierenleed? Ik denk dat we zo niet door kunnen gaan. Ik denk dat het anders moet.

Het moeilijke van het hele verhaal is, dat ik de boer zijn inkomen gun en ook wil dat het eten van bijvoorbeeld vlees, niet voorbehouden is aan de rijken van het land. Zo doorgaan zoals het nu gaat, kan niet, maar wat het alternatief is…Ik vrees toch dat we ons consumptiepatroon moeten veranderen. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat de gehele vleessector flink moet krimpen. Ik denk ook dat we flink veel meer moeten gaan betalen voor onze varkenshaas. Het zij zo…

Fiets eens van Otterlo naar Harskamp en laat me weten wat je denkt als je langs de betreffende ‘vleesproducent’ rijdt…Ik denk: Het kan zo niet langer.

Bonus – Saskia Noort; als je eenmaal begonnen bent…

Als er iets traumatisch in mijn kindertijd is geweest, dan is het wel het liefdesleven van mijn ouders. Als het goed is, dan krijg je daar als kind niets van mee. Je ouders zijn je ouders. Ze zijn er en ze blijven er. Of ze van elkaar houden, het boeit je pas tijdens je pubertijd. Daarvoor is de liefde tussen je ouders even vanzelfsprekend als de liefde die ze voor jou – hun kind – hebben. Mijn pa, zo bleek, was een feestneus tot en met terwijl mijn moeder veel serieuzer in het leven stond. Veel feesten betekent veel drinken en veel drinken betekent een lagere drempel om gehoor te geven aan allerlei leuke impulsen. Om een lang verhaal kort te maken, toen ik net acht jaar oud was, ging mijn pa er met B. vandoor. Ik verviel in volkomen apathie omdat de wereld niet meer klopte en B. werd de meest gehate vrouw in mijn universum. Maar daar eindigde het verhaal niet, want mijn ma kwam ietsjes na de scheiding thuis met T. Een persoon die mijn pa had moeten vergeten, vervangen, overklassen. Na een maandje of wat, werd T. de onbetwist meest gehate man in mijn universum. Scheiden was voor mij lijden, zonder meer. Omdat sindsdien veel ouders het voorbeeld van mijn ouders volgden, vraag je je af of dat lijden van de slachtoffer-kinderen kleiner is geworden. Als ik Saskia Noort mag geloven in haar nieuwe roman ‘Bonus’, dan is dat zeker niet verandert.

In ‘Bonus’ gaat het om een vechtscheiding. De vader in het verhaal gaat er niet alleen met een ander vandoor, maar laat dit volgen door een strijd met de moeder – zijn ex-partner, dus – over van alles en nog wat. Vooral over de vraag wie het over de kinderen voor het zeggen krijgt. En dat zo’n vechtscheiding ver kan gaan, laat dat maar aan Saskia Noort over. ‘Bonus’ is een thriller en bespreek je een thriller dan ben je een vervelende klier als je te veel over de inhoud van het boek zegt. Dat ga ik dan dus ook niet doen. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van de vijftienjarige dochter. Pa is er met zijn secretaresse vandoor gegaan en ja hoor, secretaresse Laura is de meest gehate vrouw in het leven van de hoofdpersoon. Hoe Laura ook haar best doet om het de hoofdpersoon en haar broertje naar de zin te maken, ze blijft tot op het bot gehaat. Zelfs als Laura laat zien dat ze een bondgenoot is in de strijd die de hoofdpersoon voert, wordt ze afgewezen.

Het liefdesleven van de moeder na het huwelijk wordt in geheime video’s en een door moeder opgeschreven verhaal uit de doeken gedaan. Eigenlijk meer haar seksleven. Ongekuist en grof. Als er iets is dat je als kind niet wilt weten en zeker niet mee wil worden lastiggevallen, dan is het wel het seksleven van je ouders. Bij de vijftienjarige hoofdpersoon wordt het seksleven van haar moeder er, bij wijze van spreken, ingeramd. Van dik hout zaagt men planken. Je moeder als hoofdpersoon in een soort van pornovideo, dat is echt niet fijn. En ja, moeders partner wordt de meest gehate man in het universum van de hoofdpersoon.

Saskia Noort schrijft echt verschrikkelijk lekker. Ze weet je aan het boek te binden als geen ander. Na twee hoofdstukken heeft ze je te pakken en laat ze je pas weer los als je het uit hebt. Ik vind dat verschrikkelijk knap want de laatste tijd ben ik een regelrechte bofferd want ik heb veel heel goede boeken gelezen, maar mij zo extreem aan een verhaal binden, dat lukt alleen Saskia Noort. Gisteren werd ik wakker en een van mijn eerste gedachten was om snel dat boek weer op te pakken. Zo ken ik mezelf niet!

Toch, en dat is het rare, blijft Saskia Noort oppervlakkig. Ik heb geen idee waar dat precies aan ligt. Ook als je deze roman leest dan heb je het gevoel dat het om oppervlakkige mensen gaat. Heb je het gevoel dat het verhaal oppervlakkig is. Ik heb lang nagedacht over waarom ik dit denk en voel en lees, maar ik kom er niet echt uit. Het kan zijn omdat Saskia Noort mensen en situaties kiest waarin lusten en instincten de hoofdrol spelen. Misschien. Het kan net zo goed zijn dat het vrijwel geen intellectuele inspanning kost om de roman te lezen. Ik weet het dus echt niet.

Wat jammer is, is dat er een dijk van een fout in de roman zit die ik hier niet kan bespreken. In dat geval zou ik te veel de inhoud van de roman prijsgeven. Dat dit een fout is, is evident. Saskia Noort zal dit zelf ook wel gezien hebben. Ik denk dat ze gewoonweg geen andere oplossing kon bedenken om de roman naar dit punt te brengen. Als ik er iets meer over zeg…nee, doe ik niet; lees zelf maar.

Kortom, de roman ‘Bonus’ van Saskia Noort is een ideaal vakantieboek. Je bent wel een hele vakantiedag kwijt, want stoppen met lezen voordat je het boek uit hebt, gaat je niet meer lukken!

Is antisemitisme racisme?

Ineens was daar de onzekerheid. Over antisemitisme. Staat antisemitisme gelijk aan racisme of niet? Ik had daar zomaar een discussie over met geliefde J. en omdat ik wat zaakjes had nagezocht was ik ervan overtuigd dat die twee begrippen in elkaars verlengde lagen: alle antisemitisme is racisme maar niet alle racisme is antisemitisme. Antisemitisme is racisme naar een bepaalde groep, namelijk de joden. Daarmee nemen joden een speciale plaats in. Net alsof het erger of minder erg is om joden dan om anderen te discrimineren op grond van…achtergrond. Want ja, daar begon ik dus over te twijfelen. Wat wordt nu precies verstaan onder ‘ras’ en wanneer spreek je precies over racisme. Geliefde J. bracht mij – ongetwijfeld onbedoeld – in diepe twijfel want omdat ik meteen Google als getuige erbij wilde halen op het hoogtepunt van discussie, gaf Google slechts matig beargumenteerde meningen als antwoord; tijdens een vurige discussie is Google een slechte getuige. Schrijver dezes wil nog wel eens veel van stal halen tijdens een discussie, in tegenstelling tot geliefde J.. Geliefde J. zet je, met al haar kalmte, gewoon niet zo makkelijk opzij, en dat is maar goed ook. Hoe dan ook, op dat moment kwamen wij er niet goed uit.

Vandaag in de ‘Volkskrant’ een opiniestuk van Karin de Vries. Zij is universitair docent bestuursrecht en in haar stukje in de krant verschaft ze wat duidelijkheid over de begrippen racisme, etniciteit en nationaliteit. Ze neemt het voorbeeld van de ‘minder Marokkanen’ ophitserij van Wilders en vraagt zich af of het hier nu bij Marokkanen om nationaliteit of om ras gaat. Volgens de advocaten van Wilders is het geen racisme want Marokkaans is een nationaliteit en geen etniciteit of ras. Maar Karin de Vries steekt voor die redenatie een stokje en geeft mij meteen antwoord op mijn (en geliefde J. d’r) prangende vraag wat precies racisme is.

Zij heeft het over de goed Nederlandse woorden ‘markers’ en ‘triggers’ die de kern vormen van gedrag dat je racisme noemt. Markers, kenmerken dus, zijn eigenschappen van groepen mensen waarmee ze zich onderscheiden van andere groepen maar waar ze niets aan kunnen doen of veranderen. Triggers, aanleidingen dus, zorgen ervoor dat men op grond van markers onderscheid tussen groepen gaat maken en dat is dus racisme. Om nog eens terug te komen op Geert Wilders en zijn hetze tegen Marokkanen. Van de Marokkaanse nationaliteit kan je niet afkomen. Je bent Marokkaan en je blijft Marokkaan, of je het wilt of niet. De Marokkaanse nationaliteit is, in tegenstelling tot de Nederlandse nationaliteit, een eigenschap cq marker van iemand en die kun je niet veranderen. Als je ‘minder Marokkanen’ scandeert, gaat het om mensen die er niets aan kunnen doen of kunnen veranderen dat ze de eigenschap cq marker Marokkaan hebben. Volgens de definitie van Karin de Vries gaat het in dit geval dus wel degelijk om racisme en…Meneer Wilders, racisme mag niet in Nederland en dus: Verschuil je niet achter allerlei trucjes, maar leg voor de rechter verantwoording af over je racistische gedrag!

Komen we weer bij antisemitisme want dat was de discussie tussen geliefde J. en mij. Je bent jood of je bent het niet. Veel er aan veranderen, kan niet. Heb je een joodse moeder, dan ben je jood, heb je die niet, dan ben je geen jood. Je hbt het ermee te doen en dat is dat. Daarmee is het dus racisme als je onderscheid maakt tussen joden en niet-joden. In principe werkt dat twee kanten op, racisme vanuit het perspectief van joden en vanuit het perspectief van de niet-joden. Het ene perspectief is kwaadaardiger dan het andere perspectief. Maar beiden zijn puur racisme.

De avond is ongemak – Marieke Lucas Rijneveld; subliem.

Doordat ik inmiddels jarenlang meelees met de Librisliteratuurprijs, voel ik enige verantwoordelijkheid voor boeken die onterecht verloren hebben of onterecht niet eens op de shortlist terecht zijn gekomen. Ik heb net ‘De avond is ongemak’ uit van Marieke Lucas Rijneveld en dan verbaas je erover dat ik het nog niet gelezen heb; het is toch één van de allerbeste romans van de afgelopen jaren. Zo’n overweldigende roman zou toch minstens op één van de shortlisten hebben moeten staan van die prijs; en de boeken op de shortlist heb ik allemaal gelezen. Maar nee, dus. De roman staat wel op de longlist van 2019; dat jaar waar men (ik vermoed per ongeluk) de slechtste roman als winnaar aanwees. Onbegrijpelijk, nog steeds. Ik had die longlist nog nooit bekeken; een boel boeken van die lijst heb ik nog niet gelezen, maar de boeken die ik wel gelezen heb zijn stuk voor stuk beter dan de uiteindelijke winnaar. Maar goed, het gaat nu niet om de Librisliteratuurprijs of wat ik van die prijs vind, maar om de roman van Marieke Lucas Rijneveld. Mijn eindoordeel is eigenlijk al geveld; een juweeltje. Ik heb hem in één ruk uitgelezen. Echt een heel mooi boek! In een artikel van W.F. Hermans, de eeuwige mopperaar, heb ik eens gelezen dat hij een roman (van een ander) best goed vond, maar dat een schrijver zich moest bewijzen in een oeuvre. Nu ik de roman ‘De avond is ongemak’ heb gelezen denk ik daar heel anders over; Marieke Lucas Rijneveld heeft zich bewezen en als ze er nu de brui aan geeft, dan is dat prima en gaat ze toch de geschiedenis in als een groot auteur.

De roman is een boerenroman. De vergelijking met andere romans die zich in gereformeerde boerenkringen afspelen, dringt zich erg aan mij op. Ik moet dan vooral denken aan de boeken van Franca Treur en Josien Laurier. Misschien is opgroeiend meisje in een gereformeerd boeren milieu wel iets van een genre aan het worden. Ik zie toch wel degelijk een heel groot verschil tussen de roman van Rijneveld en de anderen; bij Treur en Laurier wordt de beklemming gevormd door het geloof en probeert de hoofdpersoon daaruit te komen. Marieke Lucas Rijneveld probeert niet uit de klem van het geloof te komen. In haar roman is het geloof, net als de koeien en de natuur en de boerderij, onderdeel van het decor waartegen de roman zich afspeelt. De beklemming vindt in haar roman zijn oorsprong in dood en opgekropte, onverwerkte rouw.

Aan het begin van de roman zakt oudste broer Matthies door het ijs en verdrinkt. In het gereformeerde boerengezin beheerst dit noodlottig ongeval alles. Moeder eet nauwelijks meer en heeft, door verdriet en rouw overmand, nauwelijks aandacht en tijd voor het gezin. Vader is vrijwel uitsluitend met de boerderij bezig en de koeien. Grote broer Obbe straft zichzelf en anderen met erotisch geladen en vaak wrede spelletjes. Klein zusje Hannah probeert de troost van iedereen te zijn en de hoofdpersoon heeft zich in haar jas verschanst en weigert eruit te komen.  Maar niet alleen verschanst ze zich in haar jas, maar ook in haar fantasie. Zo bedenkt ze dat alles weer goed gaat komen in de natuur als dieren, maar vooral haar ouders, weer gaan paren. De twee padden die ze in het begin van de roman vangt stopt ze in een emmer die in haar kamertje staat. Als ze gaan paren, dan komt alles goed, denkt de hoofdpersoon. Maar de padden eten niet en kwijnen weg zonder dat ze paren. Het lijkt een parallel te zijn met haar ouders. Verder weet de hoofdpersoon zeker dat er joden in de kelder ondergedoken zitten.

Een roman vol anus, poepgaatjes, stront, poep en mest. Zelden in een roman zoveel anale fixatie tegelijkertijd gezien. Dat weer samen met de focus op ‘paren’ maar ook de erotische spelletjes die de kinderen onderling spelen. Het maakt de roman behoorlijk boers. Omdat de hoofdpersoon niet poepen kan (of houdt ze de poep expres binnen) duwt haar vader stukjes groene zeep in haar poepgaatje. Dat is een vernederende ervaring die de rest van de roman steeds in verschillende toonaarden terug blijft komen. Hartverscheurend is het als mond-en-klauwzeer de boerderij teistert en alle koeien afgemaakt moeten worden. Ik weet niet of de schrijfster het zelf ook echt heeft meegemaakt, maar de beschrijving over hoe alles verloopt en het grote verdriet, is zo goed geschreven dat de auteur het voor haar ogen heeft moeten zien gebeuren (denk ik). De wanhoop van vader en broer en de onverbiddelijke ambtenaren die één voor één de koeien omleggen en tussendoor koffie met roze koek eten (en de suiker met hun tanden van de koek schrapen) Erg schrijnend allemaal.

Marieke Lucas Rijneveld stond met haar roman ‘De avond is ongemak’ in de longlist van de Librisliteratuurprijs 2019. Ik weet niet zeker of ze bij mij gewonnen zou hebben, maar dat ze hele hoge ogen gooide, dat is wel zeker; een subliem boek.

Zwartkijkers – Herman Vuijsje: Mijn mening maar dan van Vuijsje

Gezien de felheid waarmee racisme en discriminatie besproken wordt, een blik op waar de wind in dit stukje vandaan waait. Hier de kenmerken van schrijver dezes, mij dus: Ik heb een rozige huidskleur (maar ben niet iemand ‘van kleur’). Ik ben hetero, wat ouder, heb een ongezond buikje, verdien meer dan lekker, ben best hoog opgeleid en heb een goj als pa maar een jiddische ma. Ik ben overtuigd sociaal-democraat, vind dat we zuinig moeten zijn op de aarde en hou vooral van pais en vree. Een lekkere discussie ga ik niet uit de weg en ik laat niet over me lopen maar bij het woord racist krimp ik in elkaar. Ik wil geen racist zijn. Ik pas ondanks en dankzij dit alles in de ‘witte’ karikatuur die men op dit moment graag tekent. Een groot deel van de bovengenoemde kenmerken zijn zonder meer ook van toepassing op Herman Vuijsje en, zo zal menig deelnemer aan alle oververhitte racisme discussies ogenblikkelijk denken, daarom vond ik zijn boekje ‘Zwartkijkers’ zo goed. Het is een boekje dat precies in mijn straatje past omdat onze ‘constructen’ en onze ‘narratieven’ naadloos op elkaar passen of op elkaar aansluiten. Een hikje? Vuijsje heeft een jiddische pa en een sjikse ma en dus ben ik volgens de preciezen in de leer veel joodser dan hij. Maar dat is onzin…vind ik.

Het boekje ‘Zwartkijkers’ beschrijft verschillende facetten van de huidige, opnieuw opgelaaide en al snel oververhitte discussie over de verhouding tussen mensen met een roze-achtig huidje (WIT, dus) en iedereen die daarvan ietsjes afwijkt (ZWART, dus). Vaak zijn de mensen uit die laatste groep zelf, of hun ouder(s) of hun grootouder(s) van elders naar hier verhuist. Het boekje bevat grotendeels mijn mening, ik kan dat moeilijk ontkennen, en daarom vind ik het boek een aanrader.

Het boekje beschrijft mijn afkeer van vrouwen als: de over het paard getilde Gloria Wekker, de pedante aanstelster Anousha Nzume en de zelfkastijdende en witte mensen beschuldigende Sunny Bergman. (eigenlijk wel een boel bijvoegelijke naamwoorden…hou ik daar wel van?) Ik moet zeggen dat ik het niet alleen leuk vind om mijn mening te lezen, maar ben vooral content omdat ik het nauwelijks leesbare boek van Gloria Wekker goed begrepen blijk te hebben. Ik was erg bang dat ik haar quasi-geleerde woordendiarree verkeerd las of dat ik de zaken anders voorstelde dan ze schreef. Maar nee, als socioloog – Gloria Wekker beweegt zich op zijn vakgebied dus – leest Vuijsje dezelfde dingen in haar boek als ik. Gloria Wekker promoveert haar eigen ervaringen tot algemeen geldende misstanden. Ze bekijkt de wereld met oogkleppen en ontkomt daardoor niet aan een zeer benepen tunnelvisie. Ze verdeelt de wereld in witte en zwarte mensen zonder dat ze ook maar ergens vertelt wat of wie dat zijn. Ze plant Amerikaanse theorieën kritiekloos en klakkeloos over op Nederland. En eigenlijk kan ik nog wel een tijdje zo doorgaan. Aanstelster Nzume maakt het nog iets bonter; zij zou wel eens even vertellen hoe of wat en het racisme waarvan zij SLACHTOFFER is. De pedanterie en de arrogantie spat ervan af vinden Vuijsje en ik. En Sunny Bergman wil zo graag lief doen dat ze ondeugdelijk wetenschappelijk onderzoek nog veel onwetenschappelijker overdoet en dan ook nog verkeerde conclusies trekt. Vuijsje noemt de drie vrouwen de ‘Schrikgodinnen’. Ik ga daar graag in mee.

Vuijsje geeft in het boek ook zijn mening over de zwarte pietendiscussie. Hij is van mening dat er eigenlijk niets mis is met de figuur van zwarte piet. Zwarte piet zou in de loop der jaren allang niet meer de persoon zijn als waartegen al het protest zich richt. Hij neem het Sinterklaasjournaal als uitgangspunt en, zo vertelt hij, Sinterklaas figureert daar als de domme man die eigenlijk nauwelijks nog zelfstandig functioneert. Zwarte pieten houden de business draaiende. Ze zijn de CEO en de logistieke managers. Sinterklaas speelt nog maar een marginale rol. Ik kan een heel eind meegaan met het verhaal van Herman Vuijsje, maar de zwarte piet-discussie speelt al heel lang. Gerda Havertong vertelde al in de vorige eeuw dat ze last had van de figuur zwarte piet en dat ze daar niet alleen in stond. Wel heeft hij gelijk dat de roetvegen aan de figuur zwarte piet veel verandert. Door de vegen op de roetveegpiet heen herken je de persoon die hem speelt, dat is bij een zwarte piet niet zo. Een deel van de mythe van het Sinterklaasfeest wordt daardoor van haar charme ontdaan. Vuijsje vindt dat jammer. Ik ook, maar ik zie ook de bezwaren. Hoewel…wie heeft er nou precies echt last van gehad van die zwarte pietenfiguur? Mij is dat nog steeds niet duidelijk. Zie hier recente Sinterklaasintochten in Paramaribo en op de Antillen. Onder een overwegend donkere bevolking is zwarte piet no problemo, waarom hier dan wel? Een kind ziet heel duidelijk het verschil tussen een kind met een donkere huid en een zwarte piet. Ik ben daarvan overtuigd. Maar goed, als iemand als Gerda Havertong het zegt, en die staat echt boven elke verdenking, dat zal het zo zijn. Vandaar dat ik wat dat betreft niet helemaal op dezelfde lijn zit met Herman Vuijsje.

Hoe dan ook: Voor wie mijn mening wil lezen, een aanrader; ligt voor een luttel bedrag bij Scheltema in de ramsj!

Akwasi jokkebrokt om het vuurtje op te stoken

Ik doe het zelf ook wel eens. Om het verhaal net even iets lekkerder te maken. Het is dan misschien wel niet helemaal waar, wat ik schrijf, maar toch maakt het de boel leesbaarder. Boeiender. Meestal een klein dingetje, Niemand die er last van heeft, niemand die er erg in heeft. Ik, hoogstens. Ik weet het. De grote lijn van het verhaal is doorgaans echt wel het verhaal. De grote lijn is zeker nooit gelogen. Ik vind dat als je voor een voetlicht treedt – en dat doe ik dus want ik zet mijn stukjes op internet en daar zijn ze voor iedereen leesbaar – dan moet wat ik schrijf waarachtig zijn. Het moet eerlijk zijn.

Akwasi is iemand die de media opzoekt en zich helemaal senang voelt in de schijnwerpers. Hij neemt graag aan discussies deel als het over rassendiscriminatie gaat. Tot grote schrik van alle aanwezigen verklaarde Akwasi onlangs op de televisie dat een vroegere leraar tegen hem heeft gezegd dat hij ‘kankerzwart’ was. Dat hij een erg donkere huidskleur heeft, dat ziet een ieder, maar dat voorvoegsel ‘kanker’ maakt die huidskleur negatief. Door een leraar nota bene. ‘kankerzwart’ en ‘leraar’, die combinatie voelt een beetje gek. Maar toch; Akwasi is iemand met een hoge aaibaarheidsfactor en met ogen die niet kunnen liegen. Dacht ik….

Vandaag las ik het boekje ‘Zwartkijkers’ van Herman Vuijsje. In dat boekje kwam ik opnieuw Akwasi tegen. Een verhaaltje over de rapper. De context van het verhaal is racisme onder mensen met een donkere huidskleur. Akwasi zat op een school in de Amsterdamse Bijlmer en had daar een Surinaamse creoolse juf. Lang niet zo donker als Akwasi. Zij noemde hem ‘bokoe’ en dat is een belediging voor mensen met een donkere huidskleur. Omdat deze jongen van uitzoeken houdt, vond hij al snel het interview met Akwasi waar Vuijsje het over heeft. In dat interview zelfs naam en toenaam van de boosdoenster. Een interview uit 2017 in de Volkskrant. Hij was zo boos op juf B. dat hij van plan was om haar (als hij groot was) op te zoeken en een steen door haar ruit te gooien.

Een jaartje later vind ik dat andere Akwasi-verhaal in een interview met Trouw. Over meester John. Het verhaal waar hij recent ook op terugkomt op de televisie. Het verhaal luidt als volgt: Volgens meester John hoefde Akwasi zich niet te schminken als zwarte piet want hij was toch al kankerzwart. Beledigend en racistisch! En…ook bij meester John was hij van plan om (als hij groot was) een steen door zijn ruit te gooien.

Maar dan ga je je toch dingen afvragen: Had Akwasi in de Bijlmer twee keer een racistische leerkracht? Op regelrechte ‘zwarte’ scholen? Of…is het verhaal verandert in een jaartje; was het eerst een racistische Surinaamse creoolse en is zij zomaar ineens de hagelwitte nazi-meester John geworden? Ik ben gaan geloven in de metamorfose van juf B. in meester John omdat het heel onwaarschijnlijk is dat op scholen in de Amsterdamse Bijlmer meerdere racistische mensen werken. Op zo’n beetje de zwartste scholen in Nederland kan dat gewoon niet kloppen.  Die metamorfose heeft plaatsgevonden in het brein van Akwasi! In werkelijkheid was er alleen maar de creoolse juf B.; zijn oorspronkelijke verhaal.

Het meester John-verhaal gooit olie op het toch al zo oververhitte racisme vuur. Juf B. zou er de angel  hebben uit getrokken, want het zou betogen dat racisme niet alleen maar zwart-wit is.

Ik denk dat Akwasi liegt om de boel willens en wetens op scherp te zetten. Van ‘discriminatie-komt-overal-voor’ maakt hij er een ‘wit-zwart’ verhaal van. Ik neem dat Akwasi erg kwalijk. Akwasi, met de eerlijke hertenogen, is een vervelende jokkebrok!

Thuis is thuis en werk is werk.

Vandaag is het de laatste dag voor de vakantie. Een heel raar laatste half jaar op mijn werk. Het grootste deel heb ik thuis gewerkt. Ik ben geen thuiswerker van nature. Thuis is thuis en werk is werk. Als ik thuis ben wil ik me vrij kunnen voelen om te doen en te laten wat ik wil. Als ik een ‘thuis’ heb dan ben ik graag bereid om me tijdens mijn werkuren in de altijd weer boeiende wereld van de pensioenverzekeringen te storten. Werk en thuis wil ik eigenlijk niet door elkaar hebben lopen; gescheiden werelden. Maar door een akelig virus liep het de afgelopen maanden ineens heel anders en heb ik een kunstmatig onderscheid moeten ontwikkelen tussen werk en thuis. Dat is me in zekere zin gelukt. Maar uiteindelijk blijft het toch behelpen. Omdat het niet alleen míjn laatste dag is voor de vakantie maar ook de laatste dag van andere collegae, hebben we besloten om met z’n allen naar kantoor te komen in Rotterdam. Kunnen we toch nog even in den lijve elkaar ontmoeten en fijne vakantie wensen. Maar daarvoor moet deze Amsterdammer met de trein naar Rotterdam. Deze Amsterdammer is niet zo jong meer, niet zo dun meer en heeft problemen met zijn suikerhuishouding; precies het lichaam waar het Covid-virus erg gek op is. Precies het soort lichaam dat heel erg ziek wordt en soms overlijdt en ik wil nog niet dood. Dus dubben en peinzen en uiteindelijk toch maar besloten om thuis te blijven en het risico van de treinreis niet te nemen. Voelt ook wel een beetje laf nu het virus het land zo’n beetje verlaten heeft.

Ondertussen drizzelt er een druilerige miezerregen over het land. Toch is de temperatuur niet verkeerd. De balkondeur van mijn kamertje heb ik wagenwijd opengezet en laat ik me strelen door een streepje frisse lucht. Op mijn bureau mijn nieuwe laptop. Die heb ik gekocht om mijn thuiskantoor op orde te krijgen. Ik hoef nu alleen maar mijn laptop te wisselen voor de laptop van mijn werk en dan zit ik in de wereld van de pensioenen. Zonder afleiding, want ik kan niet tegelijkertijd ook nog bij mijn eigen laptop. Die staat namelijk uit en die laat ik UIT. Ik heb echt die afleiding moeten uitschakelen om goed te kunnen werken thuis.

Aan het eind van de dag heeft de manager een borrel georganiseerd. Ergens in een heel groot café waar we allemaal op anderhalve meter afstand van elkaar lekker kunnen kletsen en afscheid nemen en vieren dat we het, ondanks al dat thuiswerken, prima gedaan hebben. Dat we veel werk hebben verricht en dat niet alleen ik goed ben omgeschakeld, maar ook mijn collegae. Maar daar komt de oude mopperkont weer boven. Ik, dus. Deze Amsterdammer ziet in een lawaaierige ruimte op anderhalve meter wel lippen bewegen en hoort iets als: whoa, whoa, maar meer ook niet. Echte spraakklanken willen doorgaans niet meer goed binnenkomen zonder dat ik mijn oor heel dicht bij de sprekende mond breng… Ik ben zielig…denk ik.

Door de open balkondeuren heb ik zicht op de drie grote potten op ons balkon. Op een rijtje een olijven-, een kersen- en een pruimenboompje. Het pruimenboompje hangt vol bijna rijpe pruimpjes; dat boompje heeft het duidelijk naar zijn zin.

Het is bijna zover dat ik mijn thuis werkplek ga inruilen voor mijn werk werkplek. Voor mijn laatste dag. Ik heb eigenlijk alles af en alles al overgedragen. Wat mis ik de scheiding tussen thuis en werk! Als ik – zoals vandaag – de kans heb om weer helemaal ‘gewoon’ naar mijn  werk te gaan en mijn collega’s te ontmoeten en lekker samen te werken en praatjes over niets te hebben, dan ben ik te laf om met de trein te reizen.

Blog van Frits de Klerk