Prijsuitreiking: de Frits L. literatuurprijs 2020

Nu ervaar ik voor het eerst hoe ingewikkeld jureren is. De afgelopen jaren liep ik achter de feiten aan en was mijn jurering slechts kritiek op wat al gedaan was. Maar dit jaar, door dat afgrijselijke virus dat iedereen in z’n greep houdt, is de prijsuitreiking van de Libris Literatuurprijs uitgesteld en is het me gelukt om de boeken uit te lezen voordat de ‘echte’ jury haar oordeel uitspreekt. En echt, het valt niet mee. De verantwoordelijkheid drukt zwaar op me. Ik ga een oordeel geven over boeken die anderen op een lijstje hebben gezet. Hoe ga ik te werk? Daar begint het al…hoe ga ik te werk? Geen idee, dus. Als beste stuurman op de wal las ik gewoon de boeken en dat was dat; de meest boeiende bovenaan en de minst aansprekende onderaan. Dat was makkelijk! Laat ik voor mezelf beschrijven hoe ik de boeken ga beoordelen:

Ik vind dat de winnende roman met vakmanschap geschreven moet zijn. Bij romans is dat taalbeheersing. De zinnen moeten vlotjes lopen. De taal moet helder zijn. Aan de andere kant…enkele jaren geleden vond ik een roman van Connie Palmen best goed (niet mijn winnaar) en daar was de taal helemaal niet helder; het woordenboek hield ik tijdens het lezen bij de hand. Beoordelingscriteria zijn kortom nooit absoluut. Aan de andere kant vind ik wel dat er originaliteit moet zitten in het taalgebruik. Als clichés me gaan opvallen dan zakt de roman door zijn hoeven. De winnende roman moet mijn blikveld verruimen; de roman moet mijn kijk op de wereld veranderen of verbreden. Wat ik ook belangrijk vind is dat ik de innerlijke roerselen van de personages kan volgen of me ermee kan identificeren. Er moeten spanningsbogen in zitten die het me haast onmogelijk maakt om niet verder te lezen. Het moet een lekker boek zijn om te lezen. Erg objectief is het allemaal niet, geef ik toe en absoluut – voor zover dat al mogelijk zou kunnen zijn – zijn de criteria ook niet. Maar, denk je dat het bij de ‘echte’ jury anders zit? Ik denk dat dus niet… Het lijstje boeken waar het om gaat:

Nachtouders van Saskia de Coster.
De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo.
Zwarte schuur van Oek de Jong.
Uit het leven van een hond van Sander Kollaard.
Liefde, als dat het is van Marijke Schermer.
Vallen is als vliegen van Manon Uphoff.

De laatste plaats is wat mij betreft het makkelijkst. Dat is Nachtouders van Saskia de Coster. Ik begrijp al niet hoe dit boek op de shortlist terecht is gekomen. Niet altijd lekkere zinnen. Dat kan natuurlijk aan het Vlaams liggen, maar dat denk ik dus niet; ik heb genoeg Vlaamse boeken gelezen waar de zinnen vlotjes naar binnen vloeiden. Een autobiografisch boek geschreven door een mannenhaatster. Wat voor beeld moet zoonlief krijgen van zichzelf als man, als hij leest dat zijn pa zich in het bezemhok van het ziekenhuis heeft moeten aftrekken om hem te verwekken… Dat maakt het voor mij – man – dus onverteerbaar om te lezen.

De op één na laatste plaats is ook nog makkelijk: De Hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo. Heus, een knap geschreven roman, daar wil ik niets aan af doen. Maar wat is de hoofdpersoon een verschrikkelijk persoon. Arrogant, denigrerend, beter-wetend, een lege huls. En het blijft maar doorgaan in die roman. Na bladzijde vijftig wil je de hoofdpersoon al voor zijn bek slaan en op pagina honderd heb je het helemaal met hem gehad. Maar dat boek gaat vijfhonderd pagina’s door! Geliefde J. smeekte me om de roman terzijde te leggen, ik werd er zwaar chagrijnig van… Heb ik uiteraard niet gedaan; ik heb de beker tot de laatste bittere druppel leeg gedronken.

Dan blijven er vier romans over en eerlijk gezegd heb ik echt moeite om daarin een volgorde aan te brengen. Alle vier hebben ze me veel gebracht. De volgorde zegt niets over de kwaliteit. Het gaat om nuances. In mijn recensies op deze site scoorden ze alle vier heel erg hoog.

Toch zet ik op de vierde plaats Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. De taal in de roman is ronduit vernieuwend. Ze benadert incest en seksueel misbruik op een manier die je laat voelen hoe het is: Overkomt het de hoofdpersoon wel of niet? Duidelijk is dat het de hoofdpersoon wel overkomt maar het zou ook niet zo kunnen zijn. Dat maakt de roman waanzinnig sterk. Ook de gevolgen van misbruik worden zichtbaar. De vernieuwende sterke kant van de roman maakt het ook wat taaier om te lezen. Daarom op mijn vierde plek.

Op de derde plaats zet ik Zwarte Schuur van Oek de Jong. Een indringende roman over een immer aanwezig maar weggedrukt verleden. Spannend hoe dat verleden naar boven komt. Uitermate boeiend geschreven; ik heb het in één ruk uitgelezen. De mogelijkheid om je te Identificeren en in te leven in de hoofdpersoon ging als vanzelf en was heel sterk. Misschien één zwakker puntje; de hoofdpersoon zet zich neer als een onweerstaanbare vrouwenverleider. En voor dat verleiden hoeft hij geen enkele moeite te doen; vrouwen komen als vliegen op de stroop (de hoofdpersoon, dus) af. Wellicht dat mijn jaloezie Oek de Jong de eerste prijs ontzegt…

Op mijn tweede plaats komt Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Een fantastische roman die je weer leert wat het leven aan liefde herbergt. Iedereen wordt met liefde en respect benadert, op een enkele uitzondering na. Wat ik in mijn recensie vergeten ben te vertellen, maar hier dus nog even rechtzet, is zijn bezoek aan dementerende ex-collega Maaike met wie hij een seksuele relatie heeft gehad. Met zoveel liefde en respect beschreven dat je er ontroerd van raakt. Helaas moet ik kiezen en daarom is dit pareltje op de tweede plaats gekomen en niet op de eerste.

And the winner is…. Liefde, als dat het is van Marijke Schermer. Een fantastische analyse van de liefde in al haar verschijningsvormen. Een roman die regelmatig pijn doet aan je ziel en daarmee de complexiteit van gevoelens blootlegt. De roman stelt wel vragen maar geeft niet altijd antwoorden, want dat kan niet als het om gevoelens gaat. Waarom gaat de vrouw een sado- masochistische relatie aan? Geen idee. Het beste zal me de consternatie bijblijven van de puberdochter die per ongeluk de appjes leest die moeder en minnaar naar elkaar sturen. De volkomen ontreddering. Echt een terechte winnaar. Als ik toch nog wat kritiek zou mogen uiten: De titel, die had wel wat beter en origineler gemogen.

Mijn definitieve lijst:

1) Liefde, als dat het is van Marijke Schermer.
2) Uit het leven van een hond van Sander Kollaard.
3) Zwarte schuur van Oek de Jong.
4) Vallen is als vliegen van Manon Uphoff.
5) De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo.
6) Nachtouders van Saskia de Coster.

En nu maar afwachten wat de ‘echte’ jury vindt!

Sander Kollaard – Uit het leven van een hond; Een schitterend briljantje.

De laatste tijd heb ik regelmatig een boek gelezen dat veel te dik was; het had best wat korter gekund. Uit het leven van een hond van Sander Kollaard daarentegen is veel te dun. Een heerlijk boekje om te lezen en daarom had ik wel gewild dat het wat langer doorging, maar na amper honderd bladzijde is het gedaan. Hoe kan een meanderend boek over een alledaagse man met alledaagse problemen zo een prachtige roman worden? Je vraagt het je af… Het verraad groot schrijverschap, denk ik.

De IC-verpleegkundige Henk woont samen met zijn hond Schurk op en flatje in Weesp. Hij ziet dat zijn hondje het moeilijk heeft, en daarom gaat hij  met hem, op een bloedhete dag, naar de dierenarts. Schurk heeft hartfalen door ouderdom. De dood is onvermijdelijk, maar met medicatie gaat hij het nog een korte tijd volhouden. Vervolgens doet Henk wat boodschappen. Omdat hij ’s avonds een barbecue heeft bij zijn jongere broer Freek koopt hij een fles wijn en voor zijn zeventienjarige nichtje Rosa – waar hij helemaal gek op is – het boek Kees de jongen; hij heeft het boek gelezen toen hij net zo oud was als Rosa nu is en hij was van die roman diep onder de indruk. Na de boodschappen laat hij Schurk uit. Onderweg loopt hij een vrouw tegen het lijf die ‘iets’ bij hem wakker roept. Dan stapt hij met boek en wijn op de bus om naar de barbecue te gaan. In de bus ontmoet hij diezelfde vrouw. Ze gaat naar een concert, vertelt ze, en ze heet Mia. Bij zijn broer Freek is nichtje Rosa het lichtpuntje. Hij wordt behoorlijk dronken. Tegen zijn nichtje flapt hij eruit dat hij verliefd is op Mia. Als hij weer op de bus stapt, komt hij Mia opnieuw tegen en bekend hij zijn liefde. Dat blijkt wederzijds. Aldus het verhaal in een notendop.

Een verhaal waarvoor je niet direct het boek gaat lezen. Het verhaal is dan ook de ruwe diamant die Sander Kollaard tot een absolute briljant weet te slijpen. Een paar van de facetten die de roman zo’n onweerstaanbare schittering geven: De karaktertekening van hoofpersoon Henk. Henk is een man waar je je als man graag in herkend. Een lieve, zorgzame en zeer intelligente man die mild denkt over iedereen om zich heen. Die zelfs mild denkt over zijn ex-vrouw Lydia die hij met een ander betrapte. Iemand die het leven neemt zoals het is., maar het desalniettemin omarmt en er met volle teugen van geniet. Nog zo’n briljant facet is Kollaards taal. Een roman is per definitie taal. Kollaards taal is kraakhelder. Puntig waar nodig en meanderend waar dat kan. Tijdens het lezen heb ik me geen enkel moment afgevraagd wat de schrijver probeerde te vertellen; het staat er zoals het er staat. Ook die ene keer als hij wat dieper ingaat op het werk als IC-verpleegkundige is alles helder. Nog een facet: Zijn nichtje Rosa. Kollaard schrijft dat Henk gek op haar is en als je de roman uit hebt, ben je als lezer ook gek op Rosa en Rosa heeft daar helemaal niets bijzonders voor moeten doen. Zelden zo’n tastbare beschrijving gelezen. En zelden zo liefdevol. Ik kan nog een eind doorgaan, maar dat doe ik niet; er zitten zoveel schitterende facetten in deze roman! Oké, nog één dan: Kollaard zet zijn personage in een situatie waardoor wij als lezer het ergste vrezen maar omdat de hoofdpersoon vervolgens handelt zoals ik dat als lezer ook zou hebben gedaan, komt alles goed. Dat geeft een heel speciale spanning. Het laat je ook nadenken over ontwikkelingen die je in de maatschappij ziet ten opzichte van dingen die eigenlijk heel normaal zijn en waar je niet zo overspannen op zou moeten reageren. Een voorbeeld van zo’n situatie ga ik niet geven want dan geef ik té veel weg van de roman; ik raad je aan om de roman zelf te lezen want het is echt de moeite waard.

Hoewel Henk in de loop van de roman over van alles en nog wat zo zijn gedachtes heeft en er flink op los filosofeert, komt hij regelmatig uit op de verhouding tussen lichaam en geest. De roman begint er mee. Henk is enigszins ontdaan over een gesprek dat hij gehad heeft met een collega. De mens is, volgens die collega, alleen maar spul. Materie. Dat ‘spul’ komt regelmatig terug in Henks mijmeringen; hij lijkt de discussie met die collega door de hele roman voort te zetten: ”Poëzie: het wonderlijke vermogen van spul om verliefd te worden. Laten we daar even bij stilstaan: spul dat verliefd wordt… Dat is nog maar één transformatie. Met hetzelfde gemak wordt dat spul schoonheid, genot, eer…” Filosoferen over lichaam en geest, wie kan dat beter dan een IC-verpleegkundige die dagelijks geconfronteerd wordt met lichamen waaruit de geest vaak volledig is verdwenen en waarvoor terugkeer van die geest wordt gestreden?

Ook in metaforen die de schrijver gebruikt, komt Henks beroep soms terug. Zo komt Henk tijdens de barbecue de huisvriendin van broer Freek tegen: keramiste Julia. Met haar had hij ooit een gesprek:” …dat verliep als een terminale ziekte…” Maar ook andere metaforen vind ik erg mooi. Zo zitten twee mensen elkaar in de bus aan te kijken en zich af te vragen waar ze elkaar van kennen, met: “…gezichten leeg als een mededelingenbord bij stroomuitval…” Ik herken het beeld meteen.

Kortom: Een schitterende roman die eigenlijk maar één minpuntje heeft: Hij is te dun. Aan de andere kant: Alles staat er in. Het boek staat op de shortlist voor de Librisliteratuurprijs 2020 en dat is wat mij betreft helemaal terecht. Het boek is een absolute aanrader!

Saskia de Coster – Nachtouders; kwakkie uit de bezemkast.

Wat blijft er uiteindelijk hangen van een roman. Wat herinner je nog na een tijdje. Bij de roman ‘Nachtouders’ van Saskia de Coster weet ik het wel. Het verhaal van de vader van het kind. Meer specifiek: aftrekken in de bezemkast van een ziekenhuis. Walgelijk. Niet dat aftrekken, maar de liefdeloosheid en de eenzaamheid. De roman gaat in grote lijnen over het niet-biologische ouderschap van een vrouw in een lesbische relatie. Als lesbisch stel heb je een overschot aan eicellen, maar wil je als stel dan een kind, dan heb je zaadcellen nodig. Dat moet wel van een man zijn. Hij woont in dit geval aan het andere eind van de wereld. Volgens de vertelster is het de ideale man. Speciaal voor het doneren van wat sperma komt hij over…vervolgens mag hij masturberend in het bezemhok van het ziekenhuis zijn zaad in een potje plengen. Het beeld heeft me de hele roman niet meer losgelaten. Je moet mannen wel heel erg haten om zoiets te verzinnen. Wat een liefdeloos begin van een nieuw mens; laten we hopen dat het kind er nooit achter komt. Helaas is de kans dat het jochie erachter komt vrij groot want de roman is sterk autobiografisch. Gezien het feit dat om het stel Saskia en Juli gaat en de schrijfster Saskia heet en een relatie heeft met Juli en bovendien ze het sterk autobiografische karakter van haar roman beaamt in een interview dat ik las, kan je er van uit gaan dat dat verwekte jochie de roman gaat lezen en zo zijn liefdeloze oorsprong leert kennen. Er zal dus ook wel in werkelijkheid een man vanaf de andere kant van de wereld zijn overgevlogen met het doel om een kwakkie te leveren dat hij in de liefdeloze bezemkast moest concipiëren… Sjonge. Dat beeld… Ik raak het nauwelijks kwijt. In mijn ogen getuigt het wel van heel erge mannenhaat. In haar plaats zou ik me diep hebben geschaamd om het op te schrijven… Maar Saskia de Coster dus niet…

Mannenhaat doordrenkt deze roman. Homomannen, oke, maar van hetero’s moet ze niets hebben: “Op familiefeesten durven hitsige ooms met een glas te veel op te vragen: wat twee vrouwen met elkaar doen. Ze maken dan schaarbewegingen.” Kortom hetero’s zijn er alleen maar op uit om over de rug van lesbische vrouwen geil te worden. “…weg uit het labyrint van de eeuwenoude mannelijke privileges van onverschilligheid en afwezigheid.” Schrijft ze. Nu het onmiskenbaar het tijdperk van de vrouw is geworden, doet het allemaal een beetje belegen aan. Net alsof de schrijfster in een vorig tijdvak is blijven hangen. En…geen man deugt: “Saskia zelf heeft de ravenzwarte haren van haar moeder en ze is even halfzacht als haar vader.”

Toch is ‘Nachtouders’ een goed te lezen boek. Als lezende man moet je je af en toe over je weerzin heen zetten want dat Saskia mannen haat, dat staat voor mij als een paal boven water. Dat het betreffende kind een jongetje is, doet mij bij voorbaat verdriet; wat voor beeld zal dat arme joch uiteindelijk over zichzelf hebben? De ‘vader’ van de wurm blijkt in de loop van de roman nauwelijks geïnteresseerd in het kind. Sterker nog, de man blijkt kinderen seksueel uit te buiten. Pedofiel, dus. Echt, volgens Saskia de Coster deugen mannen niet.

Het verhaal speelt zich af op een eiland ergens in de buurt van Noord-Amerika. Een eiland voor de ene helft bewoond door indianen. Zij hebben het alleenrecht om de verbinding tussen eiland en vaste land te verzorgen; iedereen die naar of van het eiland wil, moet dat met behulp van deze stam doen. De andere helft van het eiland wordt bewoond door hippies. Eén van de hippies, Molly, is de moeder van de zaaddonor. Zij is de reden waarom het stel naar het eiland komt. Ze zijn op weg naar Alaska en onderweg doen ze het eiland aan om kennis te maken met de biologische grootmoeder van hun kind. Eenmaal op het eiland wordt het schier onmogelijk er weer af te komen want de indianen gaan in staking. Zo komen de twee vrouwen onder de plak te zitten van hun pseudo schoonmoeder. Ze propt haar – min of meer – kleinzoon vol. Terwijl de verteller dat met groeiende boosheid optekent, heeft de partner Juli meer oog voor een andere vrouw op het eiland, Tammy. Zo ontstaan er ook nog spanningen in de relatie en komt Saskia allengs meer in een isolement. Ondertussen vraagt ze zich af wat het moederschap van een niet-biologische moeder voor betekenis heeft. In hoeverre kan zij van het kind houden, in hoeverre is ze verantwoordelijk, in hoeverre heeft ze iets te zeggen over het kind dat genetisch niet aan haar verwant is.

Kortom: Ik heb medelijden met het jochie dat op moet groeien bij een mannen hatende vrouw. Maar dat is de ethiek… Verder is het een goed te lezen boek. Helemaal niet mijn favoriet. Het staat wel op de shortlist van de Libris literatuurprijs. Ach, het kan. Zeker geen winnaar wat mij betreft. Naast de kanonnen op de lijst is het een katapult met onderbroekenelastiek. Ik ben wel slechter te lezen boeken tegengekomen op die shortlist in de loop van de jaren. Zeker geen roman die me bij blijft, behalve misschien dat masturberen in de bezemkast…

Doofpot

Op een markt in de Chinese stad Wuhan gebeurde het: Een virus sprong over van een dier naar een mens en vervolgens sprong het over van mens naar een mens. Een pandemie was geboren. Het is niet verwonderlijk dat het juist op die markt in Wuhan gebeurde. Het was namelijk een vieze markt, zo lees ik overal. Een verschrikkelijke plek, een onhygiënisch plek en ook nog eens een onethische plek. Het is namelijk een markt waar dieren verhandeld worden. Als je de definitie van ‘levend’ ietsje oprekt, dan kan je spreken van een markt waar levende dieren van hand tot hand gaan. Dieren om op te eten. Allerlei soorten dieren want de gemiddelde Chinees eet alles dat gelopen, gekropen, gezwommen of gevlogen heeft. In tegenstelling tot ons. Wij eten drie-en-een-halve diersoort: Kip, varken, koe en verder heel soms wat schaap, geit, kalkoen en heeeel soms wild. Gekweekt wild. Wel veel vis hoewel daar het assortiment aardig beperkt raakt…zie het aanbod in de supermarkt. In China villen ze honden en eten ze katten. Om al die dieren min of meer levend te verkopen stoppen ze de beestjes in kratten en die kratten stapelen ze op om ruimte te besparen. Dat de onderste dieren erge pech hebben omdat ze de drek van de bovenetages op hun kop krijgen, kan de marktkoopman niet veel schelen op die markt die stinkt naar stront en verrotting. Geen wonder dat op deze verschrikkelijk onhygiënische markt het coronavirus ontstond…

Dat is het verhaal dat ons verteld wordt. Het is ook het verhaal dat we heel graag willen horen. Zo’n smerig virus dat zoveel schade aanricht kan alleen maar van een verschrikkelijke plek komen en daarom verandert die markt in Wuhan langzaam in de hel op aarde waar iedereen compleet onverantwoordelijk bezig was. Vraag is natuurlijk of dit beeld wel het echte beeld is en of het niet heel anders was. Gisteren op het journaal werden beelden van de markt getoond. Er was nog maar één handelaar. Een vrouw die vis verkocht. Ik keek. Ik zag. Die hygiene…ach, het ging niet zoals hier bij ons op de Albert Cuyp, maar om nou te zeggen smerig. Eigenlijk viel het wel mee. De vrouw sneed een grote vis in stukken en stopte het in een plastic tasje. Niets bijzonders eigenlijk. Ontstaan vervelende ziektes alleen op hele erge vieze markten waar besmettelijk micro-organisme van dier naar mens hipt? Nee, dus. De Q-koorts ontstond in het schone aangeharkte Nederland. Van geit naar mens. Dat was niet zo heel erg besmettelijk maar dat had makkelijk anders kunnen uitpakken…

Nu hoor ik weer verhalen over dat het virus niet overhipte van een dier op een mens op de markt van Wuhan, maar dat er iets faliekant misging in een laboratorium vlak bij de markt in Wuhan. Dat men daar lekker aan het experimenteren was en dat ze iets niet onder controle konden houden of dat iemand een bakje opendeed dat gesloten had moeten blijven, zoiets. Dat de Chinese autoriteiten daarom zo logen toen de epidemie nog klein was en ze misschien nog de kans hadden om het te laten uitdoven voordat het de wereld in vuur en vlam zette. Dat besmetten, dat begon per ongeluk in een door de staat geleid bedrijf.

Was het maar zo dat dit verhaal alleen van notoire complotdenkers komt. Dat is dus niet zo. Max Pam vanochtend in de Volkskrant, om maar eens een voorbeeld te noemen. Maar dan denk ik toch maar weer hoe de Q-koorts ontstond. Was daar niet ook een soort van doofpotje?

Insuline

Met mijn geliefde J. opgesloten worden, is niet echt een straf. Pasgeleden besefte ik me dat we al zes weken bijna fulltime bij elkaar zijn. Dat moet een record zijn. Onze gezamenlijke vakanties hebben nog nooit langer geduurd dan drie weken. Dan gaat ieder weer zijns en haars weegs en komen we elkaar vooral onder het avondeten en in bed tegen. En de weekenden natuurlijk. Maar zes weken vrijwel constant samen in een huis; dat hebben wij nog nooit meegemaakt. En die zes weken zullen zich nog uitbreiden. Geen idee hoe ver. Niemand weet dat. Sinds de jongetjes mannen werden en hun eigen leven gingen leiden, hebben we best een groot huis. Dat zullen we vast voorhebben op veel mensen die minder harmonisch met elkaar omgaan; ons huis is zo groot dat we elkaar niet voortdurend hoeven te zien.

Best goed dus allemaal; ik lijk makkelijk en ongeschonden door de coronapandemie heen te meanderen…Maar helaas…

Ik had in de loop van de afgelopen weken ineens het idee dat er iets met mijn prostaat aan de hand was. Mijn grote angst. Mijn prostaat. Die onderzoekjes bevallen mij niet. In mijn lichaam heb ik ingangen en uitgangen en dat hou ik graag zo. Maar bij onderzoek naar je prostaat heeft de dokter geen enkel respect voor uitgangen. Dus alleen daar al zie ik tegenop. Bovendien hoorde ik dat prostaatoperaties vaak impotentie tot gevolg heeft… Say no more… Waarom dacht ik dat er misschien wat met mijn prostaat was? Ik pieste elk uur. Ik dronk ook wel veel; had steeds dorst. De dorst en het drinken vielen mij niet zo op, maar dat plassen wel. Bovendien was ik zo verschrikkelijk moe. Dacht dat dat te maken had met thuiswerken. Niets van dat alles; glucose. Mijn suikerspiegel was hoog. Terwijl ik me zo strak aan het dieet hield. Toen ik weer begon te meten was de glucose hoog maar elke dag werd het hoger. En elke dag zo moe. Viel niet mee. Tijdens mijn thuiswerk onweerstaanbare zin om mijn ogen dicht te doen en heerlijk weg te dromen. Maar ik moest wakker blijven en doorwerken en dat botste en gaf wrijving. En toen kwamen er laboratoriumuitslagen want ik had bloed laten prikken; en toen was het geen grapje meer.

Stress is één van de factoren die de bloedsuikerspiegel op stuwt. Dat thuiszitten en niet met anderen omgaan en niet mijn eigen werkplek maar een thuiswerkplek en niet mijn eigen kinderen dichtbij, bleek wel stressvol; het coronavirus heeft van mij een echte patiënt met suikerziekte gemaakt.

Dus…tegenwoordig staat er een naaldencontainer naast mijn bureau. Om acht uur elke avond schud ik behoedzaam een buis met insuline. Dan schroef ik er een naaldje op, spuit ik de lucht uit het naaldje en vervolgens steek ik het naaldje in mijn bovenbeen en spuit ik insuline onder mijn huid. (En van dat prikken voel ik vrijwel niets. Dat is heel raar want ik duw de naald wel in mijn vlees.) Daarna deponeer ik het naaldje in mijn naaldencontainer. Insuline spuiten. Het is een nieuwe fase; een brug over. Nee, ik vind dat allemaal niet fijn. Dus zocht deze jongen naar een lichtpuntje in dit donkere corona-diabetes tijdperk. Gevonden! Op zaterdagavond ga ik ietsje meer insuline spuiten omdat ik dan mijn heerlijke versgebakken knapperige stokbrood ga eten. Met ambachtelijke boeren belegen kaas erop. Dat heb ik mezelf zo lang ontzegd. Dat is het voordeel met insuline…je kan er ietsje meer van spuiten om er je onverstandige eetgedrag mee te compenseren…

Wessel te Gussinklo – De Hoogstapelaar; knap geschreven…

Het gebeurt mij zelden, maar ik kon me bij het lezen van deze roman, en dan vooral het laatste stukje van de roman, het beste inleven in de tegenspeler van de hoofdpersoon Ewout. Na vijf zesde van de roman vol gezever van de hoofdpersoon – zou ik best een perspectiefwisseling wensen. Nu even niet de onechte Ewout als hoofdpersoon. In het laatste stukje van de roman loopt de hoofdpersoon in de Espressobar aan tegen twee jongens die hij in het eerste deeltje van de roman zwaar heeft beledigd. Laat ik een stukje herschrijven. Een ander perspectief. Een perspectief waardoor ik me beter kan identificeren met de hoofdpersoon:

“Ik had hem eerst niet gezien, dat lulletje, maar Japie wel. Hij stootte me aan. ‘Daar heb je dat arrogante klootzakje uit de jazzkelder. Moet je hem daar zien zitten met dat uitgestreken smoelwerk.’ Toen herkende ik hem. Hij zat naast één van zijn vriendjes. Een flikker zo te zien. Zo eentje met van die maniertjes. Mij zit het niet dwars als je homo bent, maar wel als je het billenmaatje van dat arrogante joch bent. De verontwaardiging over dat kolerelijertje kroop langs mijn ruggegraat omhoog en kwam bij mijn haargrens tot stilstand. Daar voelde ik hoe mijn haar overeind kwam. Wat een arrogantie, wat een eikel, wat een klootzak. We waren in die jazzkelder te beduusd om hem meteen zijn tanden uit zijn bek te slaan. Twee weken geleden. Té verbaasd. Japie en ik zaten lekker te genieten van ons sigaretje en ons biertje. Lekker muziekje op de achtergrond. Heerlijke ronde zachte maar toch stevige meidenbillen die zachtjes op de muziek meedeinden vlak voor onze neus en daar staat ineens dat klootzakkie; die etterbuil. Begint zomaar met zo’n hete aardappel in zijn verwende bekkie tegen ons te keer te gaan. Dat we op moeten zouten; dat de tent waar we in zitten niet voor ons soort bedoeld is. Dat er alleen maar studenten komen. Niet zulke domme gozers als wij zijn. We stonden helemaal met onze mond vol tanden. Zo overvallen dat we niet wisten wat we moesten doen. En we waren al vertrokken voordat we bedachten wat voor lulletje rozenwater dat gozertje eigenlijk was.

Maar nu zijn we niet overdonderd. We gaan hem een lesje leren; dat staat vast. Japie hoef ik niets te zeggen. Helemaal niet toen etterbuil himself ons ook in de smiezen kreeg. Want dat was even schrikken voor hem. Met dat arrogante koppie was hij meteen op zoek naar een ontsnappingsroute. Als één man stonden we op en liepen naar hem toe. Bij elke stap die wij dichterbij kwamen kromp dat lulletje verder in elkaar.

Ik gaf hem een por tegen zijn schouder: ‘Zo lulletje, kijken of je nog steeds zo moedig bent. Kom dan op, eikel. Ik ga één voor één die tanden uit je bek slaan. Arrogant klootzakkie!’ En ik gaf hem nog een por en nog een por. En hij reageerde als een dood vogeltje. Een steeds dooier vogeltje. Hij deed geen zak, dat lafbekkie. ‘Hé flikkertje, trek dat arrogante bekkie nog eens open…toe dan. Ik ruk die tong uit je kop, eikel. Dat jochie keek me aan. Angst. Pure angst in zijn ogen. Genieten dus voor mij en voor Japie. “

Maar dat zijn mijn woorden. Niet de woorden van Wessel te Gussinklo, maar het lucht mij wel op. Met een woordenstroom die aan een mantra doet denken bouwt Te Gussinklo het imago van de hoofdpersoon op en handhaaft hij het. Pas in het allerlaatste stukje van de roman ontwikkelt zich een soort van demasqué. We zijn getuige van een voortdurende strijd om erkenning van een vals beeld van de hoofdpersoon. Dat maakt het best ingewikkeld. Tegenspelers worden vergeleken met hoe en wat hij voorstelt volgens hemzelf; qua gevatheid, macht, aanzien, intellect. Sartre en Camus spelen een rol als middel tot intimidatie, maar heeft de hoofdpersoon deze auteurs gelezen? Nee, dus. Laat staan dat hij ze begrepen heeft. Dat beseft de hoofdpersoon zich ook. Imago, dat is waar het om gaat; vals of niet, als het je maar aanzien geeft.

Tegenover imago staat de werkelijkheid. Wie ben je werkelijk? Daar loopt Ewout tegenaan. Hij moet onweerstaanbare lusten zien te onderdrukken die in het geheel niet passen bij het beeld dat hij van zichzelf schept. Hij kan het niet laten om vrouwenkleren aan te trekken. Stilletjes in zijn eentje brengt Dvořáks Nieuwe Wereld hem in extase terwijl hij enkele bladzijden eerder nog heeft lopen snoeven over jazz en de vrijheid en tegen dat voorspelbare en zoetsappige van klassieke muziek… Wessel te Gussinklo houdt de diepere gevoelens van de hoofdpersoon erg vaag. Zijn gevoelens blijven verborgen in het verhaal en worden vaag beschreven. Hij masturbeert regelmatig, maar wie of wat zijn lusten opwekt, wordt niet duidelijk. Vrouwenkleren, homoseksualiteit, we krijgen er niet echt grip op.

De Hoogstapelaar is een boek waarin de hoofdpersoon mij heel erg ergerde. Nooit van het woord ‘Hoogstapelaar’ gehoord, maar omdat Google mijn vriend is, toch de betekenis gevonden. Een blaaskaak; iemand die zich heel veel beter voordoet dan hij in werkelijkheid is. Op zich heeft Wessel te Gussinklo de hoofdpersoon natuurlijk heel knap neergezet, want ik kon dat rotjoch wel wurgen. Maar, en dat is de hamvraag, maakt dat de roman tot iets wat je graag wil lezen? Nee, het zal nooit één van mijn favorieten worden.

Deze roman is genomineerd voor de Librisliteratuurprijs. Het is een knappe roman, maar niet een roman die ik graag lees. Om die reden zal hij niet mijn hoofdprijs wegslepen…

Sociale afstandelijkheid (social distancing)

Ik snak naar het einde van de lockdown. Intelligente lockdown of niet, het maakt mij niets uit, als er maar snel een einde aan komt. Ik heb verschrikkelijke last van huidhonger. Niet eens de honger om mensen aan te raken, maar wel om anderen in de ogen kijken en om met anderen samen te werken terwijl je naast elkaar zit. Ik ben een sociaal mens; ik heb menselijk contact nodig. Elektronisch contact, hoe geavanceerd ook, kan bij mij het persoonlijke fysieke contact niet vervangen. Dan heb ik het dus nog even niet over de mensen die mij lief zijn want sjonge wat mis ik ze. Naast de huidhonger mis ik ook alles wat het leven de moeite waard maakt. Bezoek aan concerten, bezoek aan musea, bioscopen, schouwburgen, sportevenementen; allemaal verboden. Soms vraag ik me stilletjes en schuldbewust af, waarom we onszelf dit aandoen (voor die paar oudjes die toch al met één been in het graf staan?). En dan kijk ik naar pubers en jonge volwassenen. Die zijn geprogrammeerd om elkaar op te zoeken en dicht bij elkaar te zijn en te foezelen en te flikflooien. Zij hebben het nog veel moeilijker dan ik, ouwe sok. Mark Rutte volgt het RIVM en het RIVM weet zeker dat sociale afstandelijkheid de oplossing is om uit deze corona pandemie te komen.

Gisterenavond bij Op1 bleek Maurice de Hond er een heel andere visie op na te houden en voor zover ik gisteren kon zien had zelfs (mister social distancing, himself) Ab Osterhaus niet veel argumenten tegen de Honds analyse. Doordat hij anders naar de pandemie kijkt, komt hij ook op andere oplossingen om ervan af te komen. Oplossingen die veel minder gaan om sociale afstandelijkheid maar wel om mondkapjes. Mondkapjes om anderen te beschermen tegen mogelijk jóúw besmettelijkheid omdat je, wellicht zonder dat je dat weet, drager bent van het virus.

Volgens Maurice de Hond hangt de grote verspreiding samen met een zeer bepaalde combinatie van temperatuur en luchtvochtigheid. Als je onder die omstandigheden samenkomt in een afgesloten ruimte, dan komt iedereen in aanraking met het virus en zal iedereen besmet raken, in het geval er minimaal één persoon in die ruimte drager van het virus is. Die combinatie van luchtvochtigheid en temperatuur was aanwezig in een golvende smalle strook over de wereldbol. De strook ging van het Chinese Wuhan naar Teheran in Iran via Turkije Europa in dwars over Lombardije, over Spanje en Frankrijk en België en Nederland naar New York. In landen waar dichtbevolkte sloppenwijken zijn of waar vluchtelingen in kampen hutjemutje op elkaar zitten buiten die smalle strook over de aarde, lijkt het virus nauwelijks te komen.

Als de verspreiding vooral het gevolg is van temperatuur en luchtvochtigheid en het verblijf van groepen mensen in afgesloten ruimtes, dan betekent dat dat we wel nog even concertgebouw, bioscoop en theater uit ons hoofd moeten zetten, maar dat dat een kwestie van tijd is. Als temperatuur en luchtvochtigheid veranderen – en dat gebeurt – dan dooft het virus vanzelf uit en krijgen microbiologen de tijd om snel verder te zoeken naar een vaccin voordat de omstandigheden voor het virus weer gunstiger worden. Mondkapjes zijn, in de gewone dagelijkse omgang, totdat het virus uitdooft, voldoende.

Dan de oudjes in de verzorgingstehuizen. Het virus wordt volgens Maurice de Hond via luchtcirculatiesystemen verspreid. Als één iemand besmet is in een verzorgingstehuis, dan raakt iedereen besmet. De besmetting van mens op mens is relatief gezien niet zo relevant; airco wel. Oplossing: Zet de airco uit en de ramen open…

Als dat toch allemaal eens waar was…wat zou ik dat graag willen!

Emoties en bedoelen wat je schrijft

Ik schrijf zelf wel eens zinnen waar ik na verloop van tijd, als ik ze teruglees, denk: Wat bedoelde ik daar nu helemaal mee? Op het moment dat ik ze neerpende, was de betekenis en de bedoeling me helemaal duidelijk. Een tijdje later, als de emoties ervan af zijn, valt de betekenis weg. Nu, in deze rare tijd vol emoties, zie ik soms in de krant bij gerenommeerde schrijvers zinnen waar ik weinig chocola van kan maken. Emoties, denk ik dan. Een alinea vanuit emotie geschreven en daarna is er niet even wat tijd overheen gegaan – of andermans kritische blik – om te kijken of het nog wel de betekenis heeft die er met alle emoties ingelegd is. En het is niet alleen de emotie van de schrijver die zijn schrijfsel tot wartaal maakt, ook de emoties van de lezer doet een duit in het zakje.

De corona ellende laat mij bijvoorbeeld niet onberoerd. Zie mij hier zitten: Zestiger met een gezellig wollig – oké, zeg maar dikkig – voorkomen, diabetespatiënt en nu behept met lichte keelpijn en een akelig hoestje… Op de corona IC afdeling liggen voor 80% dikke mensen. Ik ben bang. Ik geef het gewoonweg toe; ik ben bang. Mensen die ouder zijn dan ik maar met dezelfde lichamelijke conditie, sterven bij bosjes. Zelfs het ziekenhuis en de intensive-careafdeling is een brug te ver voor hen; ze gaan gewoon dood. Mensen van mijn leeftijd belanden wel op de intensive-careafdelingen. Daar worden ze in diepe slaap gebracht en vervolgens aangesloten op een beademingsmachine. Dat is dan de enige manier waarop je het virus kan overleven, heb ik begrepen. Mocht die lichte keelpijn en dat vervelende hoestje de voorbode zijn voor iets veel ergers, dan hoop ik toch echt dat er ook aan mij levensreddende hulp gegeven wordt; Ik wil nog helemaal niet dood; ik heb nog heel veel te doen op aarde; mijn agenda zit voor lange tijd vol.

Vandaag las ik in de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant de volgende alinea:

‘Mocht onderzoek uitwijzen dat de zwaarlijvigen niet hoefden te worden beademd wanneer ze een gezond gewicht zouden hebben, dan leidt dat tot ethische complicaties. Kysia Hekster hoeft in dat geval geen dagelijkse stand-up meer te doen over het ic-beddentekort, de kern van de hele crisis. Er zou nog altijd een probleem met corona zijn, maar met veel minder slachtoffers.’

Ik begrijp wel een beetje wat hij bedoelt, maar toch niet helemaal. Wat leidt er dan tot ‘ethische complicaties’? Je kunt het lezen als: Indien er geen zwaarlijvigheid was dan hoefden zwaarlijvigen ook niet te worden beademd…. En zou – magere lat – Kysia Hekster niet dagelijks hoeven te vertellen over het aantal beschikbare IC-bedden… Maar wat is, in dat geval, dan precies de ethische complicatie? Of…vindt Wagendorp dat dikkerds het aan zichzelf te wijten hebben dat ze zo ziek worden en moeten er dus, in het geval de IC-bedden vol liggen, een dikkerd worden afgekoppeld ten behoeve van een dunnertje omdat de laatste zo zijn best heeft gedaan om gezond te leven? Zeg het maar…ik weet het niet.

Kern van het verhaal is dat ik echt wel bang ben…emoties.  

Betrouwbare cijfers

Ik ben een angsthaas. Stikken in een ziekenhuis op een Intensive-careafdeling in Groningen… Omringd door mensen gehuld in beschermende kleren…Mijn aanstaande nabestaanden op een fikse afstand gehouden…Alleen en eenzaam doodgaan…ik word er haast panisch van. Natuurlijk ga ik ervan uit dat ik nog steeds tot de sterkeren behoor en slechts een mild griepje krijg en dat het heus niet zo erg zal zijn, maar aan de andere kant… Aan de andere kant ben ik een diabetespatiënt van boven de zestig… Ik wil nog helemaal niet dood. In mijn hoofd is de toekomst geplaveid met leuke en interessante dingen. Ik zal het wel overleven, laat ik daar maar van uit gaan. Angst is een slechte raadgever. Ondertussen onderdruk ik dagelijks de behoefte om te hamsteren. Wij doen eindeloos met een pak van zes rollen en we hebben meer dan genoeg voor de komende maand, maar toch…als er weer pleepapier in de schappen staat dan gooi ik een pak in mijn karretje. En voor de zekerheid wat potten groente en wat blikken tomaten en een pak rijst en linzen en bonen en… Ik ontkom niet aan het gevoel dat anderen ook lijken te hebben…ANGST.

Ook bestudeer ik dagelijks de kaartjes die op verschillende websites worden gepubliceerd. Op de één of andere manier hoop ik in die kaartjes houvast te vinden in hoe het virus zich verspreid. Hoelang het nog duurt eer het ons bereikt heeft. Maar, zo kwam ik al snel tot de conclusie, die kaartjes zeggen vrijwel helemaal niets. Misschien een indicatie van ‘iets’ maar over het algemeen zeggen ze helemaal niets. Ik had de neiging om de cijfers achter de kaartjes serieus op te vatten. Doorgaans zijn de kaartjes gebaseerd op het aantal besmettingen, het aantal overledenen en het aantal herstelden. Je zou kunnen denken dat je op grond van deze cijfers zou kunnen berekenen wat jouw overlevingskansen zijn als het virus je te pakken krijgt in het land waar je verblijft. Als je kijkt naar het kaartje dat gisteren op NOS.nl werd gepubliceerd, dan kleuren er gebieden steeds donkerder. De donkerste gebieden daar wil je het minste zijn. China, bijvoorbeeld zou het meest erge gebied zijn, want daar zijn de meeste besmettingen. Maar hoe zit het in Europa?

De meest besmettingen zijn op…IJsland. Op een totale bevolking van een slordige drie en een half duizend – plus minus gelijk aan de stad Utrecht – 473 besmettingen. Dat is een enorm hoog percentage. Maar kijk je naar het aantal mensen dat het coronavirus overleeft, dan kan je het beste in Italië wonen. Het is maar wat men in welk land meet. In Duitsland en IJsland worden heel veel mensen getest en is het aantal besmettingen het grootst. In België en Italië wordt het aantal herstelden geteld en is het percentage overlevers erg hoog. Het is dus maar wat je meet. Echt betrouwbare cijfers kan je alleen krijgen door iedereen te meten en wel dagelijks. Nu kunnen we er hoogstens een indicatie uithalen; In Italië, Spanje en Frankrijk wil je nu het minst graag zijn terwijl het zulke fijne landen zijn om op vakantie te gaan…

En in het land waar alles begon…China? Relatief een gering aantal besmettingen; niet te vergelijken met een land als Italië…

Het begin van de lente

Het begin van de lente. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Hamsteren. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het covid-19 virus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het mortaliteitscijfer. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Wc-papier. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het covid-19 virus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Sociale onthouding. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus.

Mag niet. Kan niet. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het covid-19 virus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Sociale onthouding. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het mortaliteitscijfer. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Sociale onthouding. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het covid-19 virus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus.

Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Wc-papier. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het covid-19 virus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Sociale onthouding s. Het coronavirus. Het covid-19 virus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Het coronavirus. Ik wil mijn leven terug!!!

Blog van Frits de Klerk